Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7230

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-07-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
C/03/191679 / BZ RK 14/608
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 41a Wet Bopz. Klachtzaak. Klachten tegen separatie, noodmedicatie en toepassing dwangbehandeling. Klacht tegen separatie gegrond. De stichting is niet erin geslaagd te onderbouwen dat sprake was van een noodsituatie zoals bedoeld in artikel 39 van de Wet Bopz. Opeenstapeling van incidenten heeft geleid tot separatie. Bij een voornemen tot toepassing van middelen en maatregelen zoals bedoeld in artikel 39 van de Wet Bopz dient, gelet op de aard en de ernst van het toe te passen middel of de maatregel, op basis van ieder afzonderlijk incident te worden beoordeeld of op dat moment sprake is van een noodsituatie die die toepassing rechtvaardigt. Overige klachten ongegrond. Bij de beoordeling van de klacht tegen het toedienen van noodmedicatie wordt geabstraheerd van de omstandigheid dat de situatie die heeft geleid tot het toedienen van noodmedicatie is ontstaan na en waarschijnlijk zelfs ten gevolge van een separatie die onrechtmatig was. Op het moment van het toedienen van de noodmedicatie was die separatie nu eenmaal een gegeven. Geen schadevergoeding ondanks gegrond verklaarde klacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum beschikking: 25 juli 2014

Zaaknummer: C/03/191679 / BZ RK 14/608

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de klachtzaak van:

[verzoeker],

hierna te noemen: verzoeker,

wonend te[woonplaats], [adres] gemeente [gemeente],

ten tijde van de indiening van het verzoek verblijvend in Orbis Medisch Centrum te Sittard-Geleen,

tegen

de stichting ‘Orbis Medisch Centrum’,

wederpartij, hierna te noemen de stichting,

statutair gevestigd te Sittard-Geleen,

geen advocaat gesteld hebbende.

1 Het procesverloop

Bij verzoekschrift, op 20 mei 2014 ter griffie binnengekomen, heeft verzoeker een verzoekschrift als bedoeld in artikel 41a, vijfde lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz). ingediend ter verkrijging van een beslissing over de door hem bij de klachtencommissie ingediende klachten, voor zover die klachten door de commissie ongegrond zijn verklaard. Tevens heeft hij op de voet van artikel 41b Wet Bopz om toekenning van schadevergoeding verzocht. Ten slotte heeft hij verzocht de stichting in de kosten van deze procedure te veroordelen.

Bij brief van 2 juni 2014 heeft verzoeker zijn inleidend verzoek aangevuld in die zin dat hij tevens verzoekt het besluit tot toepassing van dwangbehandeling te schorsen.

Het verzoek is mondeling behandeld op 2 juni 2014, waarbij zijn gehoord verzoeker, bijgestaan door mr. Heilhof, advocaat te Maastricht en voorts de heer W.B. Eijkelenboom, psychiater, in zijn hoedanigheid van de voor de behandeling verantwoordelijke persoon als bedoeld in de Wet Bopz, die tevens namens de stichting verweer heeft gevoerd.

2 Beoordeling

2.1

Verzoeker verbleef aanvankelijk op grond van een inbewaringstelling en ten tijde van de indiening van het onderhavige verzoek op grond van een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Wet Bopz, door de rechtbank op 7 april 2014, zaaknummer C/03/189411 / BZ RK 14/326, verleend, in het Orbis Medisch Centrum, afdeling geestelijke gezondheidszorg.

2.2

Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank de door verzoeker bij de klachtencommissie ingediende en door die commissie ongegrond verklaarde klachten alsnog gegrond verklaart, met vernietiging van de bestreden uitspraak van de klachtencommissie van 18 april 2014 en met toekenning aan verzoeker van schadevergoeding. Daarnaast heeft verzoeker aanvullend om schorsing van het besluit tot dwangbehandeling verzocht.

2.3

De stichting heeft verweer gevoerd tegen toewijzing van het verzoek voor zover het erop ziet de ongegrond verklaarde klachten alsnog gegrond te verklaren en het besluit tot toepassing van dwangbehandeling te schorsen.

2.4

Verzoeker heeft zich op de voet van artikel 41 van de Wet Bopz op 21 maart 2014 met een viertal klachten tot de klachtencommissie van de stichting gewend. Bij brief van 24 maart 2014 heeft verzoeker zijn klacht aangevuld. Na ontvangst van een verweerschrift van de stichting op 30 maart 2014 en na afloop van hoorzitting die op 7 april 2014 heeft plaatsgevonden, heeft de klachtencommissie mondeling uitspraak gedaan en één klacht gegrond verklaard. De overige drie klachten, waarover de rechtbank thans dient te beslissen, zijn ongegrond verklaard. De klachtencommissie heeft de motivering van haar uitspraak op 18 april 2014 op schrift gesteld.

