Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7635

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
04-09-2014
Zaaknummer
C/03/195822 KG ZA 14-500
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot verbod van een aangezegde ontruiming is te beschouwen als een executiegeschil ex artikel 438 Rv. De vordering om de executie van het eerdere (voorwaardelijke) ontruimingsvonnis te verbieden wordt afgewezen. Aan de voorwaarde die is verbonden aan de ontruimingsbevoegdheid is door de verhuurder voldaan. Er is geen sprake van misbruik van executiebevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/195822 KG ZA 14-500

Vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van 3 september 2014

in de zaak van:

[eiser],

wonend [adres 1],

[woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde mr. E.J.L. van de Glind,

tegen:

de stichting WONINGSTICHTING HEEMWONEN,

gevestigd te Kerkrade,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. C.J.P. Schellekens.

Partijen zullen hierna [eiser] en Heemwonen genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 22 augustus 2014 met producties

  • -

    de op voorhand toegezonden producties aan de zijde van Heemwonen

  • -

    de op 1 september 2014 gehouden mondelinge behandeling

  • -

    de overgelegde productie aan de zijde van [eiser]

  • -

    de overgelegde pleitnota aan de zijde van Heemwonen.

1.2.

Tenslotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] huurt met ingang van 1 juni 1999 van Heemwonen de woning staande en gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de woning).

2.2.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard kort geding vonnis van 14 november 2013 (zaaknummer 525338 CV EXPL 13-37050) heeft de kantonrechter van deze rechtbank [eiser] veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen vier weken na betekening van het vonnis. Aan deze ontruimingsbevoegdheid heeft de kantonrechter de voorwaarde verbonden dat Heemwonen vóór de ontruiming (nog) één keer een met de [adres 1] te [woonplaats] vergelijkbare woonruimte aan [eiser] dient aan te bieden, welke woonruimte is gelegen in Landgraaf en waarvan de huurprijs (inclusief btw, stookkosten, servicekosten en eventuele kosten voor een garage dan wel parkeerplek) maximaal € 675,- bedraagt.

2.3.

Op 5 augustus 2014 heeft Heemwonen het vonnis van 14 november 2013 aan [eiser] laten betekenen met de aanzegging dat, indien de ontruiming niet plaats vindt binnen vier weken na betekening van het vonnis, de gerechtelijke ontruiming plaats zal vinden op 11 september 2014 vanaf 9.00 uur.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Heemwonen zal verbieden het vonnis van 14 november 2013 te executeren voor zover dit ziet op de ontruiming van de woning, zulks onder oplegging van een dwangsom van € 500,- per dag voor het geval dat Heemwonen zich niet aan dit verbod houdt, met veroordeling van Heemwonen in de kosten van deze procedure en de nakosten.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] primair ten grondslag dat er geen geldig, executabel, ontruimingsvonnis is. Hiertoe stelt [eiser] dat, nu Heemwonen - alvorens tot de ontruiming over te gaan - geen vergelijkbare woonruimte in de gemeente Landgraaf aan [eiser] heeft aangeboden, niet voldaan is aan de voorwaarde voor ontruiming zoals opgenomen in het vonnis van 14 november 2013. Op die grond biedt het vonnis van

14 november 2013 dan ook geen geldige executoriale titel voor de aangezegde ontruiming. Subsidiair stelt [eiser] zich - kort gezegd - op het standpunt dat Heemwonen misbruik maakt van haar executierecht, omdat zij - in tegenstelling tot [eiser] - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het doorzetten van de ontruiming.

3.3.

Heemwonen heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak alsmede uit de stellingen van [eiser] en wordt door Heemwonen ook niet betwist.

4.2.

Het geschil tussen partijen is te kwalificeren als een executiegeschil dat valt onder de reikwijdte van 438 Rv.

4.3.

Allereerst ligt de vraag voor of Heemwonen voldaan heeft aan de voorwaarde voortvloeiende uit het vonnis van 14 november 2013, zodat zij thans op grond van dat vonnis in beginsel gerechtigd is tot de ontruiming van de woning van [eiser].

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat Heemwonen in januari 2014 een met de huidige woning vergelijkbare woonruimte heeft aangeboden in Landgraaf en dus aan de voorwaarde heeft voldaan. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat uit de brief van

20 januari 2014, die als productie 6 bij dagvaarding door [eiser] is overgelegd, genoegzaam af te leiden is dat Heemwonen een aanbod voor een nieuwe woonruimte aan de [adres 2] te Landgraaf heeft gedaan.

4.5.

Dat Heemwonen, zoals [eiser] stelt, dit aanbod bij latere datum heeft ingetrokken, is bezien in het licht van het door Heemwonen gemotiveerd gevoerde verweer niet aannemelijk geworden. Heemwonen heeft terecht gewezen op de verslaglegging van het gesprek van 24 maart 2014 tussen [eiser], de gemeente Landgraaf, [naam zorgmakelaar] als zorgmakelaar van ‘Meldpunt Zeer Moeilijk Plaatsbaren’ (hierna: Meldpunt ZMP) en haarzelf en de naar aanleiding hiervan door [eiser] ondertekende verklaring van 4 april 2014, producties 2 en 3 aan de zijde van Heemwonen. In deze verklaring verklaart [eiser] ermee akkoord te gaan dat hij van de aangeboden woning in Landgraaf afziet. Dat, zoals [eiser] stelt, deze verklaring onder druk van Heemwonen ondertekend is dan wel dat deze verklaring tot stand is gekomen onder invloed van verstoorde geestvermogens, is niet aannemelijk geworden. Immers [eiser] heeft deze stellingen, tegenover de gemotiveerde betwisting aan de zijde van Heemwonen, onvoldoende onderbouwd.

