Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7102

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-08-2014
Datum publicatie
18-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_3905u
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is eigenaar van een woning en een garage die zich op enige afstand van de woning, op een ander perceel, bevindt. Verweerder heeft zowel voor de woning als voor de garage een aanslag rioolheffing van € 162,48 opgelegd. Eiser is van mening dat voor de garage ten onrechte een aparte aanslag is opgelegd. Hij acht deze aanslag in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat verweerder in de situatie dat de woning en garage zich op hetzelfde perceel bevinden maar één aanslag rioolheffing oplegt. Eiser acht bovendien een tarief voor de garage van € 162,48 in verhouding tot (hetzelfde) tarief voor de woning disproportioneel. Op grond van de gemeentelijke verordening rioolheffing wordt rioolheffing mede geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. De belasting wordt geheven van degene die het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Onder perceel wordt verstaan een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan. De rechtbank oordeelt dat de garage een afzonderlijke onroerende zaak in civielrechtelijke zin is en daarom een perceel in de zin van de verordening. Eisers situatie en de situatie van degenen die beschikken over een woning en een garage op hetzelfde perceel zijn naar het oordeel van de rechtbank geen gelijke gevallen. Het bij een garage op een apart perceel gehanteerde tarief van € 162,48 leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een dusdanige onevenredige belastingheffing dat de raad van de gemeente Roermond daarmee niet binnen zijn keuzevrijheid bij het vaststellen van het tarief is gebleven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2176
V-N Vandaag 2014/1840
Belastingblad 2014/446
V-N 2014/55.26.3

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 13/3905

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 augustus 2014 in de zaak tussen

[naam eiser], te Roermond, eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Roermond, verweerder

(gemachtigde: S. Slijpen).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2013 heeft verweerder aan eiser ten aanzien van het object [adres garage] te Roermond een aanslag rioolheffing voor het belastingjaar 2013 opgelegd ten bedrage van € 162,48.

Bij besluit van 21 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen voormelde aanslag ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2014. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser is eigenaar en gebruiker van de woning aan de [adres woning] te Roermond. Eiser is tevens eigenaar van de garage aan de [adres garage] te Roermond. De garage maakt deel uit van een achttal in een rij gelegen garageboxen en bevindt zich op enige afstand van de woning van eiser. Eiser gebruikt de garagebox voor het stallen van zijn auto.

Verweerder heeft aan eiser zowel voor de woning als voor de garagebox een aanslag rioolheffing ten bedrage van € 162,48 opgelegd. Volgens verweerder zijn de woning en de garagebox aparte percelen. Op grond van de gemeentelijke verordening inzake rioolheffing voor belastingjaar 2013 wordt voor elk zelfstandig perceel een aparte aanslag rioolheffing ten bedrage van € 162,48 opgelegd. Indien de woning en garage zich op hetzelfde perceel bevinden dient derhalve eenmaal een bedrag van € 162,48 te worden geheven. Omdat de garage van eiser op een apart perceel is gelegen, is de aparte aanslag rioolheffing voor de garage volgens verweerder niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ten aanzien van eisers betoog dat het tarief voor de garage vergeleken met zijn woning disproportioneel is, stelt verweerder zich op het standpunt dat het tarief is vastgesteld bij gemeentelijke verordening en tegen een gemeentelijke verordening geen bezwaar kan worden gemaakt.

Eiser is van mening dat voor de garage ten onrechte een aparte aanslag rioolheffing is opgelegd. Volgens eiser behoort de garage bij zijn woning en is de rioolheffing voor de garage reeds opgenomen in de rioolheffing van het woonperceel. Eiser stelt dat hij behoort tot een minderheid van belastingplichtigen van wie de bij hun woning behorende garage, wellicht uit planologische overwegingen, op een ander perceel moest worden gebouwd en die ingaande belastingjaar 2013 tweemaal zoveel rioolheffing als vóór belastingjaar 2013 moeten betalen. Andere belastingplichtigen met een woning en een bijbehorende garage welke zich, anders dan de garage van eiser, op hetzelfde perceel als de woning bevindt ontvangen maar één aanslag. Bovendien hebben de eigenaars van de woningen [adres woning 1] en [adres woning 2], van wie de garages zich, net als in de situatie van eiser, niet bij de woning bevinden, geen aparte aanslag voor de garage ontvangen. Eiser acht de hem opgelegde aanslag voor de garage daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ook acht eiser het tarief voor de garage in verhouding tot het tarief voor de woning disproportioneel. In dit verband voert hij aan dat de grondoppervlakte van de garage (18 m²) tienmaal kleiner is dan de grondoppervlakte van de woning en dat de hoeveelheid en vervuilingsgraad van het afgevoerde hemelwater van de garage veel geringer zijn dan de hoeveelheid en vervuilingsgraad van het water dat via de woning op het riool wordt geloosd. Eiser verzoekt de rechtbank de aanslag rioolheffing voor de garage te vernietigen.

