Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7321

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-08-2014
Datum publicatie
19-08-2014
Zaaknummer
AWB 14/1432 + AWB 14/1433
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het bouwen van een verpleeghuis. Voorlopige voorziening met kortsluiting. Verweerder was niet bevoegd om met toepassing van artikel 4, aanhef en onder 1, onder a, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning te verlenen, nu geen sprake is van een bijbehorend bouwwerk. Het bouwplan betreft immers het nieuw bouwen van een verpleeghuis inclusief de ruimte voor technische installaties op het dak, zijnde het oprichten van een hoofdgebouw. Voorts kan het bouwplan als geheel niet worden aangemerkt als bijbehorend bijgebouw. Het bestaande verpleeghuis, dat zal worden gesloopt, kan in dit geval niet als hoofdgebouw worden aangemerkt. Het bouwplan is noodzakelijk voor de verwezenlijking van de geldende bestemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2014-0186

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/1432 + AWB 14/1433

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 augustus 2014 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam eiser] en 28 anderen, te Maastricht, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigden: mr. M.E.J.M Vorstermans-Rompelberg, ir. P. de Ronde en M.M.E. Carta).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam Stichting], te Maastricht

(gemachtigde: mr. R.A.H. Vlecken).

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een verpleeghuis aan de Polvertorenstraat te Maastricht (bouwplan).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter (rechter) verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2014. Eisers [naam eiser] en [naam eiser 1] zijn onder meer verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij is verschenen bij [naam persoon derde-partij], en bijgestaan door haar gemachtigde.

Bij brief van 19 juni 2014 heeft de rechter het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld een gemotiveerd standpunt in te nemen over een mogelijke onjuistheid om met toepassing van artikel 4, aanhef en onder 1°, van bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht, de omgevingsvergunning voor het bouwplan te verlenen. Bij brief van 23 juni 2014 heeft verweerder hierop gereageerd. De derde-partij heeft bij brief van 7 juli 2014 gereageerd. Nadat alle partijen toestemming hebben gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 8 augustus 2014 gesloten.

Overwegingen

1.

Naar het oordeel van de rechter is een spoedeisend belang aanwezig, nu ter zitting is gebleken dat de grondwerkzaamheden voor het bouwplan zijn gestart en na de zomer de fundering zal worden aangebracht.

2.

De rechter is van oordeel dat de als productie 8 bij het verzoekschrift en beroepschrift genoemde 28 personen allen beroep hebben ingesteld en de rechter hebben verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In het verzoek- en beroepschrift is immers vermeld dat ondergetekenden collectief, alsmede ieder voor zich, beroep c.q. een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening aantekenen tegen het bestreden besluit. Voorts voldoet genoemde lijst aan de in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde indieningsvereisten, te weten de naamstelling, adres en ondertekening. Tevens is ter zitting door [naam eiser]expliciet vermeld dat hij niet als gemachtigde van eisers kan worden gezien, maar dat alle in de lijst genoemde personen beroep hebben ingesteld. De rechter voegt hieraan toe dat de in de brief van de rechtbank van 8 mei 2014 aan [naam eiser] verzochte ‘schriftelijke machtiging waaruit blijkt dat u gemachtigd bent mede namens de in de procedure 8 genoemde personen, het verzoek in te dienen’, wellicht tot verwarring heeft geleid. Als reactie op deze brief heeft [naam eiser] (grotendeels nogmaals) bij brief van 15 mei 2014 een lijst met namen ingediend die, zoals hij stelt, met hem in beroep gaan en een voorziening vragen tegen het bestreden besluit. Hieruit blijkt telkenmale dat eisers hebben beoogd allen beroep, c.q. een verzoek tot een voorlopige voorziening in te stellen. De rechter stelt echter vast dat de op de laatstgenoemde lijst genoemde personen [eisers] niet vermeld zijn op de oorspronkelijke lijst. Deze twee personen worden, gelet op de wettelijke beroepstermijn van zes weken, geacht geen beroep te hebben ingesteld.

