Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7423

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-08-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
C/03/193124 / KG ZA 14-362
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding; 587 Rv; lijfsdwang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/447

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak : 22 augustus 2014

Zaaknummer : C/03/193124 / KG ZA 14-362

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1],

eiser in conventie, verweerder in reconventie, verder te noemen “de man”,

advocaat mr. R.A.H. Vullings (toevoeging aangevraagd);

tegen:



[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2],
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, verder te noemen “de vrouw”,
advocaat mr. M.Ph.M. Hogervorst (toevoeging).

1 Het verloop van de procedure

De man heeft de vrouw gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 6 augustus 2014, heeft de man gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna hij zijn vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft doen toelichten.

De vrouw heeft aan de hand van een op voorhand toegezonden conclusie van antwoord verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties, waarna zij de op voorhand overgelegde eis in reconventie heeft ingediend.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 5 februari 2007 te Oosterhout met elkaar gehuwd. Bij beschikking van

24 november 2010 (zaaknummer 148193 / S RK 10-140) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 29 maart 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Uit de relatie respectievelijk het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] (hierna: “[minderjarige 1]”);

- [minderjarige 2] op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] (hierna: “[minderjarige 2]”),

gezamenlijk ook te noemen “de kinderen”.

2.3.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

2.4.

Op enig moment heeft de vrouw geen uitvoering meer gegeven aan de bij echtscheidingsbeschikking bepaalde verblijfsregeling. De man heeft vervolgens jegens de vrouw een kort gedingprocedure geëntameerd. Ter zitting van 13 juli 2011 hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt onder meer inhoudende dat de verblijfsregeling zal worden hervat conform de eerder bepaalde verblijfsregeling, waarop de man zijn (nog resterende) vordering heeft ingetrokken.

2.5.

Bij beschikking van 10 oktober 2013 (zaaknummer C/03/183193 / FA RK 13-1736) is de bij echtscheidingsbeschikking vastgestelde contactregeling tussen de man en de kinderen gewijzigd in die zin dat de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met ingang van 12 oktober 2013 bij de man verblijven:

“ - eenmaal per veertien dagen één weekend van zaterdagochtend 9.00 uur te Maastricht tot

zondagavond 18.00 uur te Maastricht;

- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg, doch tenminste drie

aaneengesloten weken in de zomervakantie;

waarbij de vader zal zorg dragen voor het halen en brengen van de kinderen (…)”

2.6.

Op 26 februari 2014 heeft de vrouw aan de man laten weten dat zij het verblijf van de

kinderen bij de man stopzet. De aanleiding daarvoor is volgens de vrouw gelegen in de mededeling van [minderjarige 2] dat hij door de man is geschopt tegen zijn knie en de mededeling van [minderjarige 1] dat hij van de man moest stunten op de fiets, als gevolg waarvan hij is gevallen. In verband hiermee heeft de vrouw zich tot de politie en de huisarts gewend. De politie heeft naar aanleiding hiervan een zorgmelding aan Bureau Jeugdzorg (BJZ) gedaan. BJZ heeft een analyseverslag opgesteld en het dossier is inmiddels gesloten.

In verband met de hiervoor bedoelde stopzetting van de verblijfsregeling door de vrouw, heeft de man jegens de vrouw een kort gedingprocedure geëntameerd tot naleving van de verblijfsregeling.

Bij kort gedingvonnis van 23 april 2014 (zaaknummer C/03/188557 / KG ZA 14-90) heeft de voorzieningenrechter, voor zover van belang, overwogen:

“(…) De vrouw heeft naar voren gebracht dat de kinderen verhalen vertellen over verbaal en fysiek geweld bij de man. De man zou de kinderen slaan en/of schoppen en, net als zijn vriendin, de kinderen uitschelden. Ondanks training en begeleiding heeft de man zijn agressie en middelengebruik naar zeggen van de vrouw niet onder controle, waartoe zij verwijst naar de overgelegde Facebook-berichten.

De man heeft dit alles gemotiveerd betwist, waarbij hij heeft aangegeven dat de relatie met zijn vriendin inmiddels is beëindigd.

4.4.

