Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7617

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
C/03/193486 / KG ZA 14-378
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil tussen ex-echtgenoten. Dat alimentatieverplichting - zoals de man stelt - is geëindigd op grond van art. 1:160 BW staat thans nog niet vast, en de voorzieningenrechter kan op de beslissing daaromtrent in kort geding niet vooruitlopen. Evenmin kan de voorzieningenrechter vooruitlopen op de uitkomst van een door de man ingediend verzoek tot wijziging/nihilstelling van de partneralimentatie en op een - eventuele - verrekeningsvordering van de man uit hoofde van de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap die nog moet plaatsvinden.

Ook een regresvordering van de man (op basis van art. 6:10 BW) uit een (hoofdelijke) restschuld van partijen (na verkoop van een in de gemeenschap vallende woning) komt thans (nog) niet aan de orde, nu de man deze schuld volledig heeft afbetaald door het sluiten van een nieuwe lening, waardoor er van een hoofdelijke schuld aan de bank thans geen sprake meer is.

Ook verder niet gebleken van schorsingsgronden. Restitutierisico onvoldoende aangetoond.

Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/193486 / KG ZA 14-378

Vonnis in kort geding van 2 september 2014

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat mr. R.M.H.H. Tuinstra,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat mr. L.E.I.K. Jaminon.

Partijen zullen hierna "de man" ([eiser]) en "de vrouw" ([gedaagde]) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de door de vrouw bij brief van 21 augustus 2014 overgelegde productie

  • -

    de door de man bij brief van 25 augustus 2014 overgelegde productie

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van de man

  • -

    de pleitnota van de vrouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd geweest en bij beschikking van deze rechtbank van 21 maart 2012 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheiding is op [datum] ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

2.2.

Bij die beschikking is de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vastgesteld op € 4.600,00 per maand.

2.3.

De man heeft vanaf december 2012 de partneralimentatie niet meer volledig betaald en vanaf oktober 2013 heeft de man de partneralimentatie in het geheel niet meer betaald.

2.4.

Op 20 juni 2014 heeft de vrouw onder de Coöperatieve Rabobank Centraal Zuid-Limburg, de ING-bank en de Ontvanger der Belastingen executoriaal beslag laten leggen om betaling van de achterstallige partneralimentatie vanaf december 2012 t/m juni 2014 (minus de reeds betaalde bedragen en een terechte verrekening van € 4.500,00) en de te vervallen termijnen vanaf juli 2014 te verkrijgen.

2.5.

Per heden bedraagt de achterstand in betalingen van de man € 77.219,70.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert:

primair

De vrouw te bevelen de gestarte executie te staken en gestaakt te houden, althans dat de voorzieningenrechter deze executie zal schorsen, respectievelijk de vrouw te veroordelen om de in het kader van de executie gelegde derdenbeslagen onmiddellijk op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00, althans dat de voorzieningenrechter die beslagen zal opheffen, en te bepalen dat de man, indien en voor zover hij meer dan zijn 50% aandeel in de schuld aan de Directbank heeft voldaan, voor dat meerdere regres heeft op de vrouw, en te bepalen dat de man bevoegd is c.q. hem te machtigen tot verrekening van die regresvordering met zijn (eventuele, nog resterende) partneralimentatie-verplichting jegens de vrouw, zo nodig met inachtneming van de beslagvrije voet;

subsidiair

elke andere voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht en die recht doet aan de belangen van de man;

primair en subsidiair

De vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

3.2.