De rechtbank dient te beoordelen of de aan eiser opgelegde aanslag rioolheffing ten bedrage van € 162,48 rechtens in stand kan blijven. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 1 januari 2008 is artikel 228a van de Gemeentewet in werking getreden. Het eerste lid van dit artikel luidt:

“Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken”.

Op 8 november 2012 heeft de raad van de gemeente Roermond de Verordening rioolheffing 2013” (hierna: Verordening) vastgesteld. Op grond van artikel 13 van de Verordening is de ingangsdatum van de in de Verordening bedoelde heffing 1 januari 2013.

Op grond van artikel 2 van de Verordening wordt onder de naam rioolheffing een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater;

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening wordt de belasting geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening wordt onder perceel verstaan: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan.

Op grond van artikel 6 van de Verordening bedraagt het tarief per perceel per jaar € 162,48.

Op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet kunnen gemeenten – behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht (inkomen, winst of vermogen) als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen – zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, p. 65-67 en p. 77-78). Aldus heeft de wetgever ervoor gekozen gemeentebesturen een grote vrijheid te geven bij het kiezen van heffingsmaatstaven en het bepalen van de aan die maatstaven gekoppelde tarieven.

De rechtbank stelt vast dat de garage een afzonderlijke onroerende zaak in civielrechtelijke zin is, zodat de garage een perceel in de zin van de Verordening is. Niet betwist is dat regenwater van de garage direct of indirect via de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en verwezen naar, in zijn ogen, gelijke gevallen waarin verweerder anders heeft besloten. Voor een geslaagd beroep hierop dient aannemelijk te zijn dat sprake is van gelijke gevallen en dient de ongelijke behandeling voort te komen uit begunstigend beleid van verweerder, verweerders oogmerk van begunstiging van een andere belanghebbende of bevoordeling door verweerder van een meerderheid van andere belanghebbenden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers situatie en de situatie van anderen die over een woning met een daarbij behorende, op hetzelfde perceel gelegen, garage beschikken, niet gelijke gevallen. In het geval van eiser gaat het om afvoer van afvalwater/hemelwater op twee verschillende op afstand van elkaar liggende percelen met in het algemeen aparte rioolaansluitingen en in het tweede geval om afvoer van afvalwater/hemelwater vanaf één perceel.

Verweerder heeft ten aanzien van de gelijke gevallen van de garages van de eigenaars van de woningen [adres woning 1] en [adres woning 2] aangegeven dat het achterwege blijven van een aanslag rioolheffing voor die garages op een fout berust die nog hersteld kan worden. Die fout is volgens mededeling van verweerder in enkele tientallen gelijke gevallen gemaakt. Niet gezegd kan worden dat die fout in de meerderheid van de gelijke gevallen is gemaakt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

Voor ingrijpen door de rechter in de gekozen tariefstelling is slechts plaats indien daarbij sprake is van strijd met de algemene rechtsbeginselen of indien de tariefstelling leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is een tariefstelling van € 162,48 voor een perceel met daarop een garagebox niet in strijd met algemene rechtsbeginselen en leidt deze tariefstelling, mede gezien de efficiëntievoordelen van een forfaitair tarief per perceel en de absolute hoogte van dit tarief, niet tot een dusdanige onevenredige belastingheffing dat de raad van de gemeente Roermond daarmee niet binnen zijn keuzevrijheid is gebleven. Daaraan doet niet af dat, zoals verweerder ter zitting heeft medegedeeld, binnen de gemeenteraad thans stemmen opgaan om voor het komende belastingjaar tot een tariefdifferentiatie te komen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht voor de garage van eiser aan de [adres garage] te Roermond een (aparte) aanslag rioolheffing ten bedrage van € 162,48 opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Oosterman, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

8 augustus 2014.

w.g. A. Zweipfenning,

griffier

w.g. Oosterman

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 8 augustus 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.