2.4.1

De rechtbank stelt allereerst vast dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek, nu hij zijn verzoekschrift binnen de in artikel 41a Wet Bopz gestelde termijn bij de rechtbank heeft ingediend. Alvorens over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van de klachten hecht de rechtbank eraan op te merken dat zij van de zijde van de stichting geen verweerschrift heeft ontvangen. Evenmin heeft de stichting ter onderbouwing van het door haar ter gelegenheid van de mondeling behandeling gevoerde verweer ter zake relevante bescheiden, zoals bijvoorbeeld het signaleringsplan, in het geding gebracht. Dit betekent dat de rechtbank op basis van beperkte schriftelijke informatie van de zijde van de stichting een beslissing zal dienen te nemen in deze zaak. Met betrekking tot het behandelingsplan merkt de rechtbank nog op dat uit de door verzoeker bij brief van 2 juni 2014 in het geding gebrachte brief van de behandelend psychiater de heer W.B. Eijkelenboom gericht aan de eerste geneeskundige waarin de behandelend psychiater vermeld dat hij “met bovengenoemde patiënt”, die middels een IBS is opgenomen, tot op heden geen overeenstemming heeft weten te bereiken ten aanzien van het behandelingsplan, op geen enkele wijze blijkt dat deze brief betrekking heeft op verzoeker. Hoewel wordt verwezen naar “bovengenoemde patiënt” wordt die patiënt nergens genoemd.

2.4.2

De rechtbank komt toe aan de beoordeling van de eerste (ongegrond verklaarde) klacht. Die klacht houdt in dat verzoeker op 18 maart 2014 naar zijn mening ten onrechte is gesepareerd. Verzoeker heeft daartoe gesteld dat hij zich op de afdeling niet gehoord voelde en dat hij daarom uit frustratie een aantal voorwerpen heeft omgegooid en tegen een aantal voorwerpen heeft geschopt. Zijn agressie was evenwel niet tegen het personeel of tegen medepatiënten gericht. Volgens verzoeker was het daarom niet noodzakelijk om hem te separeren. De stichting had kunnen volstaan met verzoeker te verzoeken naar zijn kamer te gaan om daar “even af te koelen.” Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft verzoeker in dit verband nog aangevoerd dat alvorens de stichting heeft besloten tot separatie over te gaan, niet alle stappen van het signaleringsplan zijn doorlopen. Verzoeker is niet eerst naar zijn kamer of naar buiten gestuurd, terwijl dat volgens het signaleringsplan wel had dienen te gebeuren.

De stichting bestrijdt deze klacht. Volgens de stichting heeft een opeenstapeling van incidenten geleid tot het besluit om verzoeker op 19 maart 2014 te separeren. De dagen voorafgaand aan de separatie werden gekenmerkt door zeer hoog oplopende spanningen en onveilige situaties op de afdeling. Verzoeker was op meerdere momenten zeer geagiteerd en ontstemd over de gedwongen opname en hij wantrouwde de verpleging en artsen, jegens wie hij een dreigende houding aannam. Verzoeker verkeerde dikwijls meerdere malen per dag in fase 3, de hoogste fase, van het signaleringsplan en hij was zodanig geagiteerd, boos en dreigend dat het niet mogelijk was om met hem in gesprek te gaan. Tegen de achtergrond van deze eerdere incidenten is op het moment dat verzoeker op 18 maart 2014 fysiek agressief was geconcludeerd dat de veiligheid op de afdeling niet langer kon worden gewaarborgd. Daarom is overgegaan tot separatie van verzoeker.