De man heeft daartoe - kort samengevat - gesteld:

  • -

    tussen partijen bestaat verschil van mening over de verschuldigdheid van partneralimentatie, althans over de omvang van die verplichting met betrekking tot periode vanaf december 2013 tot heden;

  • -

    de vrouw heeft pas op 20 juni 2014 zonder vooraankondiging executoriaal derdenbeslag gelegd;

  • -

    de man heeft de vrouw gesommeerd de executie te staken en de beslagen op te heffen, maar de vrouw heeft daaraan geen gevolg gegeven;

  • -

    de man verzet zich tegen de executie en heeft een spoedeisend belang de voorzieningenrechter te vragen de executie te schorsen c.q. de vrouw te veroordelen tot opheffing van de gelegde beslagen, c.q. die beslagen op te heffen;

  • -

    de man is van mening dat op grond van het bepaalde in art. 1: 160 BW zijn alimentatieverplichting met ingang van [datum] subsidiair 1 december 2012 is geëindigd;

  • -

    de man heeft een - aanzienlijke - verreken/onderbedelingsvordering op de vrouw uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap die nog moet plaatsvinden;

  • -

    de man heeft voorts een vordering op de vrouw uit hoofde van de schuld aan Directbank die resteerde na de verkoop van de woning van partijen aan de [adres], welke schuld in de gemeenschap viel en waarvoor partijen hoofdelijk aansprakelijk waren, maar welke vordering (door omzetting in een lening bij de Directbank) nu door hem alleen wordt afbetaald;

  • -

    de man beroept zich in dit verband expliciet op verrekening ex art. 6:127 BW, hetgeen hem ook vrij staat onder respectering van de beslagvrije voet.

3.3.

De vrouw voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van de man bij de gevraagde voorziening is door de vrouw niet weersproken en blijkt ook uit de aard van de vordering.

4.2.

De vrouw baseert haar recht om te executeren langs de weg van de drie tot op heden gelegde derdenbeslagen op de beschikking van deze rechtbank van 21 maart 2012 waarbij - naast de alimentatie voor de kinderen van partijen (ad € 455,00 per kind per maand) - de partneralimentatie voor de vrouw is vastgesteld op € 4.600,00 per maand. Die beschikking van de rechtbank heeft volgens de vrouw nog immer rechtskracht tussen partijen, nu daarin - ondanks diverse al tussen partijen gevoerde procedures - tot op heden geen wijziging is gekomen.

4.2.1.

Dat de alimentatieverplichting van de man - zoals hij stelt - op grond van artikel 1:160 BW is geëindigd staat op dit moment nog niet vast. De daaromtrent door de man bij deze rechtbank aanhangig gemaakte procedure onder zaaknummer C/03/184399/FA/RK 13-2115 loopt op dit moment nog (in die zaak is de man bij beschikking van deze rechtbank van 14 mei 2014 toegelaten tot bewijs van zijn stellingen) en de voorzieningenrechter kan niet vooruitlopen op de uitkomst daarvan.

4.2.2.

De voorzieningenrechter kan evenmin vooruitlopen op de uitkomst van het eerst op 25 augustus 2014 door de man in de voormelde zaak met zaaknummer C/03/184399/FA/RK 13-2115 ingediende "aanvullende subsidiair verzoek wijziging partneralimentatie, meer subsidiair limitering partneralimentatie".

4.3.

Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat de vrouw - in uitgangspunt - jegens de man aanspraak kan maken op betaling van partneralimentatie ter hoogte van € 4.600,00 jegens maand. Vast staat dat de man zijn alimentatieverplichtingen jegens de vrouw niet (volledig) nakomt. De bevoegdheid van de vrouw om executoriaal (derden)beslag te leggen, ten einde de naleving van het bepaalde in de beschikking van 21 maart 2012 bepaalde af te dwingen, is daarmee - in uitgangspunt - gegeven.

4.4.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis langs de weg van een executoriaal beslag verhinderen als zou blijken dat voorafgaand aan de executie reeds is voldaan aan de titel, eventueel langs de weg van de verrekening.

4.4.1.

