Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7518

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_738u
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft geoordeeld dat de gedragingen waarvan eiser een verwijt kan worden gemaakt een objectieve dringende reden opleveren voor het ontslag van eiser. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat ook sprake is van een subjectieve dringende reden. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van verwijtbare werkloosheid. Verweerder was derhalve gehouden op de voet van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel te weigeren. Van verminderde verwijtbaarheid is niet gebleken. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 13/738

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2014 in de zaak tussen

[naam eiser], te[woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.L.A. Helmer)

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), verweerder

(gemachtigde: F.G.E. Houtbeckers)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: het Ministerie van Financiën, Cluster Bedrijf/Juridische Zaken, de derde-partij.

(gemachtigde: R.H. Laurs)

Procesverloop

Op 23 augustus 2012 heeft eiser verweerder verzocht om hem op grond van de Werkloosheidswet (WW) een uitkering per 23 augustus 2012 toe te kennen.

Bij besluit van 14 september 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser geïnformeerd dat er nog geen beslissing kan worden genomen op zijn aanvraag. Daarnaast heeft verweerder besloten dat aan eiser geen voorschot wordt verstrekt.

Bij besluit van 25 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De derde-partij heeft een gemotiveerde reactie op het beroepschrift ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer is aangevangen op 19 juni 2014. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Namens de derde-partij is verschenen de gemachtigde, werkzaam bij het Ministerie van Financiën. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.

De behandeling van het beroep ter zitting is vervolgens geschorst, aangezien gebleken is dat eiser en zijn gemachtigde de uitnodiging voor de zitting niet hebben ontvangen, terwijl zij hebben aangegeven wel bij het onderzoek ter zitting aanwezig te willen zijn.

Het onderzoek ter zitting is vervolgens op 7 augustus 2014 door de meervoudige kamer hervat. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Namens verweerder is de gemachtigde verschenen. De derde-partij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Op verzoek van partijen en na beraad ter zitting heeft de rechtbank het in het beroepschrift van eiser opgenomen bezwaar tegen het in de beslissing op bezwaar van 25 januari 2013 vervatte primaire besluit om de aanvraag om een WW-uitkering af te wijzen, behandeld als rechtstreeks beroep.

Overwegingen

1.

Eiser was sinds 1974 werkzaam bij de Belastingdienst als behandelfunctionaris. In verband met een vermoeden van zeer ernstig plichtsverzuim is eiser bij besluit van

2 maart 2012 de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd en geschorst in het belang van de dienst. Eiser is bij primair besluit van 21 augustus 2012 door zijn voormalige werkgever disciplinair ontslagen met ingang van 23 augustus 2012 wegens zeer ernstig plichtsverzuim, bestaande uit het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting over 2009 en 2010. Eiser heeft in zijn aangiften over 2009 en 2010 correcties aangebracht in zijn belastbaar inkomen ter grootte van respectievelijk € 1.800,-- en € 2.895,-- door het onterecht (doen) opvoeren van aftrekposten. Daardoor heeft eiser de Belastingdienst met respectievelijk €796,-- en

€ 1.234,-- benadeeld.

Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

2.

Op 23 augustus heeft eiser bij verweerder een aanvraag voor een uitkering op grond van de WW gedaan per 23 augustus 2012.

3.

Bij het primaire besluit van 14 september 2012 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat er nog geen beslissing kan worden genomen op zijn aanvraag. Verweerder heeft daartoe besloten om reden dat eiser rechtsmiddelen heeft aangewend tegen zijn ontslag wegens plichtsverzuim; deze procedure dient te worden afgewacht door verweerder. Omdat verweerder er echter van uit gaat dat zal worden bepaald dat dit ontslag terecht is opgelegd, heeft verweerder daarnaast besloten dat aan eiser geen voorschot wordt verstrekt.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

4.

Eisers bezwaar tegen het primaire ontslagbesluit is bij besluit van 9 januari 2013 ongegrond verklaard. Tegen dat laatste besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen meer aangewend.