Het besluit om verzoeker te separeren is blijkens de gedingstukken gebaseerd op artikel 39 van de Wet Bopz. Op grond van dit artikel geldt dat met betrekking tot een patiënt die met een rechterlijke machtiging is opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis, anders dan ter uitvoering van een behandelingsplan met in achtneming van artikel 38, 38b of 38c van de Wet Bopz, geen middelen of maatregelen kunnen worden toegepast anders dan ter overbrugging van tijdelijke noodsituaties welke door de patiënt in het ziekenhuis als gevolg van de stoornis van de geestvermogens worden veroorzaakt. De middelen en maatregelen die kunnen worden toegepast, zijn bij algemene maatregel van bestuur aangewezen. Separatie is één daarvan. De rechtbank is van oordeel dat de stichting in het licht van hetgeen door verzoeker hieromtrent is gesteld niet erin is geslaagd voldoende te onderbouwen dat ten tijde van het nemen van de beslissing tot toepassing van separatie sprake was van een noodsituatie zoals bedoeld in artikel 39 van de Wet Bopz. Zij overweegt daartoe dat tussen partijen in feite niet in geschil is dat verzoeker in de fase onmiddellijk voorafgaand aan de separatie geagiteerd en gefrustreerd was. Verzoeker stelt immers zelf dat hij uit frustratie een aantal voorwerpen heeft omgegooid dan wel tegen voorwerpen heeft geschopt. De rechtbank acht het voorstelbaar dat hierdoor een gespannen en wellicht zelfs dreigende situatie is ontstaan, zoals de stichting heeft betoogd. Dit neemt evenwel niet weg dat de stichting de stelling van verzoeker dat zijn agressie niet gericht was tegen het personeel en / of medepatiënten onweersproken heeft gelaten. Dit klemt te meer nu de stichting heeft gesteld dat de veiligheid van personeel en medepatiënten niet kon worden gegarandeerd. Hoewel dat wel op haar weg lag, heeft zij ook die stelling niet onderbouwd. Daar komt bij dat verzoeker onweersproken heeft gesteld dat niet alle stappen van het signaleringsplan zijn doorlopen en dat de stichting hem, overeenkomstig het signaleringsplan, eerst naar zijn kamer had moeten sturen. De stichting heeft evenwel geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de ontstane situatie zó dreigend en onveilig was voor het personeel of medepatiënten dat sprake was van een acute noodsituatie zoals bedoeld in artikel 39 van de Wet Bopz op grond waarvan onmiddellijke separatie was gerechtvaardigd. Evenmin heeft de stichting onderbouwd dat (de dreiging van) het gevaar niet kon worden afgewend met een minder ingrijpende maatregel zoals bijvoorbeeld het naar zijn kamer sturen van verzoeker, terwijl het signaleringsplan daarin kennelijk wel voorziet. Ook overigens is niet van dergelijke feiten of omstandigheden gebleken. De stichting heeft weliswaar onweersproken gesteld dat verzoeker in de dagen voorafgaand aan de separatie regelmatig zeer geagiteerd, boos en dreigend was en dat de hoogste fase van het signaleringsplan regelmatig van toepassing was, maar dat vormt op zichzelf onvoldoende grond om aan te nemen dat op 18 maart 2014 sprake was van een acute noodsituatie die de stichting ertoe noopte het signaleringsplan terzijde te stellen en over te gaan tot separatie. De rechtbank leidt uit de verklaring van de stichting af dat het veeleer een opeenstapeling van incidenten, ook van de dagen daarvoor, is geweest die heeft geleid tot de separatie op 18 maart 2014, hetgeen de stichting blijkens de uitspraak van de klachtencommissie bij die commissie ook met zo veel woorden naar voren heeft gebracht. Bij een voornemen tot toepassing van middelen en maatregelen zoals bedoeld in artikel 39 van de Wet Bopz, gelet op de aard en de ernst van het toe te passen middel of de maatregel, dient evenwel op basis van ieder afzonderlijk incident te worden beoordeeld of op dat moment sprake is van een noodsituatie die die toepassing rechtvaardigt.

Het vorenstaande brengt met zich dat de rechtbank deze klacht alsnog gegrond zal verklaren en dat zij de beslissing tot toepassing van middelen en maatregelen in de vorm van separatie zal vernietigen.

2.4.3

De tweede klacht die verzoekster ter beoordeling aan de rechtbank heeft voorgelegd, richt zich tegen het besluit van de stichting om verzoeker tijdens zijn separatie op 18 maart 2014 noodmedicatie te doen toedienen. Ter onderbouwing van die klacht stelt verzoeker dat hij “laaiend” was vanwege het besluit om hem te separeren en daarom uit frustratie tegen ramen en muren heeft geslagen. Vervolgens is hem met ondersteuning van de politie noodmedicatie toegediend. Dit is volgens verzoeker ten onrechte gebeurd.

Ook deze klacht wordt door de stichting bestreden. De stichting stelt daartoe dat zij op de separeerafdeling heeft getracht met verzoeker in gesprek te gaan, maar dat verzoeker ondanks de separatie verbaal en fysiek zeer dreigend bleef en niet bereid was om instructies op te volgen om de veiligheid te waarborgen. Verzoeker was evenmin bereid tot vrijwillige inname van medicatie. Daarom is besloten noodmedicatie toe te dienen.

