Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:7053

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
07-08-2014
Zaaknummer
C/03/193056 / FA RK 14-1906
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1:302, tweede lid BW; benoeming Stichting Nidos als (tijdelijk) voogdes bij gezagsvacuüm; blijkens wetsgeschiedenis artikel 1:302 lid 2 BW alleen bedoeld voor alleenstaande minderjarige asielzoekers tijdens de asielprocedure en niet voor (onder meer) onbegeleide minderjarige, uitgenodigde vluchtelingen. In belang minderjarige met oog op integratie in Nederland toch benoeming Stichting Nidos tot voogdes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0218

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 22 juli 2014

Zaaknummer: C/03/193056 / FA RK 14-1906

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de zaak met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [2007],

verder te noemen: [minderjarige],

verblijvende te [verblijfplaats],

kind van:

[moeder], zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, verblijvende te [verblijfplaats],

verder te noemen: de moeder,

en

[vader], zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, verblijvende te [verblijfplaats],

verder te noemen: de vader.

1 Verloop van de procedure

Bij een op 24 juni 2014 ontvangen schrijven heeft de Stichting Nidos, gevestigd te Utrecht (hierna: Nidos), de rechtbank verzocht om, zo nodig ambtshalve, een (tijdelijke) voogd te benoemen over genoemde minderjarige [minderjarige]. Voor het geval Nidos niet bevoegd is dit verzoek te doen, dient het schrijven opgevat te worden als een kennisgeving dat de benoeming van een (tijdelijke) voogd aangewezen is.

De raad voor de kinderbescherming regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht, verder te noemen: de raad, is bij brief van 3 juli 2014 in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen te reageren op het verzoek.

De raad heeft bij schrijven van 9 juli 2014 te kennen gegeven geen raadsonderzoek noodzakelijk te achten.

2 Beoordeling

2.1.

Ingevolge artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) is de rechtbank bevoegd om, al dan niet ambtshalve, te voorzien in de (tijdelijke) voogdij over [minderjarige].

2.2.

Op grond van artikel 1:253r juncto artikel 1:253q van het Burgerlijk Wetboek (BW) dient in het ouderlijk gezag te worden voorzien indien de ouders, al dan niet tijdelijk, in de onmogelijkheid verkeren om het gezag uit te oefenen.

2.3.

De rechtbank is van oordeel dat Nidos niet behoort tot de kring van verzoekers die op grond van artikel 1:253q lid 4 BW bevoegd zijn een verzoek tot benoeming van een (tijdelijke) voogd te doen. De rechtbank zal het verzoek derhalve opvatten als een kennisgeving dat er ambtshalve in het gezag over de minderjarige [minderjarige] dient te worden voorzien.

2.4.

[minderjarige] is op 14 mei 2014 in Nederland aangekomen en heeft een verblijfsvergunning verkregen voor bepaalde tijd tot 13 mei 2019. Hij is nog minderjarig en verblijft hier bij zijn grootouders. Nidos stelt dat de ouders in [verblijfplaats] verblijven op een voor Nidos en de grootouders onbekend adres. De ouders zijn volgens Nidos niet op de hoogte van het verblijf van [minderjarige] en/of van zijn grootouders in Nederland.

De rechtbank concludeert hieruit dat de ouders thans tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen zodat hun gezag van rechtswege is geschorst. Daardoor is er een gezagsvacuüm ontstaan met als gevolg dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat thans wordt voorzien in het gezag over [minderjarige].

2.5.

Nidos is bereid om de voogdij over [minderjarige] uit te oefenen en heeft daartoe een bereidverklaring van 23 juni 2014 overgelegd.

2.6.

Ingevolge artikel 1:302 lid 2 BW kan de rechtbank Nidos tot voogd benoemen over “een minderjarige door of voor wie een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet is ingediend, en in verband daarmee in Nederland verblijft.”

De vraag dient daarom te worden beantwoord of [minderjarige] als erkend vluchteling met een verblijfsvergunning voor vijf jaar valt onder de in artikel 1:302 lid 2 BW bedoelde categorie alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is omdat bovengenoemd artikel gezien de gebruikte bewoordingen duidelijk doelt op alleenstaande minderjarige asielzoekers (tot voor kort AMA’s genoemd) die in verband met hun asielprocedure in Nederland mogen blijven en in het kader daarvan bijstand behoeven. Nidos is door de Minister van Justitie ook aanvaard als rechtspersoon om de voogdij over deze groep minderjarigen uit te oefenen.

De rechtbank vindt hiervoor ook steun in de inhoud van de Memorie van Toelichting (blz 4 kamerstuk nummer 3/ kamerstukken 29822) bij het wetsontwerp tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg (in werking getreden op 1 januari 2005, Stbl 700 jo Stbl 306), waarbij onder meer werd geregeld dat minderjarige asielzoekers onder bepaalde voorwaarden onder toezicht kunnen worden gesteld van Nidos (aanpassing van artikel 1: 254 BW).

De Minister van Justitie vermeldt in bovengenoemde memorie van toelichting in dat verband onder meer dat het dezelfde groep minderjarigen betreft als de categorie die wordt bedoeld in artikel 1:302, tweede lid, BW, namelijk minderjarige vreemdelingen door of voor wie een asielaanvraag is gedaan én die nog in procedure zijn. Van dat laatste is volgens de minister geen sprake indien op de asielaanvraag onherroepelijk, in toewijzende of afwijzende zin, reeds is beslist.

2.7.

De rechtbank is evenwel tevens van oordeel dat Nidos ook ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] de meest aangewezen rechtspersoon is om de voogdij uit te oefenen. In het kader van de asielprocedure is weliswaar geen bijstand meer nodig omdat er bij aankomst in Nederland reeds een vergunning is verleend, maar [minderjarige] heeft wel, evenzeer als minderjarige alleenstaande asielzoekers, intensieve begeleiding nodig om in Nederland goed te kunnen integreren. Dit geldt onder meer voor scholing, (geestelijke) gezondheidszorg, financiën en opbouw van sociale contacten. Indien [minderjarige] onder de voogdij van een Stichting Bureau Jeugdzorg zou vallen, dan zou hij niet de voor hem noodzakelijke begeleiding krijgen omdat deze instelling die expertise eenvoudigweg niet in huis heeft. Hiermee is het belang van [minderjarige] niet gebaat. De uitvoering van de voogdij zou daarnaast zeer waarschijnlijk toch weer, indien mogelijk, opgedragen worden aan Nidos. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat artikel 1:302 lid 2 BW een leemte bevat voor wat betreft de voorziening in de voogdij over minderjarige alleenstaande erkende vluchtelingen en dat het in het belang van [minderjarige] is dat deze bepaling analoog wordt toegepast op [minderjarige].

De rechtbank zal daarom alsnog Nidos benoemen tot voogd over [minderjarige], nu het gezag van de ouders van deze minderjarige van rechtswege is geschorst en zo spoedig mogelijk in het gezag dient te worden voorzien.

3 Beslissing

De rechtbank:

Benoemt met ingang van heden tot voogdes over de minderjarige:

[minderjarige],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [2007],

verblijvende te [verblijfplaats],

de Stichting Nidos,

gevestigd te 3581 CH Utrecht, Maliebaan 99;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.M.A.E. Cornuit, kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. V. Stroeks, griffier op 22 juli 2014

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

  1. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.