De beschikking waarvan thans door de vrouw nakoming wordt gevorderd, is van recente datum. Dat er thans zwaarwegende redenen zijn om die beschikking terzijde te schuiven, heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt. Uit hetgeen hiervoor bij 4.3 is weergegeven volgt dat de standpunten van partijen lijnrecht tegenover elkaar staan. De vrouw heeft haar aantijgingen aan het adres van de man niet voldoende onderbouwd. Zij heeft wel enkele stukken ter onderbouwing overgelegd, maar in de kern genomen betreffen deze weinig meer dan een weergave van de visie van de vrouw en betreft het voor een groot deel oude stukken; meer concreet zij verwezen naar hetgeen hierna wordt overwogen.

4.4.1.

Uit de overgelegde zorgmelding van de politie d.d. 16 februari 2014 volgt dat de verbalisanten bij [minderjarige 1] een klein plekje boven zijn rechter wenkbrauw en een lichte beschadiging aan de linkerheup hebben geconstateerd. Bij [minderjarige 2] is een lichte beschadiging aan de linkerknie geconstateerd. De verbalisanten hebben met de kinderen gesproken; volgens [minderjarige 1] heeft hij moeten stunten op een fiets, waardoor hij is gevallen en [minderjarige 2] zou met een schoen door de man zijn getrapt.

In de door de vrouw overgelegde brief van de huisarts d.d. 19 februari 2014 is, voor zover van belang, vermeld “[minderjarige 2] geeft aan dat hij door papa is geschopt tegen zijn rechter knie. Heeft gehuild. Broer geeft aan dat hij [minderjarige 2] heeft geschopt. Dit is afgelopen weekend gebeurd. (…) rechter knie: oppervlakkige schaafwond (…)” Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onduidelijk op wie het woord “hij” terugslaat. Volgens de vrouw ziet dit op de man, maar met de man is de voorzieningenrechter van oordeel dat zeker niet valt uit te sluiten dat dit ziet op [minderjarige 1].

In een tweede door de vrouw overgelegde brief van de huisarts van eveneens 19 februari 2014, is, voor zover van belang, vermeld: “(…) Is van het weekend bij vader geweest en deze heeft aangeven dat hij moets stunten met de fiets en toen gevallen en een een blauwe plek op de linker flank en een oppervlakkige schaawond rechter wenkbrauw. (…) Heeft ex hier zondag mee geconfronteerd echter hij gaf aan dat [minderjarige 1] dit zelf wilde hoewel [minderjarige 1] zegt dat hij gedwongen is door vader. (…) linker flank: geelachtige hematoom, rechter wenkbrauw: een oppevlakige schaafwond. (…)”

Onduidelijk blijft of [minderjarige 2] door de man tegen zijn knie is geschopt. De man heeft dit betwist. Onduidelijk blijft ook of [minderjarige 1] heeft moeten stunten van de man, of dat hij dat zelf wilde. Het door beide kinderen opgelopen letsel kan in ieder geval als licht worden gekwalificeerd.

Overigens heeft de vrouw in haar pleitnota aangegeven dat het [minderjarige 2] was die heeft moeten stunten op de fiets, waarbij zij heeft verwezen naar de stukken. Uit de stukken volgt echter juist dat het [minderjarige 1] betreft.

4.4.2.

In de overgelegde e-mail d.d. 19 maart 2014 van mevrouw [naam] (juffrouw basisschool) valt, voor zover van belang, te lezen dat de kinderen aan de juffrouw hebben aangegeven dat hun vader en zijn vriendin ruzie hebben gehad, waarbij de vriendin de kinderen heeft uitgescholden. Ook is in de e-mail vermeld dat [minderjarige 2] heeft aangegeven dat de man hem heeft geschopt. De man heeft dit alles betwist.

4.4.3.

De door de vrouw overgelegde Facebookberichten zien niet op het contact tussen de man en de kinderen. Voor wat betreft het door de vrouw gestelde middelengebruik door de man, heeft de man ter zitting desgevraagd aangeven dat hij hooguit 1 keer per twee weken een joint rookt buiten aanwezigheid van de kinderen.

4.4.4.

Verder heeft de vrouw nog een handgeschreven briefje van de kinderen overgelegd waarin onder meer is vermeld “mama is lief heel erg lief (…) papa is zo niet lief”. Naast het feit dat de man heeft betwist dat dit briefje van de kinderen afkomstig is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de relevantie ervan marginaal is te noemen.

4.4.5.

