Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7319

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-08-2014
Datum publicatie
19-08-2014
Zaaknummer
C/03/191286 / FA RK 14-13179
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek van de raad om de ouders te ontheffen van het ouderlijk gezag is afgewezen gezien de korte duur van de ondertoezichtstelling, het feit dat de jonge ouders een aantal positieve ontwikkelingen hebben laten zien en het feit dat de stichting onvoldoende heeft gedaan om de doelen van de ondertoezichtstelling te verwezenlijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/65.4

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 18 augustus 2014

Zaaknummer: C/03/191286 / FA RK 14-1379

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak van:

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zuidoost Nederland,

locatie Maastricht,

verzoeker, verder te noemen: de raad,

tegen:

[verweerster],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

te noemen: de moeder,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

te noemen: de vader,

wederpartijen, ook gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat mr. M.C.L.G.J. Ruyters-Stevens, kantoorhoudende te Kerkrade.

Belanghebbenden:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te Roermond,

verder te noemen: de stichting;

[belanghebbende] en [belanghebbende],

beiden wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het verloop van de procedure

De raad heeft op 9 mei 2014 een verzoekschrift tot ontheffing van het ouderlijk gezag ingediend en daarbij gevoegd een op 1 mei 2014 uitgebracht rapport.

De stichting heeft op 8 en 10 juli 2014 nadere informatie overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van 11 juli 2014.

2 De feiten

[minderjarige] (roepnaam: [minderjarige]) is geboren te [geboorteplaats] op [2012] uit de relatie tussen de moeder en de vader.

[minderjarige] is erkend door de vader. De moeder en de vader hebben samen het gezag over

[minderjarige].

[minderjarige] is op 25 juli 2013 onder toezicht gesteld van de stichting. Deze maatregel is met ingang van 25 juli 2014 verlengd voor de termijn van één jaar.

[minderjarige] verblijft sinds 17 augustus 2012 op vrijwillige basis bij de pleegouders.

3 Het verzoek

De raad verzoekt op de daartoe in het verzoekschrift met bijlagen aangevoerde gronden de ouders te ontheffen van het gezag over [minderjarige].

De raad stelt zich hierbij op het standpunt dat de ouders ongeschikt en onmachtig zijn hun plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] te vervullen. Het belang van [minderjarige] verzet zich niet tegen de ontheffing van de ouders.

Voor nadere onderbouwing van zijn verzoek verwijst de raad naar het bij het verzoekschrift gevoegde raadsrapport. Hierin staat onder meer het volgende.

Beide ouders zijn vanwege hun persoonlijke omstandigheden en problematiek onmachtig om voor [minderjarige] te zorgen en hem op te voeden. Zij hebben de mogelijkheden om aan hun persoonlijke omstandigheden te werken, onvoldoende benut waardoor een thuisplaatsing van [minderjarige] niet realiseerbaar is. Het lukt de ouders niet om hun leven op orde te krijgen. De samenwerking met de gezinsvoogd laat duidelijk te wensen over. De ouders nemen geen initiatief en leggen de verantwoordelijkheid bij derden. Hoewel de ouders van mening zijn dat serieus gekeken moet worden naar een thuisplaatsing van [minderjarige], hebben zij zulks onmogelijk gemaakt. De raad meent dan ook dat de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. De ondertoezichtstelling is dan ook niet langer meer de passende maatregel.

4 De standpunten ter zitting

Ondanks de positieve ontwikkelingen in de contacten tussen de ouders en [minderjarige] handhaaft de raad ter zitting zijn verzoek. [minderjarige] is veilig in het pleeggezin waar hij zich op een adequate manier kan blijven ontwikkelen. De leefsituatie van de ouders maakt dat een thuisplaatsing van [minderjarige] niet aan de orde is. De pleegouders blijven de ouders stimuleren een rol in het leven te blijven spelen van [minderjarige]. De situatie voor [minderjarige] dient bestendigd en bekrachtigd te worden met toewijzing van de verzochte maatregel.

De stichting heeft ter zitting verklaard dat de contacten tussen de ouders en [minderjarige] weer zijn opgepakt en thans goed verlopen. Het lukt echter niet om met de ouders een concreet plan op te stellen waarin voorwaarden worden opgenomen waaraan zij moeten voldoen wil een thuisplaatsing mogelijk zijn. Daar heeft de stichting wel in geïnvesteerd. De moeder wil niet meewerken aan een psychisch onderzoek en dat heeft de samenwerking gestagneerd. Nu zij inmiddels heeft aangegeven dat wel te willen kan de stichting dat onderzoek gaan opstarten. Het is echter onduidelijk wat dit onderzoek zal opleveren. Ook lukt het niet informatie over de vader bij Mondriaan te krijgen omdat hij daar geen toestemming voor geeft.

De stichting ziet twee ouders die graag voor hun zoon willen zorgen, maar de vraag is of dat uitvoerbaar en haalbaar is.

Ondanks hun persoonlijke problematiek hebben de ouders geen hulpvraag. De stichting voorziet dat de ouders zullen afhaken indien de stichting van de ouders zaken verwacht die zij niet kunnen waarmaken. De stichting staat achter het verzoek.