4.6.

Bij het voorgaande komt bovendien dat Heemwonen er - op basis van voornoemde verklaring en de latere gedragingen van [eiser] - gerechtvaardigd vanuit mocht gaan dat [eiser] (deels) afstand heeft gedaan van de voorwaarde zoals geformuleerd in het vonnis van 14 november 2013, in die zin dat Heemwonen niet langer gehouden was tot het doen van een woonruimte aanbod in de gemeente Landgraaf, maar gehouden was om in samenwerking met woningstichting Weller een aanbod voor een woonruimte in een omringende gemeente te doen. Met het aanbod van 18 april 2014 van de woonruimte aan de [adres 3] te Heerlen heeft Heemwonen aan deze ‘hernieuwde’ voorwaarde gedaan. Uit het besluit van 29 juli 2014, productie 6 aan de zijde van Heemwonen, blijkt genoegzaam dat [eiser] zich ook in lijn met deze voorwaarde gedragen heeft. Opgenomen is dat [eiser] de woonruimte in Heerlen onder begeleiding van Meldpunt ZMP heeft bezocht, dat hij het woningaanbod heeft geaccepteerd en vervolgens inspraak heeft gehad bij de modernisering van de woonruimte. Dat, zoals [eiser] stelt, hetgeen in het besluit is opgenomen niet met de werkelijke gang van zaken strookt, acht de voorzieningenrechter als onvoldoende onderbouwd niet aannemelijk. Dit spreekt te meer, nu

[eiser] niet gesteld heeft welk belang Meldpunt ZMP erbij zou hebben om de feiten en omstandigheden niet in lijn met de werkelijkheid weer te geven.

4.7.

Ten aanzien van het subsidiair gestelde omtrent misbruik van het executierecht wordt voorop gesteld dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt, dat in een executiegeschil geen inhoudelijke bezwaren tegen een uitspraak aangevoerd kunnen worden, behoudens die welke nopen tot het oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Van dat laatste kan sprake zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor de geëxecuteerde, zodat onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is.

4.8.

Dat het vonnis van 14 november 2013 klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, is gesteld noch gebleken.

4.9.

Dat er, als de tenuitvoerlegging van de ontruiming van de woning op 11 september 2014 doorgang vindt, voor [eiser] een noodtoestand zal ontstaan op grond van feiten die bij vonnis van 14 november 2013 nog niet meegewogen zijn, is evenmin aannemelijk. Gesteld noch gebleken is, dat sprake is van ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die tot een noodtoestand zouden kunnen leiden. De feiten en omstandigheden die [eiser] naar voren heeft gebracht, zijn omstandigheden die ten tijde van het wijzen van het vonnis van 14 november 2013 reeds bekend waren en door de toen oordelende kantonrechter zijn meegewogen. Ten aanzien van de omstandigheid dat [eiser] na executie van het vonnis zonder huisvesting komt te zitten, merkt de voorzieningenrechter op dat dit een aan het wijzen van een (voorwaardelijk) ontruimingsvonnis inherente omstandigheid is, die al bij de eerdere belangenafweging is betrokken.

4.10.

Ten slotte is evenmin aannemelijk geworden dat er andere feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan Heemwonen in redelijkheid geen gebruik mag maken van haar recht tot executie van het vonnis in kwestie. [eiser] heeft allereerst gesteld dat enerzijds de tijdsspanne tussen de uitspraak van het vonnis van 14 november 2013 en de daadwerkelijke betekening en anderzijds de instandhouding van de huurovereenkomst, bij hem de gerechtvaardigde indruk hebben gewekt dat de executie van het vonnis van 14 november 2013 geen doorgang meer zou vinden. De voorzieningenrechter is, gelet op de gemotiveerde betwisting door Heemwonen, van oordeel dat [eiser] aan het tijdsverloop en de instandhouding van de huurovereenkomst niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij de woning zou kunnen behouden. Heemwonen heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij haar recht op tenuitvoerlegging van het vonnis niet heeft prijsgegeven. Voldoende aannemelijk is dat zij de periode tussen de uitspraak van het vonnis en de uiteindelijke betekening heeft benut om andere woonruimte te vinden voor [eiser]. Enig belang bij het starten van een bodemprocedure ter ontbinding van de huurovereenkomst, voor zover relevant, had zij in die periode dan ook niet. Dat, zoals [eiser] ten tweede heeft gesteld, er thans geen sprake is van een door hem veroorzaakte overlastsituatie - hetgeen door Heemwonen wordt betwist - betekent niet dat Heemwonen geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de ontruiming.

4.11.

Het voor overwogene leidt tot de conclusie dat er geen feiten en omstandigheden zijn die aan de tenuitvoerlegging van het vonnis van 14 november 2013 in de weg staan. De gevorderde voorziening zal daarom worden afgewezen.

4.12.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van Heemwonen worden begroot op:

  • -

    griffierecht € 608,-

  • -

    salaris gemachtigde € 527,- +

€ 1.135,-

5 De beslissing

De voorzieningenrechter,

5.1.

weigert de gevorderde voorziening,

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Heemwonen gevallen en tot aan dit vonnis begroot op € 1.135,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en is in het openbaar uitgesproken.

Type: NG