Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7491

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
03/830104-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Ongeval met dodelijk slachtoffer. Verdachte heeft zich aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen. Medeschuld van het slachtoffer disculpeert niet. Oplegging van een taakstraf van 240 uren, alsook een ontzegging van de rijbevoegdheid van 24 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/830104-12

Datum uitspraak : 27 augustus 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats 1], [adres 1].

Raadsvrouw is mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 13 augustus 2014.

De rechtbank heeft op 13 augustus 2014 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 18 augustus 2012 in de gemeente Heerlen

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto),

daarmede rijdende over de weg, de rechterrijbaan van de Spoorsingel, komend

uit de richting Schandelerboord en rijdend in de richting van de Kloosterweg,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden

door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- als beginnend bestuurder, onder invloed van alcohol en/of terwijl het zicht

voor hem, verdachte, door de positie/stand van zijn rugleuning, mogelijk

ernstig werd beperkt - een middels kanalisatiestrepen aangegeven

oversteekplaats, bestemd voor het (fiets)verkeer rijdende over de

Willemstraat, komende uit de richting Stationsstraat en gaande in de richting

van de Gringelstraat, te naderen met veel hogere snelheid dan de aldaar

toegestane maximumsnelheid van 50 km/u en/of zonder de snelheid van het door

hem, verdachte, bestuurde voertuig voldoende te verminderen en/of zonder met

het door hem, verdachte, bestuurde voertuig behoorlijk uit te wijken, op het

moment dat een zich op die oversteekplaats bevindende snorfietser doende was,

via de aldaar gelegen verhoogde middengeleider, de rechterrijbaan van de

Spoorsingel over te steken, waardoor hij, verdachte, in botsing of aanrijding

is gekomen met (de bestuurder van) die snorfiets,

waardoor [slachtoffer] werd gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,

eerste of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994: bij onderzoek bleek het

alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed 0,85 milligram, in elk geval hoger

dan 0,2 gram milligram, alcohol per millimeter bloed te zijn,

terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en

sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven

nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op

of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

a).

hij op of omstreeks 18 augustus 2012, in de gemeente Heerlen,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) voor het besturen waarvan

een rijbewijs was vereist, terwijl sedert de datum waarop aan hem voor de

eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en

de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft

plaatsgevonden, dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek

0,85 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, per milliliter bloed

bleek te zijn;

b).

hij op of omstreeks 18 augustus 2012 in de gemeente Heerlen,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),

daarmee rijdende op de weg, de rechterrijbaan van de Spoorsingel, komend

uit de richting Schandelerboord en rijdend in de richting van de Kloosterweg,

- als beginnend bestuurder, onder invloed van alcohol en/of terwijl het zicht

voor hem, verdachte, door de positie/stand van zijn rugleuning, mogelijk

ernstig werd beperkt - een middels kanalisatiestrepen aangegeven

oversteekplaats, bestemd voor het (fiets)verkeer rijdende over de

Willemstraat, komende uit de richting Stationsstraat en gaande in de richting

van de Gringelstraat, is genaderd met veel hogere snelheid dan de aldaar

toegestane maximumsnelheid van 50 km/u en/of de snelheid van het door hem,

verdachte, bestuurde voertuig onvoldoende heeft verminderen en/of met het door

hem, verdachte, bestuurde voertuig niet behoorlijk is uitgeweken, op het

moment dat een zich op die oversteekplaats bevindende snorfietser doende was,

via de aldaar gelegen verhoogde middengeleider, de rechterrijbaan van de

Spoorsingel over te steken, waardoor hij, verdachte, in botsing of aanrijding

is gekomen met (de bestuurder van) die snorfiets,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding geldig is en dat het verweer van de raadsvrouw, strekkende tot partiële nietigheid van de dagvaarding, is verworpen;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat verdachte zich zeer onoplettend en onvoorzichtig heeft gedragen in het verkeer. De officier van justitie wijst in dit verband op het feit dat uit onderzoek volgt dat verdachte 72,8 kilometer per uur heeft gereden op een weg waar de maximumsnelheid 50 kilometer per uur bedroeg en dat verdachte - bij ‘meting’ tweeënhalf uur na het ongeval - nog een alcoholgehalte van 0,85 milligram in zijn bloed had, terwijl hij beginnend bestuurder was. Bovendien kan, gelet op de bevindingen uit de Verkeersongevalsanalyse en de foto’s in het dossier, wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat het zicht van verdachte werd beperkt door de positie en de stand van de rugleuning van zijn stoel. Volgens de officier van justitie kunnen de woorden ‘mogelijk ernstig’ uit de tenlastelegging worden gestreept. De officier van justitie wijst erop dat verdachte de oversteekplaats heeft genaderd zonder zijn snelheid te matigen. Volgens de officier van justitie had verdachte de snorfiets kunnen zien, indien hij 50 kilometer per uur had gereden en zijn stoel rechtop had gestaan.