Het besluit om verzoeker na zijn separatie medicatie toe te dienen is eveneens gebaseerd op artikel 39 van de Wet Bopz. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor ter zake heeft overwogen. Het toedienen van medicatie behoort evenals separatie tot de middelen en maatregelen die krachtens artikel 39 van de Wet Bopz kunnen worden toegepast. De rechtbank stelt voorop dat zij bij de beoordeling van deze klacht geen rekening zal houden met de omstandigheid dat de situatie die heeft geleid tot het toedienen van noodmedicatie is ontstaan na en waarschijnlijk zelfs ten gevolge van een separatie die, zoals thans is komen vast te staan, onrechtmatig was. Op het moment van het toedienen van de noodmedicatie was die separatie nu eenmaal een gegeven, zodat de rechtbank de daarna ontstane situatie vanuit dat perspectief zal moeten beoordelen.

De rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd dat de stichting ten onrechte is overgegaan tot het toedienen van medicatie ter overbrugging van een tijdelijke noodsituatie zoals bedoeld in voornoemd artikel. Verzoeker stelt zelf dat hij laaiend was vanwege het besluit om hem te separeren en dat hij om die reden tegen ramen en muren heeft geslagen. De stelling van de stichting dat zij na de separatie met verzoeker heeft getracht in gesprek te raken is door verzoeker niet weersproken. De stelling van de stichting dat verzoeker niet bereid was om instructies op te volgen om de veiligheid te waarborgen is door verzoeker evenmin weersproken. Voorts heeft verzoeker niet betwist dat bij hem geen bereidheid aanwezig was om vrijwillig medicatie in te nemen. Op grond waarvan de stichting, althans de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater, bij deze stand van zaken hem dan toch ten onrechte noodmedicatie heeft doen toedienen, is door verzoeker in het geheel niet onderbouwd. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat de stichting voldoende heeft onderbouwd dat sprake was van een tijdelijke noodsituatie waarin verzoeker zichzelf in gevaar bracht door tegen ramen en muren te slaan. Het toedienen van noodmedicatie acht de rechtbank in die situatie proportioneel. Daarnaast staat naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast dat de stichting geen minder ingrijpend en even effectief middel ter beschikking stond om het ontstane gevaar af te wenden.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank deze klacht ongegrond verklaren.

2.4.4

De derde klacht die ten slotte ter beoordeling aan de rechtbank voorligt richt zich tegen het besluit van de stichting tot toepassing van dwangbehandeling, die plaatsvindt in de vorm van het toedienen van medicatie. In dit verband heeft verzoeker tevens verzocht om schorsing van het besluit tot dwangbehandeling. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoeker gesteld dat het besluit tot toepassing van dwangbehandeling niet voldoet aan de daaraan in artikel 38c van de Wet Bopz gestelde eisen. Daar komt bij dat de toepassing van dwangbehandeling niet proportioneel is. De behandeling is bovendien niet effectief en leidt tot ernstige bijwerkingen. Verzoeker voelt zich slechter in plaats van beter door de toegediende medicatie. Voorts vindt onvoldoende evaluatie plaats, hetgeen in strijd is met de zorgvuldigheidseisen. Ten slotte stelt verzoeker zich op het standpunt dat hij niets mankeert, zodat ook om die reden ten onrechte is overgegaan tot toepassing van dwangbehandeling. Met betrekking tot de voortzetting van de dwangbehandeling heeft verzoeker gesteld dat de noodzaak daarvoor “inmiddels veel minder aanwezig is.” De dwangbehandeling wordt voortgezet vanuit goed hulpverlenerschap, maar de toepassing daarvan is niet volstrekt noodzakelijk, aldus verzoeker.

