Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7380

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-08-2014
Datum publicatie
16-09-2014
Zaaknummer
3292580 CV EXPL 14-8496
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Werknemer ontslagen op staande voet wegens vermeende werkweigering. Werknemer is betrokken geraakt bij een aanrijding op 3 maart 2014. Werknemer stelt zich ziek te hebben gemeld. Werkgever stelt dat zowel op 3 als op 4 maart 2014 hij weliswaar telefonisch contact heeft gehad met werknemer, doch van hem geen ziekmelding heeft ontvangen. Partijen geven echter een dusdanig verschillende versie van de betreffende gesprekken dat de vraag of het ontslag op staande voet naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet zonder meer bevestigend kan worden beantwoord. Loonvordering c.a. afgewezen.

Vordering onterechte inhoudingen nav door aanrijding veroorzaakte schade toegewezen (7:661BW jo 6:170 lid 1 BW) nu werknemer slechts aansprakelijk is voor ontstane schade indien vast komt te staan dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Hiervan kan alleen worden afgeweken als voldaan is aan het bepaalde in lid 2 van artikel 7:661 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0794
AR 2014/661

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 3292580 CV EXPL 14-8496

Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 21 augustus 2014

in de zaak van:

[eiser] ,

wonend te [woonplaats 1], [adres 1],

eisende partij,

gemachtigde mr. G.J Bordes,

tegen:

[gedaagde],

h.o.d.n. RCR Logistics en RCR Tours,

wonend c.q. gevestigd en kantoorhoudend te [woonplaats 2], [adres 2],

gedaagde partij,

gemachtigde mr. M.M.M. Otermans.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- een exploot van dagvaarding met 7 producties,

- de bij brief van 6 augustus 2014 ontvangen producties 8, 9 en 10,

- conclusie van antwoord met producties,

- pleitnotities zijdens [eiser],

- een pleitnota zijdens [gedaagde],

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 14 augustus 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak op vandaag is gesteld.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, het volgende vast.

2.2.

[eiser] is op 15 november 2013 krachtens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zes maanden bij [gedaagde] in dienst getreden. [gedaagde] heeft een bedrijf dat koeriersdiensten verzorgt. Het betreft een arbeidsovereenkomst op oproepbasis voor nul uur per week in de functie van algemeen medewerker/chauffeur tegen een loon van € 9,20 bruto per uur, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. [eiser] reed vrijwel uitsluitend voor de klant van [gedaagde], genaamd Dynalogic te Nuth. In de arbeids-overeenkomst is onder artikel 14 opgenomen “14.1 Indien een chauffeur niet verhaalbare schade veroorzaakt en/of boetes ontvang (lees: ontvangt), zijn deze schade en boetes voor rekening van de werknemer. Bij onverhaalbare schades is (lees: zijn) € 300,- voor zijn rekening”.

2.3.

Op 3 maart 2014 is [eiser] betrokken geraakt bij een ongeval met een bedrijfsauto van [gedaagde]. [eiser] is op 4 maart 2014 niet op zijn werk verschenen.

2.4.

Op 4 maart 2014 heeft [gedaagde] [eiser] op staande voet ontslagen met als ontslaggrond “het niet op komen dagen of contact opnemen met de werkgever” kort gezegd “werkweigering”.

2.5.

Op 6 maart 2014 heeft [eiser] schriftelijk gereageerd op de gang van zaken en verzocht het ongegrond gegeven ontslag in te trekken. De kantonrechter vat dit op als het inroepen van de nietigheid.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten, om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen:

1. om binnen twee dagen na veroordeling daartoe aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.520,25 bruto over de periode van 15 november 2013 tot 15 mei 2014, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

2. om aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging (50%) over het niet betaalde loon als bedoeld onder 1, zijnde € 2.760,13, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

3. tot betaling van € 600,-- netto wegens ongeoorloofde inhoudingen op de loonbetalingen februari en maart 2014, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot die van algehele voldoening

4. in de kosten van deze procedure.

3.2.

Voor de grondslag van de vorderingen van [eiser] wordt kortheidshalve verwezen naar de hiervoor weergegeven feiten en hetgeen daaromtrent in het exploot van dagvaarding, de pleitnotities en anderszins ter zitting is aangevoerd.

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vorderingen van [eiser] tot betaling van het achterstallige loon (inclusief de daarmee samenhangende nevenvordering) alsook de in de ogen van [eiser] onterechte inhoudingen zijn naar haar aard spoedeisend.