Dat de man - zoals hij stelt - thans een verrekenvordering heeft op de vrouw uit hoofde van een onderbedeling bij de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen staat niet vast, nu de daaromtrent door de man bij deze rechtbank aanhangig gemaakte procedure onder zaaknummer C/03/192963/HA/ZA 14-360 nog loopt (in die procedure heeft de vrouw op 6 augustus 2014 geantwoord en een eis in reconventie ingediend en zal een comparitie van partijen plaatsvinden) en de voorzieningenrechter in de onderhavige procedure niet vooruit kan lopen op de uitkomst daarvan. Zoals het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in haar arrest van 18 maart 2014 reeds heeft overwogen, staan de posities van partijen ten opzichte van elkaar niet vast, zodat ook het bestaan (evenals de eventuele omvang daarvan) van een verrekeningsvordering van de man thans nog niet vaststaat.

4.4.2.

De man heeft voorts gesteld dat hij op grond van art.6:10 BW een regresvordering heeft op de vrouw op grond van de restschuld van partijen aan de Directbank van € 64.532,03 (die resteerde na de verkoop van de woning te Kerkrade), nu hij met de Directbank een nieuwe overeenkomst heeft gesloten die in de plaats komt van de oorspronkelijke verplichting van partijen tezamen jegens de Directbank, en de verplichting tot terugbetaling van de restschuld (welke hij met € 1.000,00 per maand aflost) thans volledig op hem rust. De man stelt (ook) uit hoofde van deze betalingen een verrekeningsvordering te hebben op de vrouw.

4.4.3.

De man ziet daarbij echter over het hoofd dat art. 6:10 BW betrekking heeft op hoofdelijke schuldenaren. De man heeft de oorspronkelijke schuld jegens de Directbank (waarvoor de vrouw hoofdelijk verbonden was) eigenmachtig en volledig voldaan door het afsluiten van een nieuwe lening bij de Directbank, waarvoor alleen hij aansprakelijk is. Daarom is er thans geen sprake (meer) van een schuld waarvoor partijen hoofdelijk verbonden zijn. Dat de aflossing van de oorspronkelijke gemeenschapsschuld mogelijk in het kader van de verdelingsprocedure nog (nader) aan de orde kan komen, kan - gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld over de scheidings- en delingsvordering van de man - thans geen rol spelen.

4.4.4.

Of ter zake de betaling van partneralimentatie (steeds) een beroep een verrekening kan worden gedaan, kan, gelet op het voorgaande, verder in het midden blijven.

4.5.

Verder kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.5.1.

Dat een van deze schorsingsgronden aanwezig is, heeft de man niet - deugdelijk onderbouwd - gesteld en is de voorzieningenrechter ook anderszins niet gebleken.

4.5.2.

Gelet op het vorenstaande kan - mede gelet op hetgeen de vrouw ter terechtzitting nog heeft gesteld omtrent haar financiële toestand - niet worden geoordeeld dat de vrouw geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging.

4.5.3.

Het door de man nog gestelde - mogelijke - restitutierisico (in het geval in een of meer van de lopende procedures in het voordeel van de man zou worden beslist) heeft de man tegen de betwisting van de vrouw onvoldoende aangetoond.

4.6.

Gelet op al het voorgaande zullen de primaire en de subsidiaire vorderingen van de man worden afgewezen.

4.6.1.

Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter erop dat de vordering "te bepalen dat de man, indien en voor zover hij meer dan zijn 50% aandeel in de schuld aan de Directbank heeft voldaan, voor dat meerdere regres heeft op de vrouw, en te bepalen dat de man bevoegd is c.q. hem te machtigen tot verrekening van die regresvordering met zijn (eventuele, nog resterende) partneralimentatie-verplichting jegens de vrouw, zonodig met inachtneming van de beslagvrije voet", neerkomt op een vordering tot verklaring voor recht, die - gelet op HR 2 april 296 (NJ 1977/361) - in kort geding niet kan worden uitgesproken. Ook om die reden zou (dit deel van) de vordering van de man zijn afgewezen.

4.7.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst af het door de man gevorderde,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Beurskens en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: PZ