Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7054

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
07-08-2014
Zaaknummer
C/03/186182 / FA RK 13-2646
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Grootmoeder vaderszijde wordt omgang met kleinkinderen ontzegd vanwege strijd met zwaarwegende belangen kleinkinderen.

Verzoek benoeming bijzondere curator afgewezen; kinderen hebben rust nodig; volwassenen moeten hun onderlinge problemen oplossen.

Grootmoeder mag wel maandelijks, via advocaten, kaartje sturen aan kinderen, mits zij ervoor waakt dat de inhoud ervan de kleinkinderen niet emotioneel belast. Geen verplichting voor kleinkinderen om tekeningen aan grootmoeder te sturen; geen wettelijke basis.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 250
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/131

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 6 augustus 2014

Zaaknummer: C/03/186182 / FA RK 13-2646

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoekster],

verzoekster, verder te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,

advocaat mr. M. van Riet, kantoorhoudende te Heerlen,

en:

[verweerster],

wederpartij, verder te noemen: de grootmoeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. F.P.M. Sanders, kantoorhoudende te Nuenen.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank gegeven en op

14 april 2014 uitgesproken beschikking.

1 Het verdere verloop van de procedure

De Raad voor de Kinderbescherming regio Zuidoost Nederland locatie Maastricht, verder te noemen: de raad, heeft op 18 juni 2014 een rapport uitgebracht. Dit rapport is op 20 juni 2014 ter griffie ingediend.

De moeder heeft gereageerd bij brieven van 23 juni 2014 en van 14 juli 2014 met bijlagen.

De grootmoeder heeft gereageerd bij brief van 25 juni 2014.

De zaak is behandeld ter zitting van 15 juli 2014.

Ter zitting heeft de grootmoeder nog haar op schrift gestelde visie aan de rechtbank overgelegd.

2 Verdere beoordeling

2.1

De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen in voormelde beschikking is overwogen en beslist.

2.2

De raad heeft op 18 juni 2014 een rapport uitgebracht. De raad heeft daarin geadviseerd

om de omgang tussen de grootmoeder en [minderjarige A] en [minderjarige B] voor onbepaalde tijd te ontzeggen en het schriftelijk contact te beperken tot een maandelijks sturen van kaartjes door de grootmoeder aan de kinderen en minimaal eenmaal per kwartaal een kaartje of een tekening van de kinderen aan de grootmoeder. Deze schriftelijke contacten dienen via de advocaten plaats te vinden.

Ter zitting heeft de raad gepersisteerd bij het advies. De raad benadrukt dat er weliswaar in dit onderzoek niet meer met de kinderen is gesproken maar dat de raad het advies wel heeft gebaseerd op de huidige situatie. De problematiek die speelt tussen de volwassenen heeft veel onrust gebracht voor de kinderen. De kinderen hebben nu rust nodig en de grootmoeder moet de kinderen die rust gunnen. De grootmoeder kan zich volgens de raad niet verplaatsen in de kinderen en daarmee doet ze de kinderen tekort. De grootmoeder kan middels de schriftelijke contacten in beeld blijven mits zij daarbij de kinderen niet emotioneel belast met de volwassenenproblematiek.

Desgevraagd verklaart de raad dat het verzoek van de grootmoeder om een gespecialiseerde bijzondere curator te benoemen om met de kinderen te spreken, niet in het belang is van de kinderen. De volwassenen moeten de problemen oplossen.

2.3

De moeder heeft ter zitting verklaard in te stemmen met het advies van de raad. De moeder heeft wel zelf diverse malen telefonisch contact gehad met de raad tijdens het onderzoek maar de kinderen wilden absoluut niet nogmaals met de raad gaan praten. De kinderen willen op dit moment ook geen contact met de grootmoeder. De moeder kiest nu echt voor de kinderen. Jarenlang heeft de moeder geprobeerd om het contact tussen de grootmoeder en de kinderen te herstellen. De grootmoeder heeft zich echter niet aan de afspraken gehouden en haar gedragingen hebben keer op keer grote spanningen voor de kinderen teweeg gebracht. [minderjarige A] heeft een verminderde draagkracht en ook [minderjarige B] wil na het incident op 17 juni 2014, waarbij de grootmoeder onaangekondigd aan de deur kwam, niets meer met de grootmoeder te maken hebben. [minderjarige B] is erg bang geweest die dag en bleef een week lang angsten houden en niet naar buiten durven. De moeder zelf kampt nog steeds met psychische problematiek als gevolg van de relatie met de vader van de kinderen. Zij heeft nog dagelijks paniekaanvallen en is onder intensieve therapeutische behandeling.

