Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7490

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
03/866329-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht met minderjarige. Verdachte was toezichthouder op de middelbare school waar het slachtoffer schoolgaande was. De officier van justitie is niet-ontvankelijk ter zake van het ten laste gelegde feit grooming. Geen sprake van grooming als door de wetgever bedoeld. Oplegging van een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, alsook een taakstraf van 240 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/251

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/866329-13

Datum uitspraak : 27 augustus 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1],

wonende te [woonplaats 1], [adres 1].

Raadsvrouw is mr. J.J. Serrarens, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

13 augustus 2014.

De rechtbank heeft op 13 augustus 2014 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 28 juni 2013 tot en met 23 juli 2013 in de gemeente

Heerlen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, meermalen althans

eenmaal (telkens) opzettelijk met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]), die

de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,

buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die

bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen althans eenmaal

(telkens) opzettelijk een of meer van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina

van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

2.

hij in of omstreeks de periode van 28 juni 2013 tot en met 23 juli 2013 in de

gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking

van een communicatiedienst (te weten Facebook), [slachtoffer], geboren op

[geboortedatum 2], van wie hij redelijkerwijs wist of moest vermoeden dat deze de

leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt, (een) ontmoeting(en) heeft

voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen met die [slachtoffer] te

plegen, terwijl hij enige handeling heeft ondernomen gericht op het

verwezenlijken van die ontmoeting(en),

immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] concrete voorstellen gedaan

wat betreft tijd en/of plaats (een fietsenstalling van het Eykenhagen College

in Landgraaf en/of een bosperceel vlakbij het Eykenhagen College in Landgraaf)

en/of is hij, verdachte, daadwerkelijk naar voornoemde plaats(en) gegaan en/of

heeft hij (vervolgens) aldaar die [slachtoffer] ontmoet;

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. De officier van justitie wijst in dit verband op de bekennende verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting;2

- de aangifte van [slachtoffer].3

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting;4

- de aangifte van [slachtoffer];5

- de Facebook-berichten tussen verdachte en het slachtoffer.6

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 28 juni 2013 tot en met 23 juli 2013 in het arrondissement Maastricht,

telkens opzettelijk met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen telkens opzettelijk een van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

2.

in de periode van 28 juni 2013 tot en met 23 juli 2013 in Nederland, meermalen, telkens door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst (te weten Facebook), [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], van wie hij redelijkerwijs wist of moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt, ontmoetingen heeft voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen met die [slachtoffer] te plegen, terwijl hij enige handeling heeft ondernomen gericht op het

verwezenlijken van die ontmoetingen, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] concrete voorstellen gedaan wat betreft tijd en plaats (een fietsenstalling van het Eykenhagen College in Landgraaf en een bosperceel vlakbij het Eykenhagen College in Landgraaf) en is hij, verdachte, daadwerkelijk naar voornoemde plaatsen gegaan en

heeft hij aldaar die [slachtoffer] ontmoet;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

5.1.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat het bewezenverklaarde feit 2 niet kan worden gekwalificeerd als een strafbaar feit. Onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht heeft de raadsvrouw bepleit dat de wetgever bij strafbaarstelling van ‘grooming’ niet het oog heeft gehad op een situatie als de onderhavige. Zo was er geen sprake van anonimiteit tussen verdachte en het slachtoffer. Bovendien heeft verdachte Facebook niet hoeven aanwenden om het slachtoffer te verleiden, nu het slachtoffer reeds op school belangstelling voor verdachte had getoond. Het slachtoffer heeft verdachte in de zomervakantie zelf benaderd. De Facebook-berichten met seksuele lading dateren van na de eerste ontmoeting tussen verdachte en het slachtoffer. De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van feit 2.

5.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat feit 2 wel kan worden gekwalificeerd als ‘grooming’ in de zin van artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht. De gedachte van de wetgever bij strafbaarstelling van ‘grooming’ is dat er sneller en impulsiever gecommuniceerd wordt via het internet, waardoor men sneller tot intimiteit kan komen dan in het werkelijke leven. De bewezenverklaarde bestanddelen hebben tot dwingend gevolg dat er sprake is van de kwalificatie ‘grooming’.

5.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het bewezenverklaarde onder feit 1 strafbaar.