De officier van justitie wijst ten slotte op de geringe medeschuld van het slachtoffer aan het ongeval, nu deze geen voorrang aan verdachte heeft verleend. Dit legt evenwel niet dermate gewicht in de schaal dat daarmee de schuld van verdachte aan het primair ten laste gelegde feit minder groot is.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting de vrijspraak van verdachte van het primaire feit bepleit. Het slachtoffer heeft geen voorrang verleend aan verdachte. Volgens de raadsvrouw had verdachte het ongeval misschien, als hij zich aan de maximumsnelheid had gehouden, kunnen voorkomen. In een dergelijk marginaal geval kan geen sprake zijn van grove schuld zijdens verdachte. De raadsvrouw is van mening dat het subsidiaire feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 18 augustus 2012 omstreeks 17:47 uur reed verdachte als bestuurder van een personenauto (Opel Astra) over de Spoorsingel te Heerlen, in de richting van de kruising van deze weg met de Willemstraat en de Gringelstraat, komende uit de richting van de Schandelerboord en rijdende in de richting van de Kloosterweg. Op de Spoorsingel geldt een maximum snelheid van 50 kilometer per uur.2 De rijbaan van de Spoorsingel is door een verhoogde middengeleiding verdeeld in twee rijstroken, bestemd voor het verkeer komende uit beide richtingen. Voetgangers, bestuurders van fietsen en bestuurders van snor(brom)fietsen kunnen door oversteekvoorzieningen in de verhoogde middengeleiding het kruisingsvlak rechtdoor oversteken. Ter hoogte van deze oversteekvoorzieningen zijn op het wegdek van de Spoorsingel kanalisatiestrepen aangebracht. Naast de geplaatste borden overeenkomstig model B6 (verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg) van de Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV) zijn bij de oversteekplaatsen van de fietspaden voor het kruisingsvlak op de rijbaan van deze fietspaden haaientanden aangebracht, als bedoeld in artikel 80 RVV.3

Op de Spoorsingel stak het slachtoffer [slachtoffer] als de bestuurder van een snorfiets bij een oversteekplaats voor fietsers de rijbaan van de Spoorsingel over.4 Deze oversteekplaats was bestemd voor het fietsverkeer rijdende over de Willemstraat, komende uit de richting van de Stationstraat en rijdende in de richting van de Gringelstraat.5 Vervolgens kwam het slachtoffer in botsing met de personenauto van verdachte. Kort na het ongeval is het slachtoffer overleden.6 Tijdens de lijkschouw bleek dat het slachtoffer multiple huidletsels aan het hoofd, de romp en de extremiteiten had, alsook een open fractuur van het kuit- en scheenbeen rechts en van het sleutelbeen rechts. Naar aanleiding van de lijkschouw heeft de forensisch geneeskundige geconcludeerd dat alle geconstateerde letsels zijn veroorzaakt door uitwendig inwerkend stomp en schurend mechanisch geweld en verklaard kunnen worden in het scenario dat het slachtoffer, rijdend op een scooter werd aangereden, waarbij geweld onder andere op het hoofd werd uitgeoefend. Volgens de forensisch deskundige is inwendig dan wel neurologisch letsel aan het hoofd de meest waarschijnlijke doodsoorzaak.7

Verdachte was ten tijde van het ongeval een beginnend bestuurder.8

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of dit verkeersongeval te wijten is aan de gedragingen van verdachte en zo ja, hoe deze gedragingen dan gekwalificeerd dienen te worden.