De moeder wil niet dat de kinderen nu alsnog met een derde moeten gaan praten, zoals de grootmoeder wil. De kinderen willen echt niet en hebben rust nodig.

2.4

De grootmoeder heeft verklaard, schriftelijk en ter zitting, dat zij het absoluut niet eens is met het raadsadvies. De moeder heeft niet meegewerkt aan het onderzoek en er zijn geen gesprekken met de kinderen geweest. De grootmoeder was blij met het onderzoek van de raad maar ze is zeer teleurgesteld over het uiteindelijke advies. De grootmoeder heeft steeds getracht met de moeder te praten maar de moeder wil niet. De spanningen komen door de moeder. Op 17 juni 2014 is de grootmoeder inderdaad onaangekondigd bij de moeder aan de deur geweest. Zij wilde praten met de moeder. Ze stond uren te wachten in de straat bij de woning van de moeder. Toen de moeder er eindelijk samen met [minderjarige B] aankwam, begon de moeder te schreeuwen en trachtte te slaan. [minderjarige B] was inderdaad bang en riep om oma. Het was volgens de grootmoeder een onmenselijke situatie dat zij [minderjarige B] niet mocht vasthouden en troosten. De grootmoeder erkent dat ze vervolgens door de brievenbus om [minderjarige B] heeft geroepen. De grootmoeder stelt altijd veel en goed voor de kinderen te hebben gezorgd. Ze heeft ze nimmer verkeerd beïnvloed. Zij verwijst hiervoor verder naar het door haar overgelegde schrijven. Volgens de grootmoeder is omgang met haar in het belang van de kinderen. Het moet losgekoppeld worden van de problematiek van de moeder met de grootmoeder en kan plaatsvinden via een bemiddelaar.

Verder verzoekt de grootmoeder om de schriftelijke contacten tussen de grootmoeder en de [minderjarige B] en [minderjarige A] niet via de advocaten te laten lopen, maar via de raad of Bureau Jeugdzorg.

De grootmoeder handhaaft het verzoek, gedaan bij schrijven van 25 juni 2014, om op kosten van de rechtbank de ontwikkelingspsycholoog drs. J.A.M. Hendriks te benoemen als bijzondere curator om gesprekken te gaan voeren met [minderjarige B] en [minderjarige A].

2.5

Op grond van de inhoud van de stukken en de verklaringen ter zitting overweegt de rechtbank als volgt.

2.5.1

Bijzondere curator

De grootmoeder heeft, naar aanleiding van de inhoud van het raadsrapport en het advies van de raad, verzocht om bovengenoemde ontwikkelingspsycholoog als bijzondere curator te benoemen voor [minderjarige B] en [minderjarige A]. De grootmoeder wil daarmee bereiken dat er alsnog gesprekken met de kinderen worden gevoerd om te zien of ze omgang met de grootmoeder willen.

De moeder en de raad hebben verklaard dat dit thans niet in het belang is van de kinderen omdat die rust nodig hebben. Volgens de moeder willen de kinderen nu ook met niemand over mogelijke omgang met de grootmoeder praten.

Ingevolge artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen over een minderjarige als er een wezenlijk en concreet belangenconflict bestaat tussen de minderjarige en degene die als wettelijk vertegenwoordiger met de verzorging en opvoeding is belast. De rechter mag slechts tot benoeming van een bijzonder curator overgaan, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is, mede gezien de aard van de belangenstrijd tussen de minderjarige en de gezaghebbende ouder.

De grootmoeder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende geconcretiseerd wat naar haar mening de aard en de ernst van het bestaande belangenconflict tussen de moeder en de minderjarige [minderjarige B] en [minderjarige A] betreft en wat die belangenstrijd tussen hen inhoudt, anders dan dat de grootmoeder denkt dat omgang tussen haar en de kinderen in het belang is van de kinderen. De rechtbank heeft ook overigens onvoldoende aanwijzingen dat de kinderen zelf wel contact zouden willen met de grootmoeder en dat hun belangen dus afwijken van die van de moeder. Het hierboven beschreven incident op 17 juni 2014 brengt de rechtbank in ieder geval niet tot een ander oordeel. Deze kinderen hebben er naar het oordeel van de rechtbank thans belang bij dat ze rust krijgen. Het raadsrapport en advies is hierin eveneens duidelijk.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de grootmoeder tot benoeming van een bijzonder curator afwijzen.