Ter zake van feit 2 overweegt de rechtbank als volgt. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008 – 2009, 31 810, nr. 3) volgt dat het bij ‘grooming’ gaat om het op internetsites, of in chatrooms, nieuwsgroepen of MSN-groepen benaderen en verleiden van een kind met als uiteindelijk doel het plegen van seksueel misbruik met dat kind. ‘Grooming’ is een veelal langerlopend proces waarbij de dader door veelvuldig chat- en e-mailcontact langzaam het vertrouwen wint van het kind, het kind verleidt tot het delen van intimiteiten en op dit wijze het kind in de digitale wereld vatbaar maakt voor seksueel misbruik in de fysieke wereld.

Hoewel feit 2 wettig en overtuigend bewezen is verklaard, is de rechtbank van oordeel dat de aard van de handelingen van verdachte dermate verwijderd zijn van de bedoeling van de wetgever bij het strafbaar stellen van ‘grooming’ dat er in onderhavige zaak geen sprake is van ‘grooming’ als door de wetgever bedoeld. Immers, verdachte en het slachtoffer kenden elkaar reeds van school en gebruikten de sociale mediawebsite Facebook enkel als middel om een afspraak tot stand te doen komen. Uit het procesdossier volgt bovendien dat de eerste afspraak tussen verdachte en het slachtoffer niet het doeleinde had om tot seksuele contacten te komen. Facebook werd door verdachte dus niet ingezet als middel, zoals de wetgever bij de strafbaarstelling van ‘grooming’ voor ogen had, om het slachtoffer eerst te verleiden en op die wijze te bewegen tot het ondergaan van seksueel misbruik.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het bewezenverklaarde onder feit 2 niet strafbaar. Zij zal verdachte ter zake van feit 2 dan ook ontslaan van alle rechtsvervolging.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde feit 1 levert op het navolgende strafbare misdrijf:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde feit 1 nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

7 De oplegging van straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de duur van het voorarrest en met oplegging van een proeftijd van 3 jaren. Aan de proeftijd dient de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt het ondergaan van een ambulante behandeling, te worden verbonden. De officier van justitie acht het opnemen van een contactverbod als bijzondere voorwaarde onwenselijk, gelet op de beperkte controleerbaarheid daarvan. Voorts heeft de officier van justitie de oplegging van een taakstraf van 240 uren gevorderd. De officier van justitie heeft bij het formuleren van de strafeis rekening gehouden met de gezagsverhouding waarin verdachte in relatie tot het slachtoffer stond, het veroorzaakte leed door de gedragingen van verdachte, maar ook met het nagenoeg blanco strafblad van verdachte. Bovendien heeft de officier van justitie medegedeeld dat de door haar gevorderde strafeis niet anders zou zijn, indien verdachte ter zake van feit 2 wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd zich te kunnen verenigen met de door de officier van justitie gevorderde strafeis. Zij heeft bepleit dat het onwenselijk is om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De raadsvouw heeft de rechtbank onder meer verzocht rekening te houden met het nagenoeg blanco strafblad van verdachte, het feit dat verdachte ten gevolge van deze zaak in een echtscheidingsprocedure verwikkeld is en het feit dat verdachte niet langer te werk zal worden gesteld op de school in kwestie.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft bij een 15-jarig meisje ontuchtige handelingen gepleegd die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Verdachte was destijds werkzaam als toezichthouder op de middelbare school alwaar het slachtoffer schoolgaande was. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen de lichamelijk integriteit van dit slachtoffer geschonden, maar ook zijn gezagsverhouding tot het slachtoffer onvoldoende in acht genomen. Naar algemene ervaringsregels kan dergelijk misbruik grote en langdurige (psychische) gevolgen veroorzaken, voor zowel slachtoffers, als ook voor hun omgeving.

De rechtbank houdt bij de straftoemeting rekening met de verstrekkende gevolgen die onderhavige strafzaak heeft gehad voor het privéleven van verdachte. Het huwelijk van verdachte is geëindigd, ten gevolge waarvan de verdachte in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld. Bovendien is verdachte niet meer welkom als werknemer op de middelbare school. Voorts houdt de rechtbank rekening met het nagenoeg blanco strafblad van verdachte.