3.

Na afloop van de zitting is de rechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De rechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

4.

Op 23 mei 2013 heeft de stichting Vivre (thans: [naam Stichting]) een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwplan. Voor het bouwplan is vergunning gevraagd voor het (ver)bouwen van een bouwwerk, het brandveilig gebruiken of in gebruik nemen van een bouwwerk en het afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, onder a, c en d van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het ontwerp-besluit, waarin het voornemen kenbaar is gemaakt de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen, heeft met ingang van 25 december 2013 zes weken ter inzage gelegen. Tegen het ontwerp-besluit hebben eisers zienswijzen ingediend.

5.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening Maastricht 1999 nu niet aan de vereiste parkeercapaciteit kan worden voldaan. Er zal een tijdelijke parkeerplaats komen die tot 31 december 2018 mogelijk is, zodat de omgevingsvergunning kan worden verleend. De aangevraagde activiteit is in strijd met artikel 7.2.1, sub f, van het bestemmingsplan “Klevarie” (bestemmingsplan), op grond waarvan het gebouwdeel aan het Sint Servaasbolwerk maximaal 11 meter mag bedragen en plat moet worden afgedekt. Verweerder heeft in verband hiermee de omgevingsvergunning op grond van artikel 4, aanhef en onder 1, onder a, van bijlage II van het Bor verleend. Door het realiseren van de opbouw met hellend vlak worden de technische installaties ‘ingepakt’, hetgeen architectonische meerwaarde heeft. Uitvloeisel van deze voorkeur is wel dat niet wordt voldaan aan de gemaakte afspraak die is vertaald in het bestemmingsplan. Hoewel formeel in strijd, is het voorstel stedenbouwkundig gezien niet in strijd met de intentie waarmee de regel in het bestemmingsplan is opgesteld. Het in het bouwplan voorgestelde flauw hellend vlak heeft op de maat en schaal van het gebouw ten opzichte van de straatbreedte, privacyaspecten en bezonning geen, of een verwaarloosbare invloed. Dit geldt eveneens voor het bebouwingsbeeld aan de zijde van de Polvertorenstraat.

6.

Eisers voeren aan dat de bouwhoogte aan de kant van het Servaasbolwerk al vanaf een kwart van het gebouw niet drie, maar meer dan vier bouwlagen bedraagt, hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan en de expliciete toezegging van de derde-partij en verweerder. Deze verhoging heeft geen verwaarloosbare invloed. Door het niet nakomen van de toezegging heeft verweerder het vertrouwensbeginsel geschonden. Voorts betogen eisers dat de omgevingsvergunning is verleend zonder overlegging van een situatietekening. Dit is in strijd met de bouwregelgeving en de Exploitatieovereenkomst van 11 juli 2011. Hierdoor is niet te beoordelen hoe het gebouw wordt ingepast in zijn omgeving en is onduidelijk of de Polvertorenstraat wordt verlegd en waardevolle bomen worden gespaard. De verlegging van de Polvertorenstraat is onlosmakelijk verbonden met de bouw van de herstelkliniek. De in de omgevingsvergunning voorziene tijdelijke parkeerplaatsen voldoen niet aan de geldende nota parkeernormen van verweerders gemeente en aan de vraag en zullen derhalve leiden tot jarenlange overlast. De belangen van eisers zijn voor wat betreft de parkeerplaatsen in zijn geheel niet meegenomen.

De rechter oordeelt als volgt.

7.

In artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan,

het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen.

In artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de Wabo is bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

In artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald dat als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

In artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel a, van bijlage II van het Bor is bepaald dat voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking komen een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom.

Artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor bepaalt dat in deze bijlage wordt verstaan onder bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. In de bijlage wordt verstaan onder hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

In artikel 16.1, onder g, onder 2, van het bestemmingsplan is bepaald dat burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van deze regels ten aanzien van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van een overschrijding van deze maximaal toegestane bouwhoogte voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,25 maal de maximaal toegestane bouwhoogte van het betreffende gebouw.

8.

De rechter stelt voorop dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning zoals deze is ingediend. Voorts ligt enkel het bestreden besluit ter beoordeling voor. Dit betekent dat het door eisers aangevoerde omtrent het kappen van de bomen, het totale masterplan, de anterieure overeenkomst, het verleggen van de Polvertorenstraat en de ondergrondse parkeergarage buiten de reikwijdte van de onderhavige procedure valt.

9.

Nu verweerder dient te beslissen omtrent de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning stond het verweerder in zoverre niet vrij bij de aanvraag de verlegging van de Polvertorenstraat te betrekken. Naar het oordeel van de rechter zijn de verlegging van de Polvertorenstraat en de bouw van de herstelkliniek niet onlosmakelijk met elkaar verbonden, nu niet gebleken is dat het voor de ingebruikname van de herstelkliniek noodzakelijk is dat de verlegging van de Polvertorenstraat is gerealiseerd. Evenmin bestaan aanknopingspunten voor de conclusie dat de herstelkliniek niet kan functioneren zonder de verlegging van de Polvertorenstraat. Verweerder kon het verleggen van de Polvertorenstraat dan ook niet als voorwaarde aan de vergunning verbinden. Artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo bepaalt immers dat aan een omgevingsvergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20 van de Wabo voor.

10.

De rechter volgt eisers voorts niet in hun betoog dat de omgevingsvergunning is verleend zonder overlegging van een situatietekening. De derde-partij heeft immers bij de aanvraag een situatietekening van de bestaande toestand en de nieuwe toestand verstrekt, als bedoeld in artikel 2.3, onder d, van de Regeling omgevingsrecht. Gesteld noch gebleken is dat deze situatietekening niet voldoet aan de in dit artikel genoemde vereisten van de tekening. Deze situatietekening maakt onderdeel uit van het bestreden besluit.

11.

Met betrekking tot de stelling van eisers dat verweerder, door het niet nakomen van de beweerdelijke toezegging dat de bouwhoogte halverwege het gebouw met twee bouwlagen verhoogd zal worden, het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, verwijst de rechter naar hetgeen is opgenomen op pagina 12 van de toelichting op het bestemmingsplan: ‘de herstelkliniek: het gebouw zal aan de zijde van Sint Servaasbolwerk een bouwhoogte van 11 meter krijgen; halverwege het gebouw zal de bouwhoogte in de richting van het plein met twee bouwlagen verhoogd worden.’

De Wabo, in samenhang met het Bor, geeft verweerder evenwel de mogelijkheid, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, een omgevingsvergunning te verlenen voor bouwplannen die in strijd zijn met het bestemmingsplan. Tevens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 23 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6363, betreffende het bestemmingsplan, overwogen dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt hierom.

12.

Met betrekking tot de stelling van eisers dat de in de omgevingsvergunning voorziene tijdelijke parkeerplaatsen niet voldoen aan de geldende nota parkeernormen van verweerders gemeente, overweegt de rechter dat blijkens de parkeernota van 5 september 2013, die ter inzage heeft gelegen en deel uitmaakt van het bestreden besluit, het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen 192 bedraagt. Ter berekening van het aantal parkeerplaatsen is getoetst aan de in de nota parkeernormen opgenomen parkeernorm per verpleegbed. Onweersproken is dat op het terrein 60 parkeerplaatsen aanwezig zijn en 60 tijdelijke parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Daarnaast heeft de derde-partij langdurige parkeercontracten afgesloten voor 145 parkeerplaatsen. Derhalve wordt voldaan aan de nota parkeernormen Maastricht.

13.