Het overgelegde eindverslag van Xonar dateert van juli 2013 en derhalve van ruim vóór de beschikking van 13 oktober 2013.

4.4.6.

Alle overige stukken die de vrouw nog heeft overgelegd dateren van 2009 of januari 2010 en derhalve van ruim drie jaren vóór de beschikking van 13 oktober 2013.

Gelet op het voorgaande en gelet op het feit dat de man de stellingen van de vrouw gemotiveerd heeft betwist, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw haar betoog dat de verblijfsregeling moet worden stopgezet onvoldoende handen en voeten heeft gegeven. Als [minderjarige 2] met zijn fiets heeft moeten “stunten”, dan is dit op zichzelf geen reden de verblijfsregeling te beëindigen, maar juist iets waarover partijen op een constructieve wijze het gesprek met elkaar zouden moeten aangaan. Partijen zullen zich moeten inzetten voor verbetering van hun onderlinge communicatie en het herwinnen van onderling vertrouwen. (…)”

Vervolgens heeft de voorzieningenrechter, voor zover van belang, beslist:

“veroordeelt de vrouw om binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan de bij beschikking van 13 oktober 2013 bepaalde verblijfsregeling, op verbeurte van een dwangsom van € 50,- per keer dat de vrouw deze veroordeling niet naleeft, met een maximum van

€ 3.000,-;”

2.7.

Op 7 mei 2014 is het vonnis van 23 april 2014 aan de vrouw betekend. In het dictum van dit vonnis staat een kennelijke fout: “13 oktober 2013” had “10 oktober 2013” moeten zijn. Bij herstelvonnis van 23 juli 2014 is deze fout hersteld.

2.8.

De vrouw volhardt in haar weigering de verblijfsregeling na te leven. Vanaf

26 februari 2014 zijn de kinderen niet meer bij de man verbleven.

2.9.

Op 23 mei 2014, 26 juni 2014 en 26 juli 2014 heeft de vrouw steeds een bedrag van

€ 100,- betaald aan het advocatenkantoor van de man als zijnde een betaling voor tot dan toe verbeurde dwangsommen.

2.10.

Op of omstreeks 1 augustus 2014 heeft de vrouw bij deze rechtbank een bodemprocedure geëntameerd tot:

1) beëindiging dan wel opschorting van de verblijfsregeling voor bepaalde tijd;

2) het gelasten van een onderzoek door de raad;

3) vastlegging van een begeleide omgangsregeling, uitgevoerd door Humanitas te Maastricht.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

Op de in de dagvaarding vermelde gronden heeft de man gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

primair:

het vonnis van de rechtbank Limburg te Maastricht van 23 april 2014 uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaart, aldus dat de man gemachtigd wordt bij iedere overtreding van de vrouw van de zorg- en contactregeling de vrouw in gijzeling te doen stellen telkens voor de duur van twee dagen;

subsidiair:

bepaalt dat partijen deel zullen nemen aan het project BOR bij Humanitas.

3.2.

De vordering wordt door de vrouw weersproken, waartoe onder meer wordt verwezen naar de conclusie van antwoord. Op haar verweer wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

In reconventie

3.3.

De vrouw heeft in reconventie gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de beschikking van 10 oktober 2013, in welke beschikking de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zijn vastgelegd, voorlopig opschort;

  2. vaststelling van een begeleide omgangsregeling (de voorzieningenrechter begrijpt “verblijfsregeling”) in afwachting van het raadsonderzoek en de beschikking van de rechtbank in de bodemprocedure middels inschakeling van Humanitas te Maastricht,

met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in conventie en reconventie.

3.4.

De reconventionele vordering wordt door de man weersproken. Op zijn verweer wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

In reconventie

4.1.

De vrouw heeft bepleit dat de bestaande verblijfsregeling moet worden opgeschort en een begeleide verblijfsregeling dient te worden vastgesteld, dit laatste in afwachting van een raadsonderzoek en een beschikking van de rechtbank in de door de vrouw geëntameerde bodemprocedure. De vrouw zou graag zien dat de raad onderzoek doet en dat er hulpverlening komt.