De aard en de ernst van de feiten brengt met zich dat aan de verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd. Echter, om de hiervoor genoemde redenen acht de rechtbank het aangewezen te bepalen dat een groot deel van deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd. Om deze reden zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen met een onvoorwaardelijk deel dat gelijk is aan de duur van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden verbinden een meldplicht en dat de verdachte zich zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering, ook indien deze inhouden dat verdachte een ambulante behandeling bij de forensisch psychiatrische polikliniek 'De Horst' in Maastricht of soortgelijke ambulante forensische zorg zal ondergaan. Anders dan de reclassering heeft geadviseerd, zal de rechtbank geen contactverbod opnemen als bijzondere voorwaarde vanwege de beperkte controleerbaarheid daarvan.

De rechtbank zal ten slotte de proeftijd stellen op drie jaren. De rechtbank acht deze termijn geboden vanwege de aard van het onderhavige delict en de eventuele duur van de ambulante behandeling van de verdachte.

Voorts acht de rechtbank het geboden om, gelet op de ernst van het feit, aan de verdachte een taakstraf op te leggen voor de maximale duur.

Alles overwegende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd van 1 dag, met een proeftijd van drie jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden voornoemd, passend. De rechtbank zal tevens opleggen een taakstraf voor de duur van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis, in het geval deze taakstraf niet of niet naar behoren wordt uitgevoerd.

8 De benadeelde partij

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 11,00 ter zake van feit 1, welk bedrag volledig ziet op materiële schade.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de door de benadeelde partij gevorderde vergoeding van materiële schade moet worden toegewezen. Voorts heeft zij gevorderd dat de rechtbank verdachte, op grond van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.500,00 ter zake van immateriële schade.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de gevorderde materiële schade. Zij verzoekt de rechtbank om niet over te gaan tot veroordeling ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht van verdachte tot betaling van een bedrag ter zake van immateriële schade. Zij wijst er op dat de benadeelde partij het kennelijk niet nodig heeft geacht om over te gaan tot vordering van een dergelijke schadevergoeding. Bovendien heeft verdachte onvoldoende draagkracht om een dergelijke schadevergoeding te voldoen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer] door het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks de door haar opgevoerde materiële schade is toegebracht. De vordering van de benadeelde partij is door de verdediging niet betwist. Het gevorderde bedrag komt de rechtbank ook niet onbillijk en ongegrond voor. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een bedrag van € 11,00. De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Voorts ziet de rechtbank aanleiding om verdachte op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding ter zake van door [slachtoffer] geleden immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat uit de vordering van de benadeelde partij en de onderliggende stukken voldoende blijkt dat door het slachtoffer immateriële schade is geleden. Door de verdediging is niet betwist dat het slachtoffer onder behandeling van een psycholoog is gesteld. De rechtbank stelt deze immateriële schade ex aequo et bono vast op een bedrag van € 1.500,00. De rechtbank zal derhalve ten aanzien van een bedrag van € 1.511,00 de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Ontslag van alle rechtsvervolging

- ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake van het bewezenverklaarde feit 2, zijnde het feit niet strafbaar;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van drie jaar de algemene voorwaarden of de bijzondere voorwaarden heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt,

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte

  • -

    zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering, ook indien dit inhoudt een ambulante behandelverplichting bij de forensisch psychiatrische polikliniek 'De Horst' in Maastricht of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering,

  • -

    zich binnen twee werkdagen na de uitspraak van dit vonnis telefonisch moet melden bij het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering te Maastricht op telefoonnummer 043-3525141 en zich zo frequent en zo lang zal blijven melden als het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering dit noodzakelijk acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

  • -

    veroordeelt verdachte tot taakstraf voor de duur van 240 uren;

  • -

    beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres 2], [woonplaats 2], te betalen een bedrag van € 11,00 (elf euro);

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] een bedrag van € 1.511,00 (vijftienhonderd elf euro) te betalen, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer] vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster, voorzitter, mr. E.W.A. van den Berg en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Coenegracht-Bakker,

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2013078621 d.d. 19 augustus 2013 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 13 augustus 2014.

3 Proces-verbaal van aangifte d.d. 10 augustus 2013, p. 74 – 90.

4 De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 13 augustus 2014.

5 Proces-verbaal van aangifte d.d. 10 augustus 2013, p. 74 – 90.

6 P-v van bevindingen d.d. 23 september 213, p. 41 tot en met 47 en p-v van bevindingen d.d. 23 juli 2013, p. 49 tot en met 66.