4.2.

Beoordeeld moet worden of de vordering(en) in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft/hebben, dat gerechtvaardigd is daarop door het geven van een voorlopige voorziening vooruit te lopen. Daarbij moet de kantonrechter uitgaan van de voorshands vaststaande feiten met de beperkte toetsing daarvan (zonder formele bewijslevering) die in deze procedure in beginsel slechts mogelijk is. Uitgangspunt is dat voor toewijzing van de gevorderde voorziening(en), het voldoende aannemelijk moet zijn dat het ontslag op staande voet in een bodemprocedure geen stand zal houden, waarbij op [gedaagde] de last rust om aannemelijk te maken dat het ontslag op staande voet wél stand zal houden. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de gedane inhoudingen.

4.3.

Voor de beoordeling van het gevorderde dienen de vorderingen van [eiser] dan ook te worden gesplitst.

De loonvordering

4.3.1.

Alhoewel vast is komen te staan dat [eiser] op 4 maart 2014 niet op zijn werk is verschenen, is daarmee nog niet gezegd dat dan ook sprake is van werkweigering en daarmee een grond voor een ontslag op staande voet. De lezingen die partijen geven over de gang van zaken zowel op 3 als op 4 maart 2014, waaronder met name ten aanzien van de onderlinge (telefonische) contacten en het daarin besprokene, lopen dermate vèr uiteen dat de vraag of het ontslag op staande voet naar voorlopig oordeel onterecht is gegeven niet zonder meer bevestigend kan worden beantwoord. Dat, naar de stelling van [gedaagde], gedurende het dienstverband met [eiser] “meer is voorgevallen” doet in deze niet ter zake.

Deze vordering en de daarmee samenhangende vordering tot het betalen van de wettelijke verhoging, zullen dan ook worden afgewezen.

De inhoudingen

4.3.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:661 BW is de werknemer jegens de werkgever niet aansprakelijk voor bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst toegebrachte schade, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.

In lid 2 van voormeld artikel is bepaald dat de werkgever van voorgaande dwingendrechtelijke regel ten nadele van de werknemer kan afwijken bij schriftelijke overeenkomst én slechts voor zover de werknemer verzekerd is voor deze schade. Voor het geval de schade niet aan de werkgever maar aan een derde is toegebracht door een fout van de werknemer, is de werkgever jegens de derde aansprakelijk, aldus art. 6:170 lid 1 BW. Volgens het derde lid van art. 6:170 BW kan de werkgever slechts regres op de werknemer nemen ingeval laatstgenoemde opzet of bewuste roekeloosheid valt te verwijten.

4.3.3.

Voor zover [gedaagde] met verwijzing naar hetgeen in artikel 14 van de arbeidsovereenkomst is opgenomen, wil betogen dat hij op basis van dat artikel de geleden schade op [eiser] kan verhalen, heeft hij echter niet gesteld en is ook anderszins niet gebleken dat [eiser] te dier zake verzekerd is. Gezien het voorgaande is niet voldaan aan de voorwaarden die afwijking van art. 7:661 lid 1 BW mogelijk maken en is voornoemd artikel onverkort van toepassing. Derhalve is [eiser] slechts aansprakelijk voor ontstane schade indien vast komt te staan dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. De werkgever (in casu: [gedaagde]) dient deze opzet en bewuste roekeloosheid te bewijzen. Voor het oordeel of sprake is geweest van bewuste roekeloosheid, is vereist dat de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedraging. [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van opzet dan wel bewuste roekeloosheid aan de zijde van [eiser]. Ook anderszins is daarvan niet gebleken. Tegen deze achtergrond dient, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, op de voet van art. 7:661 BW reeds thans geoordeeld te worden dat [eiser] niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de geleden schade.

De gedane inhoudingen zijn dan ook onterecht en dienen alsnog aan [eiser] te worden voldaan.

De proceskosten

4.4.

[gedaagde] zal, als de deels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

exploot van dagvaarding en leges: € 105,14

griffierecht: € 77,00

salaris gemachtigde: € 600,00 (nieuw tarief conform LOVCK-besluit van 9 december 2013)

totaal: € 782,14

5 De beslissing

De kantonrechter als voorzieningenrechter in kort geding,

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 600,-- netto wegens ongeoorloofde inhoudingen op de loonbetalingen februari en maart 2014, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op een bedrag van € 782,14;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.W. Huinen en is in het openbaar uitgesproken.

Type: JS