De reconventionele vorderingen van de vrouw – nog daargelaten de vraag of een deel van die vorderingen wel kan worden toegewezen in het kader van een procedure als de onderhavige - zijn gebaseerd op haar (herhaalde) standpunt dat het verblijf van de kinderen bij de man niet in het belang is van de kinderen, hetgeen de man andermaal heeft betwist. Ter onderbouwing van bedoeld standpunt heeft de vrouw geen nieuwe feiten aangevoerd, met uitzondering van hetgeen in de volgende twee alinea’s is vermeld. Het betoog van de vrouw blijft voornamelijk steken in ruime kwalificaties, zoals haar stelling dat “de kinderen zorgsignalen afgeven die de veiligheid en geborgenheid van de kinderen raken” en haar stelling dat er sprake is van miscommunicatie en een totaal gemis aan vertrouwen tussen partijen. De door de vrouw aangevoerde concrete argumenten zijn reeds gewogen in het vonnis van 23 april 2014; de voorzieningenrechter heeft geen grond gezien voor het niet nakomen van de verblijfsregeling door de vrouw. Dat er zich sindsdien nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, is niet gebleken.

De vrouw heeft gesteld dat de man in mei en juni 2014 bij de politie doodsbedreigingen jegens de vrouw heeft geuit. Nu de vrouw deze stelling niet heeft onderbouwd en de man die stelling heeft betwist, heeft de vrouw haar stelling niet aannemelijk gemaakt.

Desgevraagd heeft de advocate van de vrouw naar voren gebracht dat nieuw is dat BJZ naar aanleiding van de door de politie gedane melding heeft geconcludeerd dat verblijf van de kinderen bij de man niet onbelast kan plaatsvinden, waartoe zij heeft verwezen naar het in het geding gebrachte analyseverslag van BJZ. In dit verslag is echter voornamelijk de visie van partijen weergegeven. BJZ heeft -voor zover thans van belang- melding gemaakt van het gebrek aan communicatie tussen partijen en het gegeven dat de kinderen in een zodanige mate last hebben van de situatie tussen partijen dat hulpverlening voor de kinderen gewenst is. Ten aanzien van de verblijfsregeling heeft BJZ aangegeven dat dit juridisch verder dient te worden opgepakt. BJZ heeft het dossier gesloten. Inmiddels hebben beide partijen toestemming verleend voor hulp aan de kinderen via Prima psychologen.

4.2.

Uit het voorgaande volgt dat de vrouw andermaal niet aannemelijk heeft gemaakt dat het verblijf van de kinderen bij de man (voorlopig) dient te worden gestaakt. Dit maakt dat de reconventionele vorderingen van de vrouw dienen te worden afgewezen en de verblijfsregeling door de vrouw dient te worden nageleefd.

In conventie

4.3.

Dat de man, zoals de vrouw concludeert, in zijn vorderingen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard om redenen als in punt 17 van de conclusie van antwoord genoemd, vermag de voorzieningenrechter niet in te zien. De door de vrouw genoemde redenen kunnen die conclusie niet dragen.

4.4.

Nu vast staat dat de vrouw ook na het kort gedingvonnis van 23 april 2014, waarbij dwangsommen zijn opgelegd, blijft weigeren haar medewerking te verlenen aan de bij beschikking van 10 oktober 2013 vastgestelde verblijfsregeling, is het spoedeisend belang bij de vordering in conventie gegeven.

4.5.

Ingevolge artikel 587 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verklaart de rechter een vonnis als bedoeld in artikel 585 Rv slechts uitvoerbaar bij lijfsdwang, indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de man toepassing daarvan rechtvaardigt. Gezien het ingrijpend karakter van dit dwangmiddel dient, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, het recht van de vrouw op haar persoonlijke vrijheid te worden afgewogen tegen de bij de gevorderde lijfsdwang betrokken belangen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze belangenafweging in het nadeel van de vrouw behoort uit te vallen.