2.5.2

Verzoek ontzegging omgang

De rechtbank is van oordeel dat omgang tussen de grootmoeder en haar kleinkinderen [minderjarige A] en [minderjarige B] thans in strijd is met de zwaarwegende belangen van deze kinderen. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken de inhoud van het raadsrapport en de daarin geformuleerde advies. Weliswaar is in het raadsonderzoek niet (nogmaals) met de kinderen gesproken maar er wordt wel een goed beeld geschetst van de huidige situatie. [minderjarige A] is een sociaal emotioneel kwetsbaar kind met een verminderde draagkracht. Zij heeft veel last (gehad) van het huiselijk geweld in de relatie tussen de ouders. Het gaat nu wat beter met haar, mede omdat er wat rust is gekomen. [minderjarige B] had eerder minder last van de spanningen tussen de volwassenen maar wil sinds het laatste incident tussen de grootmoeder en de moeder op 17 juni 2014, waarbij zij heel angstig is geworden, ook geen contact meer met de grootmoeder. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de ernstige spanningen tussen de moeder en de grootmoeder er op dit moment de oorzaak van dat er in het belang van de kinderen geen omgang kan plaatsvinden. De grootmoeder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank dwingend en weinig respectvol op naar de moeder en lijkt onvoldoende de ernst van de gebeurtenissen te begrijpen, haar eigen rol hierin en het effect ervan op de kinderen. De grootmoeder laat haar eigen belang prevaleren. Ze wil hoe dan ook, zelfs zonder een rechterlijke uitspraak af te wachten, weer contact met haar kleinkinderen. Daarbij houdt zij echter onvoldoende de belangen van de kinderen in het oog. Zij ziet, zo blijkt uit het onderzoek door de raad, binnen haar eigen omgangsmomenten bovendien nog een rol voor de vader weggelegd, hetgeen volgens de raad gezien alle gebeurtenissen in het verleden op dit moment absoluut niet reëel is. De vader is bij beschikking van 19 mei 2014 immers de omgang met de kinderen door de rechtbank ontzegd. De moeder is thans psychisch niet in staat om de kinderen te ondersteunen bij mogelijk contact met de grootmoeder. De moeder is intensief in therapie als gevolg van de problematiek met de vader en zij dient de tijd te krijgen om zaken te verwerken en haar angsten kwijt te raken. Door het gedrag van de grootmoeder in de afgelopen periode tegenover de moeder, waarbij de grootmoeder keer op keer voorbij is gegaan aan de psychische gesteldheid van de moeder, is de situatie alleen maar verslechterd. Het resultaat is dat de moeder het niet meer aankan en dringend rust wil, ook voor de kinderen. Ter zitting is nog gebleken dat de moeder wel een mogelijkheid voor omgang met de grootmoeder in de toekomst openhoudt in het belang van de kinderen maar thans moet er volgens de moeder, en de raad, eerst rust komen. De rechtbank ziet dit niet anders.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de moeder tot ontzegging van omgang tussen de grootmoeder en [minderjarige B] en [minderjarige A] dient te worden toegewezen.

2.5.3

Schriftelijke contacten

De rechtbank zal, nu de moeder hier geen bezwaar tegen heeft gemaakt, bepalen dat de grootmoeder eenmaal per maand een kaartje kan sturen naar de kinderen, via de advocaten, mits de grootmoeder ervoor waakt dat de inhoud van die kaartjes de kinderen niet emotioneel belast. De rechtbank acht het raadzaam dat de grootmoeder zich laat adviseren over de wijze waarop zij dit op voor de kinderen onbelaste wijze inhoud kan geven.

De rechtbank acht onvoldoende onderbouwd het verzoek van de grootmoeder dat het schriftelijk contact via de raad of de Stichting Bureau Jeugdzorg zou moeten lopen. De rechtbank zal dit verzoek dan ook passeren.

De rechtbank gaat ervan uit dat de kinderen, indien zij dit wensen, een paar maal per jaar een kaartje of tekening naar de grootmoeder zullen sturen. De rechtbank kan de moeder hiertoe echter niet verplichten omdat het een opdracht via de moeder voor de kinderen zou zijn en de rechtbank het onder de gegeven omstandigheden niet in het belang van de kinderen acht hen hiertoe te verplichten. Daar ontbreekt bovendien een wettelijke basis voor.

3 Beslissing

De rechtbank:

wijzigt de bij beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, thans rechtbank Oost Brabant, van 24 mei 2012 vastgestelde omgangsregeling;

wijst af het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator;

ontzegt de grootmoeder het recht op omgang met de minderjarige kinderen:

-[minderjarige A], geboren te [geboorteplaats], gemeente [gemeente], op [2004] en

-[minderjarige B], geboren te [geboorteplaats], gemeente [gemeente] op [gemeente];

bepaalt dat de grootmoeder eenmaal per maand voornoemde kinderen een kaartje kan sturen, via de advocaten;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.M.A.E. Cornuit, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2014 in tegenwoordigheid van M.J.G. Dorren-Eggen, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.