Deze derde en laatste klacht wordt eveneens door de stichting bestreden. In dit verband heeft zij aangevoerd dat verzoeker sinds zijn opname zowel verbaal als fysiek een dreigende houding aanneemt. Tijdens de opname is op verschillende manieren, zoals bijvoorbeeld door het voeren van gesprekken, het opstellen van een signaleringsplan, het aanbieden van medicatie en het uitbreiden van vrijheden, getracht de agitatie van verzoeker te verminderen. Ondanks deze interventies bleven de spanningen herhaaldelijk zeer hoog oplopen. Vanwege de impasse waarin de behandeling zich bevond ontstond de verwachting dat de opname van verzoeker uitzichtloos lang zou duren. Daarom is aanvankelijk besloten op basis van artikel 38c lid sub a de procedure tot dwangbehandeling op te starten. Na het incident op 18 maart 2014 en het doen uitvoeren van een second opinion op 19 maart 2014 is besloten over te gaan tot toepassing van dwangbehandeling op basis van intern gevaar. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de stichting met betrekking tot de voortzetting van de dwangbehandeling nog toegelicht dat de behandeling moeizaam verloopt, dat resocialisatie tot nu toe niet mogelijk is gebleken en dat verzoeker herhaaldelijk terugvalt in drugsgebruik. De vrees bestaat dat opnieuw een psychotisch toestandsbeeld zal ontstaan indien de behandeling wordt gestaakt.

De stichting heeft grond van artikel 38c lid 1 sub b van de Wet Bopz besloten dwangbehandeling toe te passen die bestaat uit het toedienen van medicatie. De rechtbank dient bij de beoordeling van deze laatste klacht in volle omvang te beoordelen of de dwangbehandeling volstrekt noodzakelijk was om het gevaar dat verzoeker voor zichzelf of voor anderen ten gevolge van zij stoornis van de geestvermogens veroorzaakt, af te wenden. Deze beoordeling dient allereerst plaats te vinden naar de ten tijde van de beslissing tot dwangbehandeling geldende omstandigheden. Verzoeker heeft tevens te kennen gegeven bezwaar te hebben tegen de voortzetting van de dwangbehandeling en heeft om schorsing van het besluit tot dwangbehandeling verzocht. Gelet hierop dient de rechtbank, indien zij tot het oordeel komt dat terecht tot toepassing van dwangbehandeling is beslist, tevens in volle omvang te onderzoeken of de voortzetting van de dwangbehandeling in het licht van de ten tijde van de beslissing geldende omstandigheden nog volstrekt noodzakelijk is. Indien zij tot het oordeel komt dat de dwangbehandeling inmiddels niet meer volstrekt noodzakelijk is, dient de beslissing waartegen geklaagd is te worden vernietigd.

Blijkens de gedingstukken is het besluit tot toepassing van dwangbehandeling op 18 maart 2014 genomen. De rechtbank stelt voorop dat door verzoeker niet is betwist dat het gevaar zoals bedoeld in artikel 38 c lid 1, sub van de Wet Bopz aanwezig was op het moment waarop het besluit tot toepassing van dwangbehandeling is genomen en dat door verzoeker evenmin is betwist dat dat gevaar ten tijde van de mondelinge behandeling nog steeds aanwezig is. De klacht van verzoeker is enkel gericht op de in voornoemd artikel gestelde voorwaarde dat de toepassing van dwangbehandeling volstrekt noodzakelijk dient te zijn. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker in het licht van het verweer van de stichting onvoldoende heeft onderbouwd dat de toepassing van dwangbehandeling niet volstrekt noodzakelijk was en is. De stichting heeft voldoende onderbouwd dat de opnameperiode van verzoeker moeizaam is verlopen, dat zij op verschillende manieren heeft getracht de agitatie van verzoeker te verminderen, hetgeen door verzoeker ook niet is betwist. Dat de stichting hierin ondanks die inspanningen niet in is geslaagd is voldoende aannemelijk geworden. Verzoeker heeft immers niet betwist dat de spanningen regelmatig zeer hoog bleven oplopen en dat in wezen geen vooruitgang werd geboekt met de behandeling. Feiten of omstandigheden op grond waarvan anders zou moeten kunnen of worden geoordeeld zijn door verzoeker niet aangedragen. De rechtbank volgt de stichting daarom in haar stelling dat de verwachting dat de opname van verzoeker uitzichtloos lang zou gaan duren alleszins gerechtvaardigd was. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank het besluit tot toepassing van dwangbehandeling op 18 maart 2014 volstrekt noodzakelijk, omdat zonder die behandeling onvoldoende verbetering in de medische toestand van verzoeker was te verwachten. Hiernaast acht de rechtbank de toepassing van de dwangbehandeling op basis van de feiten en omstandigheden zoals door de stichting ter gelegenheid van de mondeling behandeling op 2 juni 2014 geschetst op dat moment nog steeds volstrekt noodzakelijk. De stichting heeft immers onweersproken gesteld dat verzoeker op dat moment nog steeds psychotische gedachten heeft, dat hij herhaaldelijk terugvalt in cocaïnegebruik, dat resocialisatie tot op dat moment niet mogelijk is gebleken en dat hij op 2 juni 2014 eerst recent toestemming heeft gegeven om in het kader van de behandeling contact op te nemen met zijn familie. Verzoeker heeft daar niet meer tegenover gesteld dan dat de voorwaarde van volstrekte noodzakelijkheid “een streng criterium is.” Door hem zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan ondanks het door de stichting geschetste verloop van de behandeling, zou kunnen worden aangenomen dat de toepassing van de dwangbehandeling ten tijde van de mondelinge behandeling op 2 juni 2014 niet (meer) volstrekt noodzakelijk is. Verzoeker stelt weliswaar dat hij niets mankeert, maar die stelling passeert de rechtbank nu verzoeker is gediagnosticeerd met een paranoïde psychotische stoornis. De rechtbank volgt verzoeker evenmin in zijn stelling dat de dwangbehandeling niet proportioneel is. Die stelling is in het geheel niet onderbouwd, terwijl dat gelet op het verweer van de stichting en de door haar gegeven toelichting wel op de weg van verzoeker had gelegen. Dat verzoeker bijwerkingen ondervindt van de medicatie en zich hierdoor “slechter in plaats van beter” voelt is onvoldoende om zulks aan te nemen. Evenmin kan op basis daarvan worden geconcludeerd dat een minder ingrijpende maatregel voorhanden was of is, verzoeker heeft daarover ook overigens niets gesteld, en dat de dwangbehandeling vanaf de aanvang tot en met 2 juni 2014 niet effectief was. Ten slotte overweegt de rechtbank dat zij voorbij gaat aan de stelling van verzoeker dat de dwangbehandeling onvoldoende wordt geëvalueerd. Hoewel een dergelijke handelwijze op zichzelf onzorgvuldig zou kunnen zijn, kan de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet beoordelen of dat in deze zaak het geval is (geweest).