Verdachte heeft zowel ter terechtzitting als bij de politie verklaard dat hij vanaf de Schandelerboord de Spoorsingel opreed. Volgens verdachte reed hij op dat moment tussen de 60 en 65 kilometer per uur. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat er ter plaatse oversteekplekken zijn, om welke reden hij naar rechts keek en het gas los liet. Toen verdachte weer vooruit keek, zag hij plotseling iemand voor de auto rijden. Deze persoon raakte zijn auto.9 Verdachte heeft verklaard dat zijn rugleuning naar achter stond ingesteld in verband met rugklachten, maar dat hij soms rechtop gaat zitten. Hij kan zich niet herinneren of hij rechtop of achteroverleunend op de bestuurdersstoel zat tijdens het ongeval.

Tijdens het onderzoek op de plaats van het ongeval hebben verbalisanten waargenomen dat de rugleuning van de bestuurderszitplaats van de betrokken Opel in een dusdanige stand was afgesteld dat er geen sprake was van een normale zitpositie. Gemeten ten opzichte van het zitgedeelte bevond de rugleuning zich onder een hoek van ongeveer 45º. Gezien de lichaamslengte van de bestuurder in combinatie met de aangetroffen stand van de rugleuning van de bestuurderszitplaats van de betrokken Opel werd het zicht voor de bestuurder naar voor en naar links, naar het oordeel van de verbalisanten, mogelijk ernstig beperkt door respectievelijk het dashboard, het stuur en de linker B-stijl, indien de bestuurder met zijn rug contact maakte met de rugleuning.10

Voorts is in de verkeersongevalsanalyse vermeld dat de Spoorsingel een stijgend en nagenoeg recht verloop heeft. Het zicht van verdachte op de aanwezigheid van weggebruikers, stilstaande of rijdende over de oversteekplaats op de middengeleider, werd in geringe mate beperkt door dit stijgend verloop van de Spoorwegsingel. Bovendien werd het zicht van verdachte op de nadering en de aanwezigheid van weggebruikers op de oversteekplaats, aangebracht op linker rijstrook van de Spoorsingel, volledig afgedekt door de taxusstruiken in de verhoogde middengeleider van de Spoorsingel in combinatie met het stijgend wegverloop van de Spoorsingel. In dit verband is tevens relevant dat op beelden van het camerabewakingssysteem van stadstoezicht van de gemeente Heerlen is te zien dat het slachtoffer de snelheid van zijn snorfiets weliswaar minderde kort voordat hij via de oversteekplaats de linkerrijstrook van de Spoorsingel overstak naar de middengeleider van de Spoorsingel, maar dat het slachtoffer zijn snorfiets niet vóór hij overstak tot stilstand heeft gebracht. Ook bracht het slachtoffer zijn snorfiets niet tot stilstand ter hoogte van de middengeleider, toen hij de rechterrijstrook van de Spoorsingel via de oversteekplaats opreed om deze over te steken, terwijl het zicht voor hem op de nadering en aanwezigheid van weggebruikers, rijdende over de rechter rijstrook van de Spoorsingel, komende uit de richting van Schandelerboord en gaande in de richting van de Kloosterweg, geheel beperkt werd door de taxusstruiken in de verhoogde middengeleider van de Spoorsingel.11

In de verkeersongevallenanalyse wordt vermeld dat de snelheid van verdachte ten tijde van het ongeval door het NFI wordt geschat op 72,8 kilometer per uur.12

In de verkeersongevalsanalyse is voorts geconcludeerd dat het ongeval is ontstaan doordat het slachtoffer vanaf de middengeleider van de Spoorsingel de rechterrijstrook van de Spoorsingel opreed en daarbij de van rechts naderende en rechtdoor gaande Opel van verdachte geen voorrang verleende. Berekend is dat, indien verdachte zou hebben gereden met een snelheid van 50 kilometer per uur, zijnde de ter plaatse geldende maximumsnelheid, het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Onder die omstandigheden zou het slachtoffer de oversteek van de rijbaan van de Spoorsingel nagenoeg dan wel volledig kunnen hebben voltooien, voordat verdachte de plaats van het ongeval zou hebben bereikt.13

Bij de politie heeft verdachte nog verklaard dat hij op de avond van 17 augustus 2012 tot middernacht behoorlijk had gedronken. Op 18 augustus 2012 heeft verdachte vervolgens twee halve liters bier gedronken en twee kleine flesjes bier.14

Na het ongeval – om 20.25 uur – is bloed van verdachte afgenomen ten behoeve van bloedonderzoek.15 Het NFI heeft gerapporteerd dat het resultaat van de analyse, na aftrek van de wettelijk voorgeschreven correctie, 0,85 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg.16

Voornoemde feiten en omstandigheden leiden tot navolgend oordeel van de rechtbank.