5.

Bij besluit van 25 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft voorts bepaald dat het bestreden besluit in de plaats komt van het primaire besluit en heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een zelfstandig besluit dient te nemen op de aanvraag voor een WW-uitkering. Verweerder heeft vervolgens eisers aanvraag voor een WW-uitkering afgewezen op de grond dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden aangezien er sprake is van een verwijtbare dringende reden voor ontslag.

6.

Eiser heeft in beroep betwist dat er sprake was van een subjectief dringende reden voor zijn ontslag. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat zijn voormalig werkgever niet onverwijld tot ordemaatregelen en tot beëindiging van zijn dienstverband is overgegaan op het moment dat het vermoeden van zeer ernstig plichtsverzuim bekend was bij de werkgever. Eiser heeft tevens aangevoerd dat er geen objectief dringende reden voor zijn ontslag aanwezig was. Eiser heeft zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat de specifieke omstandigheden van het begane plichtsverzuim, in combinatie met de aard van zijn werkzaamheden die niet op het terrein van de inkomstenbelasting lagen en zijn persoonlijke omstandigheden ertoe moeten leiden dat er van een objectief dringende reden voor ontslag geen sprake was. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat verweer ten onrechte niet is overgegaan tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar.

7.

De rechtbank overweegt als volgt.

8.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt de werknemer de verplichting op te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Als de werknemer de verplichting om werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen, weigert het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

Uit artikel 7:677, eerste lid, van het BW volgt dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de wederpartij.

Artikel 7:678, eerste lid, van het BW bepaalt dat voor de werkgever als dringende redenen in de zin van artikel 7:677, eerste lid, van het BW worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

9.

De vraag die voorligt is of aan de werkloosheid van werknemer een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW ten grondslag ligt. Daarvoor is volgens vaste rechtspraak van de CRvB een beoordeling nodig van zowel de objectieve als de subjectieve dringendheid van de ontslagreden (zie de uitspraak van de CRvB van 15 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8713). Als dringende reden worden beschouwd: zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. De reactie van de werkgever op het gedrag van de werknemer vormt een aanwijzing voor het al dan niet aanwezig zijn van een dringende reden, maar de wijze waarop het dienstverband is beëindigd is voor die beoordeling niet doorslaggevend. Elementen die dienen mee te wegen bij de beoordeling of zich een dringende reden voordeed zijn, zoals de CRvB in de uitspraak van 18 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH2387) heeft overwogen: de subjectiviteit van de dringende reden, in onderlinge samenhang bezien met de aard en ernst van de gedraging en de andere relevante aspecten, zoals de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die betrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zouden hebben.

Het enkele feit dat eiser aan werknemer strafontslag heeft verleend en dat het ontslagbesluit rechtens onaantastbaar is geworden, leidt nog niet tot de conclusie dat de reden voor het ontslag van werknemer ook is aan te merken als een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW.

10.

Tussen partijen is niet in geding dat de gedragingen die ten grondslag hebben gelegen aan het strafontslag op zichzelf een objectieve dringende reden konden vormen voor eisers ontslag. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, ook ondanks hetgeen eiser overigens in dit kader heeft aangevoerd, te weten zijn lange en onberispelijke staat van dienst, de omstandigheid dat hij niet zelf de onjuiste aangiftes heeft gedaan, zijn leeftijd, de aard van zijn werkzaamheden die niet op het terrein van de inkomstenbelasting lagen en de zwaarwegende financiële gevolgen, terecht op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van een objectieve dringende reden voor het ontslag. Verweerder heeft daartoe terecht meegewogen dat aan ambtenaren van de Belastingdienst hoge(re) integriteits-, zorgvuldigheids- en betrouwbaarheidseisen (mogen) worden gesteld. Dat geldt zeker ook voor wat betreft het nakomen van - de eigen - fiscale verplichtingen en het zich strikt houden aan de fiscale wet- en regelgeving. Tevens heeft verweerder terecht overwogen dat eiser op meerdere momenten in staat moet zijn geweest te beseffen dat een derde bewust onjuiste aangiftes voor hem heeft gedaan over 2009 en 2010 en dat de controle en het risico en de verantwoording daarover bij hem berustte, althans in ieder geval diende te berusten. Desondanks heeft eiser niet de ernst van de situatie ingezien en achterwege gelaten zijn werkgever daarover te informeren. Ook het langdurige dienstverband, eisers leeftijd en financiële consequenties zijn geen omstandigheden die de dringendheid van de ontslagreden wegnemen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de gedragingen waarvan eiser een verwijt kan worden gemaakt een objectieve dringende reden opleveren voor het ontslag van eiser.