Het vorenstaande brengt met zich dat de rechtbank ook deze derde klacht ongegrond zal verklaren en dat het verzoek tot schorsing van het besluit tot toepassing van dwangbehandeling alleen al om die reden, voor zover verzoeker bij een dergelijke schorsing thans nog belang zou hebben, zal worden afgewezen.

2.4.5

Verzoeker heeft verzocht aan hem ten laste van de stichting een schadevergoeding toe te kennen. De stichting heeft geen verweer gevoerd tegen toewijzing van dit verzoek.

Artikel 41b van de Wet Bopz bepaalt dat (onder meer) de patiënt-klager de rechtbank kan verzoeken hem een schadevergoeding toe te kennen ten laste van de rechtspersoon die het betrokken psychiatrisch ziekenhuis in stand houdt, en wel op de grond dat de beslissing waartegen de klacht is gericht onrechtmatig is. Aangezien de rechtbank de klacht over de separatie van verzoeker gegrond heeft verklaard, is daarmee de onrechtmatigheid van de beslissing waartegen deze klacht zich richt en de toerekenbaarheid daarvan aan de stichting gegeven. Verzoeker heeft daarom in beginsel aanspraak op vergoeding van de door hem ten gevolge van de handelwijze van de stichting geleden schade. Nu verzoeker evenwel niet eens heeft gesteld dát hij schade heeft geleden en ook niets heeft gesteld met betrekking tot de aard en omvang daarvan, dient dit verzoek te worden afgewezen.

2.4.6

Ten slotte dient het verzoek om de stichting in de kosten van de procedure te veroordelen, te worden beoordeeld. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Zij ziet in de omstandigheid dat partijen beiden deels in het gelijk zijn gesteld, aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.5

Mitsdien wordt als volgt beslist.

3 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de klacht van verzoeker voor zover deze betrekking heeft op het besluit hem op 18 maart 2014 te separeren gegrond en vernietigt deze beslissing;

verklaart de klacht van verzoeker voor zover deze betrekking heeft op het besluit over te gaan tot toediening van noodmedicatie ongegrond;

verklaart de klacht van verzoeker voor zover deze betrekking heeft op het besluit tot toepassing van dwangbehandeling ongegrond;

wijst af het verzoek tot schorsing van het besluit tot toepassing van dwangbehandeling;

wijst af het verzoek tot toekenning van schadevergoeding;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter en uitgesproken op 25 juli 2014 in tegenwoordigheid van mr. N.H.J. Lafghani, griffier.

Tegen deze beschikking kan door partijen door middel van tussenkomst van een advocaat binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak, beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.