Op grond van de verkeersongevalsanalyse en de verklaring van verdachte beschouwt de rechtbank als vaststaand dat verdachte niet alleen de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur ruimschoots heeft overschreden en zijn snelheid niet voldoende heeft gematigd, maar ook dat verdachte – als beginnend bestuurder – zijn voertuig heeft bestuurd na het nuttigen van meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol. Wat de precieze snelheid van verdachte op het moment van de aanrijding is geweest, kan in het midden blijven, nu de rechtbank op grond van verdachtes eigen verklaring aanneemt dat hij tenminste tussen 60 en 65 kilometer per uur heeft gereden waar 50 kilometer per uur was toegestaan.

Vaststaat tevens dat de rugleuning van de bestuurdersstoel van verdachtes auto in een zeer lage stand was gesteld. Of verdachtes zicht daardoor werd beperkt, wordt door de verbalisanten als een mogelijkheid beschreven, maar kan niet worden vastgesteld nu niet kan worden vastgesteld hoe verdachte op het moment van de aanrijding in zijn stoel heeft gezeten. Hoewel dit mogelijk beperkte zicht als onderdeel van de tenlastelegging in beginsel dus wel kan worden bewezen, kan het niet bijdragen tot het oordeel over de mate van schuld die verdachte aan het ongeval heeft of aan de strafwaardigheid van zijn handelen.

De rechtbank concludeert uit de verkeersongevalsanalyse dat het ongeval mede is ontstaan ten gevolge van het feit dat het slachtoffer geen voorrang verleende aan verdachte. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze medeschuld van het slachtoffer niet dermate van invloed is dat daarmee de schuld van verdachte aan het ontstaan van het ongeval wordt opgeheven. De rechtbank acht dan ook de gedragingen van verdachte zodanig verwijtbaar dat aan de mate van schuld die nodig is voor een bewezenverklaring van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 is voldaan.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich onoplettend heeft gedragen, nu uit de verkeersongevalsanalyse volgt dat het voor verdachte niet mogelijk was om het slachtoffer vanaf de oversteekplaats aan de linkerzijde van de linkerrijstrook van de Spoorsingel te zien naderen vanwege het stijgend wegverloop en de taxusstruiken in de middengeleider. Verdachte had het slachtoffer op de oversteekplaats op de middengeleider kunnen zien als deze was gestopt om voorrang te verlenen, maar het slachtoffer is daar met zijn snorfiets niet tot stilstand gekomen. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich onoplettend heeft gedragen en zal zij verdachte van dit onderdeel vrijspreken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 18 augustus 2012 in de gemeente Heerlen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de rechterrijbaan van de Spoorsingel, komend uit de richting Schandelerboord en rijdend in de richting van de Kloosterweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig

als beginnend bestuurder, onder invloed van alcohol en terwijl het zicht voor hem, verdachte, door de positie/stand van zijn rugleuning, mogelijk ernstig werd beperkt - een middels kanalisatiestrepen aangegeven oversteekplaats, bestemd voor het fietsverkeer rijdende over de Willemstraat, komende uit de richting Stationsstraat en gaande in de richting van de Gringelstraat, te naderen met veel hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximumsnelheid van 50 km/u en zonder de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde voertuig voldoende te verminderen en, op het moment dat een zich op die oversteekplaats bevindende snorfietser doende was, via de aldaar gelegen verhoogde middengeleider, de rechterrijbaan van de Spoorsingel over te steken, waardoor hij, verdachte, in botsing of aanrijding is gekomen met de bestuurder van die snorfiets,

waardoor [slachtoffer] werd gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994: bij onderzoek bleek het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed 0,85 milligram alcohol per millimeter bloed te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 derde lid