Ten aanzien van de stelling van eisers dat de in strijd met het bestemmingsplan verhoogde bouwhoogte geen verwaarloosbare invloed heeft, overweegt de rechter dat niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met artikel 7.2.1, sub f, van het bestemmingsplan, waarin is bepaald dat het gebouwdeel aan het Sint Servaasbolwerk maximaal 11 meter mag bedragen en plat dient te worden afgedekt. Evenmin is in geschil dat op het bouwplan de bestemming “Maatschappelijk” rust.

14.

Aan de vraag of verweerder, op basis van stedenbouwkundige gronden, in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan gaat evenwel de ambtshalve te beantwoorden vraag vooraf of verweerder bevoegd was om voor de verlening van de omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit met toepassing van artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Bor de omgevingsvergunning verleend. Bij genoemde brief van 23 juni 2014 heeft verweerder, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU1640), zich op het (nadere) standpunt gesteld dat de (met het bestemmingsplan strijdige) overkapte installatieruimte kan worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk, omdat deze ruimte een uitbreiding van het hoofdgebouw met een dak is. De herstelkliniek als geheel kan volgens verweerder worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk bij de overige gebouwen op het terrein van Klevarie. De herstelkliniek is in planologisch opzicht gerelateerd aan het gebruik van de overige gebouwen op het terrein en daardoor functioneel met deze gebouwen verbonden.

15.

Aangezien het bouwplan in de bebouwde kom ligt, kan enkel artikel 4, aanhef en onder 1, onder a, van bijlage II van het Bor aan de orde zijn. Naar het oordeel van de rechter was verweerder niet bevoegd met toepassing van genoemd artikel van het Bor een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwplan, nu geen sprake is van een bijbehorend bouwwerk. Het bouwplan betreft immers het nieuw bouwen van een verpleeghuis/herstelkliniek inclusief de ruimte voor technische installaties op het dak, zijnde het oprichten van een hoofdgebouw. Derhalve kan geen sprake zijn van een uitbreiding van een hoofdgebouw. Het is immers niet mogelijk met één omgevingsvergunning zowel een hoofdgebouw als bijbehorend bijgebouw op te richten. Voorts volgt de rechter verweerder niet in diens stelling dat het bouwplan als geheel kan worden aangemerkt als bijbehorend bijgebouw. Het bestaande verpleeghuis, dat zal worden gesloopt, kan in dit geval niet als hoofdgebouw worden aangemerkt. Het bouwplan is noodzakelijk voor de verwezenlijking van de geldende bestemming “maatschappelijk” van het perceel. Voorts is in de omschrijving van het begrip bijbehorend bouwwerk in artikel 1, eerste lid, van de bij het Bor behorende bijlage II expliciet opgenomen dat een bijbehorend bouwwerk altijd moet worden gebouwd bij een zich op het perceel bevindend hoofdgebouw. Volgens de Nota van Toelichting (Stb. 2010, 143, blz. 132 en 133) bij voormeld artikel betekent dit dat er zonder hoofdgebouw op een perceel dus ook geen sprake kan zijn van een bijbehorend bouwwerk. Bij gebreke van een hoofdgebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de bij het Bor behorende bijlage II op het perceel kan het bouwplan dan ook niet worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk. De rechter ziet steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2553.

Dit alles leidt de rechter tot het oordeel dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de Wabo neergelegde bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan.

16.

Het beroep is gegrond en de rechter vernietigt het bestreden besluit.

17.

Nu de rechter op dit moment geen mogelijkheden tot finale geschillenbeslechting binnen zijn bereik ziet, zal aan verweerder de opdracht worden gegeven om een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. In afwachting daarvan ziet de rechter thans geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. De rechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening dan ook af.

18.

Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechter dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt. Tevens ziet de rechter aanleiding te bepalen dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

19.

Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 330,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. P.M. van den Brekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2014.

w.g. P. van den Brekel,

griffier

w.g. E.J. Govaers,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 14 augustus 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.