Door en namens de ouders heeft de advocaat ter zitting aangevoerd dat de situatie sinds maart 2014 is veranderd. De vader is uit zijn woning gezet en verblijft thans bij vrienden. Hij werkt hard om de schulden af te lossen. De moeder heeft zelf voor een woning gezorgd en zij heeft hulp ingeschakeld van het maatschappelijk werk. Door ziekte van de grootvader en haarzelf is er een tijd geen contact geweest met [minderjarige]. De ouders zijn blij dat die contacten weer zijn opgepakt en goed verlopen. De ouders hebben meer sturing nodig vanuit de stichting omdat zij niet weten wat zij moeten doen. Sinds april zijn de ouders de afspraken die gemaakt zijn, nagekomen. Er is nog genoeg werk te verrichten, maar de ouders staan open voor hulp en hebben zelf al veel in werking gezet. De contacten met [minderjarige] moeten op een structurele, neutrale plek blijven doorgaan zodat de stichting een onafhankelijk advies kan geven. Het is te vroeg om te stellen dat een thuisplaatsing van [minderjarige] niet meer mogelijk is. De advocaat verzoekt dan ook tot afwijzing van het verzochte.

De moeder heeft nog aangevuld dat zij [minderjarige] graag thuis wil hebben. Zij wil de kans krijgen te laten zien dat zij wel in staat is [minderjarige] te verzorgen en op te voeden. De moeder heeft vaker bij de stichting gevraagd wat zij moest doen, maar zij heeft daar geen duidelijk antwoord op gekregen. Wel is haar gezegd dat zij een psychologisch onderzoek moest aanvragen, maar het ontbrak haar aan financiële middelen daarvoor. De moeder wil weer naar school en een zorgopleiding gaan volgen. Voor de opvang van [minderjarige] zijn dan genoeg mogelijkheden. De relatie tussen de ouders is verbroken omdat zij niet samen kunnen wonen. Het gaat nu veel beter tussen hen.

De vader heeft aangegeven dat zij als ouders uit een diep dal zijn geklommen. De vader heeft financiële problemen waarvoor een budgetbeheerder was aangesteld. Dat is in de afgelopen twee jaar niet goed gegaan. De vader wil vanwege zijn schulden in de schuldsanering. De vader heeft hulp gehad van Mondriaan voor zijn drugsverslaving. Hij rookt nu enkel nog een jointje in het weekend. Vanwege zijn woonsituatie is een thuisplaatsing van [minderjarige] bij hem niet mogelijk. De vader pleit dan ook voor een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Dat biedt hem ook meer mogelijkheden in zijn contact met [minderjarige]. Volgens de vader is er te weinig begeleiding vanuit de stichting geweest zodat zij zich als ouders voor [minderjarige] niet hebben kunnen bewijzen. Hij heeft de stichting wel toestemming gegeven om informatie bij Mondriaan op te vragen.

De pleegvader heeft ter zitting aangegeven dat [minderjarige] nu verblijft in een stabiele en veilige leefomgeving. De pleegvader ziet dat de bezoeken tussen de ouders en [minderjarige] wisselend verlopen, maar hij is blij dat de bezoeken weer tot stand zijn gekomen. De pleegouders doen er alles aan om tot een goede samenwerking met de ouders te komen. Op dit moment is een terugkeer van [minderjarige] naar de ouders niet mogelijk. Of dat in de toekomst wel mogelijk zal zijn, is niet te voorzien, maar hij acht de kans dat dit gaat gebeuren klein.

5 De beoordeling

Artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een ouder kan worden ontheven van het gezag over zijn kind op grond dat de ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet.

De rechtbank stelt voorop dat een ontheffing van het gezag blijkens artikel 1:268 BW niet kan worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Deze maatregel leidt uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vullen - onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van het kind af te wenden. Nu de ouders niet instemmen met de ontheffing van het gezag, zal moeten worden beoordeeld of sprake is van een uitzondering als voormeld.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat er bij beide ouders sprake is van een aantal positieve ontwikkelingen. Zo heeft de moeder zelf voor een woning gezorgd en heeft zij het maatschappelijk werk ingeschakeld. De vader heeft hulp van Mondriaan gehad voor zijn drugsverslaving en is bezig om een aanvraag te doen voor schuldsanering nu de hulp van de budgetbeheerder in de afgelopen twee jaar niet goed is verlopen. Tot slot heeft de vader op zijn schulden afgelost en zijn er geen nieuwe schulden ontstaan.

De hulp vanuit de stichting aan de ouders in het kader van de doelstelling van de ondertoezichtstelling van hun zoontje is onvoldoende (zichtbaar) geweest. Het is juist de stichting die deze jonge ouders moet begeleiden in hun rol als ouders van [minderjarige]. Er dient op een adequate wijze gewerkt te worden aan de gestelde doelen, maar de rechtbank is niet gebleken dat de stichting daarin het voortouw heeft genomen èn daar samen met de ouders op heeft ingezet. [minderjarige] ontwikkelt zich goed en verblijft met instemming van de ouders in het pleeggezin; hij heeft er recht op dat er alles aan wordt gedaan om terug bij (één van) zijn ouders te worden geplaatst.

Alles overwegende is de rechtbank, mede gelet op de korte duur van de ondertoezichtstelling, niet gebleken dat aan de gronden om de ouders te ontheffen van het gezag is voldaan. Het is de taak van de stichting om te werken aan het welslagen van de ondertoezichtstelling. Daarvoor dient een goede samenwerking tussen de stichting en de ouders plaats te vinden waarbij duidelijkheid gegeven moet worden door de stichting aan welke doelen de ouders moeten werken. Tegelijkertijd mag van de ouders worden verwacht dat zij de positieve ontwikkeling weten vast te houden èn daadkrachtig in een open communicatie met de gezinsvoogd meewerken. De toekomst zal moeten uitwijzen of deze jonge ouders voldoende leerbaar zijn en of zij in staat zijn [minderjarige] op een veilige en stabiele manier zelf te verzorgen en op te voeden.

De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

6 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Koster-van der Linden, voorzitter, mr. E.J.M. Driessen en mr. P.H.J. Frénay, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.M. Koster-van der Linden voornoemd, in tegenwoordigheid van E.H.C.M. Franssen-Peeters, griffier op 18 augustus 2014.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

  1. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.