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straffen

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren waarvan 2 jaren voorwaardelijk, met oplegging van een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingehouden en ingevorderd is geweest. De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar strafeis rekening gehouden met de berouwvolle houding die verdachte ter terechtzitting heeft getoond, alsook met het tijdverloop in onderhavige zaak.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening dient te worden gehouden met het feit dat het rijbewijs van verdachte reeds 6 maanden ingevorderd is geweest. Verdachte heeft zijn rijbewijs nodig om zijn stage uit te kunnen voeren.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Door zich aanmerkelijk onvoorzichtig te gedragen, heeft verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt waardoor [slachtoffer] is komen te overlijden. Het aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag bestond daarin dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan terwijl hij reed met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan én terwijl hij, als beginnend bestuurder, teveel gedronken had. Dat is een zeer ernstig strafbaar feit, waarvan de ernst ook tot uitdrukking komt in de straffen die daarop zijn gesteld in de Wegenverkeerswet 1994. Daarbij komt dat verdachte reeds eenmaal een strafbeschikking had ontvangen ter zake van rijden onder invloed. Verdachte was een gewaarschuwd mens. De rechtbank rekent de verdachte dit feit zwaar aan.

De rechtbank heeft voor de straftoemeting aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De categorie die de rechtbank in het onderhavige geval het meest vindt passen, is de categorie ‘aanmerkelijke verkeersfout’. Die oriëntatiepunten nemen in het geval van een aanmerkelijke verkeersfout, bij een alcoholgehalte lager dan 570 µg/l, als uitgangspunt de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van voor de duur van 2 jaren.

De rechtbank ziet aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Weliswaar heeft verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen, maar de rechtbank betrekt in haar oordeel ook dat de dood van het slachtoffer [slachtoffer] mede het gevolg is geweest van de medeschuld van het slachtoffer aan het ongeval. Bovendien is sprake van overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Niet alleen verdachte, maar ook de nabestaanden van het slachtoffer hebben vanaf augustus 2012 op de berechting van verdachte moeten wachten. Ten slotte heeft verdachte ter zitting er door zijn houding blijk van gegeven en ook met zoveel woorden gezegd veel spijt te hebben van hetgeen is gebeurd, welke spijtbetuiging oprecht leek te zijn.

In de hiervoor genoemde omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen, maar een onvoorwaardelijke taakstraf ter hoogte van het strafmaximum van 240 uren. De rechtbank wil verdachte hiermee ook de gelegenheid geven om zijn opleiding af te ronden.

Gelet op de ernst van het feit en mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal de rechtbank aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de duur van de periode waarin het rijbewijs van verdachte reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

8 Het beslag

De rechtbank gelast voorts de teruggave van de inbeslaggenomen snorfiets aan de eigenaar [naam 1].

De rechtbank gelast de teruggave van de inbeslaggenomen personenauto aan de eigenaar [naam 2].

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden;

  • -

    bepaalt dat van deze rijontzegging een deel, groot 18 maanden, niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.

  • -

    bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs ingevolge artikel 179 lid 6 van de Wegenverkeerswet voor het tenuitvoerlegging vatbaar worden van deze uitspraak ingevorderd en ingehouden is geweest, geheel in mindering zal worden gebracht op de duur van voormelde ontzegging van de rijbevoegdheid.

Beslag

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

1.00

STK Bromfiets,

SYM HU05W 2008 FX239T,

2110433,

aan [naam 1], wonende te [woonplaats 2], [adres 2];

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

1.00

STK Personenauto [XX-XX-XX],

OPEL ASTRA 2000 Kl:grijs,

2061108,

aan [naam 2], wonende te [woonplaats 3], [adres 3].

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Coenegracht-Bakker, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 augustus 2014.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2431 2012095299 d.d. 13 juni 2013 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 13 juni 2013, p. 2 en 3.

3 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 26 mei 2013, p. 56 en 57.

4 Proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 13 juni 2013, p. 3.

5 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 26 mei 2013, p. 56.

6 Proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 13 juni 2013, p. 3 en 7.

7 Rapportage lijkschouw d.d. 12 augustus 2014, zonder doornummering.

8 Proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 13 juni 2013, p. 5.

9 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 19 augustus 2012, p. 18; Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 augustus 2014.

10 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 26 mei 2013, p. 23.

11 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 26 mei 2013, p. 57, 59 en 83.

12 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 26 mei 2013, 78.

13 Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 26 mei 2013, p. 2 en 86.

14 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 19 augustus 2012, p. 17 en 18.

15 Proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 13 juni 2013, p. 3.

16 Rapport NFI ter zake van alcohol in het verkeer d.d. 3 juli 2013, p. 41.