11.

Naar het oordeel van de rechtbank is ook sprake van een subjectieve dringende reden. In dit kader is het handelen van de werkgever van belang vanaf het moment waarop de werkgever wetenschap had van het feit dat (namens) eiser onjuiste aangiftes (zijn) heeft ingediend. Eiser kan niet gevolgd worden in zijn stelling dat de derde-partij, gelet op het tijdsverloop, ervan blijk heeft gegeven dat het aan eiser verweten plichtsverzuim niet zodanig ernstig was dat niet zou kunnen worden gesproken van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW.

De rechtbank heeft hierbij in overweging genomen dat verweerder en de derde-partij uiteen hebben gezet dat de Belastingdienst als werkgever en de Belastingdienst als inner van belastingen strikt gescheiden opereren. Dat wil zeggen dat fiscale onregelmatigheden begaan door een ambtenaar in dienst van de Belastingdienst niet automatisch de werkgever ter ore komen. De inspecteur van de Belastingdienst is immers gehouden aan zijn fiscale geheimhoudingsplicht. De rechtbank is met inachtneming daarvan van oordeel dat de Belastingdienst als werkgever eerst nadat de Minister van Financiën op 25 januari 2012 de ontheffing van de geheimhoudingsplicht heeft verleend, op de hoogte is geraakt van de door eiser begane onregelmatigheden. Immers pas vanaf dat moment kon de Belastingdienst als werkgever geïnformeerd worden omtrent de gedragingen die eiser verweten werden. De werkgever heeft met betrekking tot het plichtsverzuim - nadat de bescheiden en bevindingen van de belastinginspecteur waren ontvangen - onverwijld een gesprek met eiser gevoerd. Onmiddellijk daarna heeft de werkgever disciplinaire maatregelen genomen jegens eiser door hem bij besluit van 2 maart 2012 de toegang tot de dienstgebouwen en het werk te ontzeggen en door hem te schorsen in het belang van de dienst. Ook met betrekking tot de daarna gevolgde procedure kan - mede bezien de diverse toegekende verzoeken van eiser om uitstel en om zijn schriftelijke standpunt ook nog in een tweetal hoorzittingen mondeling te mogen toelichten én het gegeven dat de derde-partij op enig moment een rol diende te vervullen in de procedure - niet worden gezegd dat de werkgever lang heeft stilgezeten, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er geen sprake is van een subjectieve dringende reden voor eisers ontslag.

12.

Bovenstaande betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van verwijtbare werkloosheid. Verweerder was derhalve gehouden op de voet van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel te weigeren, tenzij het niet nakomen van de verplichting te voorkomen verwijtbaar werkloos te worden eiser niet in overwegende mate kan worden verweten. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke verminderde mate van verwijtbaarheid zich hier niet voordoet.

13.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

14.

Voor een proceskostenveroordeling in bezwaar en/of in beroep bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.M. de Loo (voorzitter), en mr. K.M.P. Jacobs en

mr. D.J.E. Aerts, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2014.

w.g. W.A.M. Bocken,

griffier

w.g. W.A.M. de Loo,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 1 september 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.