Vast staat dat de vrouw de vigerende verblijfsregeling sedert 26 februari 2014 niet meer heeft nageleefd. Vast staat voorts dat de opgelegde dwangsommen haar niet tot nakoming hebben bewogen. De vrouw heeft onder meer ten verwere aangevoerd dat de man nog niet alle dwangmiddelen heeft benut. Dit kan de vrouw niet baten, vanwege het volgende. Ter zitting is zijdens de vrouw aangegeven dat zij dacht dat zij de keuze had tussen nakomen of het betalen van de dwangsom. De voorzieningenrechter heeft aangegeven dat de dwangsom als prikkel tot nakoming heeft te gelden en de nakomingsverplichting dus onverminderd overeind blijft. Op de vraag van de voorzieningenrechter of de vrouw nu wel de verblijfsregeling zal naleven, heeft de vrouw ontkennend geantwoord. Desgevraagd heeft de vrouw aangegeven dat ook een verhoging van dwangsommen haar niet tot nakoming zal bewegen. Op de vraag van de voorzieningenrechter of lijfsdwang de vrouw tot nakoming zou bewegen heeft de vrouw - kort gezegd - geantwoord dat zij hulp wil en een begeleide verblijfsregeling nodig acht om het vertrouwen tussen partijen te herstellen; ook zou aan de partij-communicatie gewerkt moeten worden.

De onwil van de vrouw tot naleving van de verblijfsregeling staat met het voorgaande vast. De vrouw wil louter begeleide contacten toestaan. Zowel de rechtbank als de voorzieningenrechter hebben daartoe eerder evenwel geen aanleiding gezien. Ook in het bestek van de onderhavige procedure heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van feiten of omstandigheden die maken dat begeleid contact geïndiceerd is. Overigens heeft ook de man aangegeven dat hij bereid is te werken aan communicatie en vertrouwen, maar niet met als voorwaarde dat de verblijfsregeling wordt opgeschort en er nog louter begeleide contacten plaatsvinden. De man vindt dat beide trajecten naast elkaar dienen te lopen, waarbij hij heeft aangegeven graag de kinderen weer te zien. De subsidiaire vordering tot een begeleide verblijfsregeling heeft de man, ondanks verzet daartegen tijdens de zitting, uiteindelijk gehandhaafd als zijnde een uiterste mogelijkheid om contact te krijgen met de kinderen indien de primaire vordering tot lijfsdwang niet slaagt.

De vrouw heeft nog ten verwere aangevoerd dat lijfsdwang niet in het belang van de kinderen is en dat, zo de vrouw zou worden gegijzeld, de kinderen niet worden opgevangen.

Daarop is zijdens de man verklaard dat hij bereid is de kinderen alsdan op te vangen. De voorzieningenrechter begrijpt dat de kinderen een en ander zullen meekrijgen van een toegepaste lijfsdwang. Maar de vrouw kan bepalen of zij het zover laat komen. Bovendien hebben de kinderen belang bij regelmatig verblijf bij de man.

De voorzieningenrechter ziet in de - tot nu toe gebleken en door de vrouw ter zitting ook voor de toekomst aangekondigde - weigering van de vrouw haar medewerking te verlenen aan het verblijf van de kinderen bij de man aanleiding om aan het door de vrouw niet naleven van de verblijfsregeling lijfsdwang te verbinden. De voorzieningenrechter acht de toepassing van dat uiterste dwangmiddel in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd en is van oordeel dat in het onderhavige geval het belang van contact tussen de man en de kinderen zwaarder behoort te wegen dan de belangen die worden gediend bij het niet toepassen van lijfsdwang.

De primaire vordering in conventie zal derhalve worden toegewezen, zij het op de wijze zoals hierna in het dictum is bepaald, waarbij de voorzieningenrechter overweegt dat dit minder is dan de gevorderde twee dagen per overtreding.

In conventie en reconventie

4.6.

Gelet op het feit dat partijen ex-echtelieden zijn zullen de proceskosten worden gecompenseerd zoals hierna in het dictum is bepaald.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie

verklaart het vonnis van 23 april 2014 met zaaknummer C/03/188557 / KG ZA 14-90 uitvoerbaar bij lijfsdwang aldus dat:

- per keer dat de vrouw in gebreke blijft te voldoen aan de weekendregeling waartoe zij bij voormeld vonnis, onder verwijzing naar de beschikking van 10 oktober 2013, is veroordeeld, de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang wordt toegestaan tijdens de uren waarin de weekendregeling behoort plaats te vinden;

- per keer dat de vrouw in gebreke blijft te voldoen aan de verblijfsregeling voor wat betreft de vakanties en feestdagen waartoe zij bij voormeld vonnis, onder verwijzing naar de beschikking van 10 oktober 2013, is veroordeeld, de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang wordt toegestaan voor twee dagen;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

wijst het gevorderde af;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.I.A. Bregonje, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

F.B.