Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6953

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-08-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
3209485 CV EXPL 14-7540
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Werkneemster is werkzaam voor een supermarktketen die de zogenoemde ‘Zeven Zekerheden’ hanteert. Één van die zekerheden is dat indien de kassaprijs van een product afwijkt van de schapprijs, het product maximaal één keer gratis wordt meegegeven. Werkneemster is op 16 mei 2014 boodschappen gaan doen bij de supermarkt waar zij normaliter ook werkt. Zij heeft daarbij – onder andere – drie sixpacks Amstel Radler gekocht. Op het schap en op een actiedisplay stond een prijs van € 3,19 per sixpack vermeld. De kassa gaf een prijs aan van € 3,79 per sixpack. Nadat werkneemster haar boodschappen bij de kassa had afgerekend, is zij naar de servicebalie gegaan, omdat er voor wat betreft de zojuist door haar gekochte sixpacks Amstel Radler een verschil tussen de kassaprijs en de prijzen op het actiedisplay en het schap was geconstateerd. Nadat aan de servicebalie geconstateerd werd dat de kassaprijs en de prijzen op het schap en actiedisplay afweken, heeft de medewerkster van de servicebalie de drie sixpacks gratis aan werkneemster meegegeven. Enige uren later is werkneemster wederom boodschappen gaan doen bij de supermarkt waar zij normaliter werkzaamheden verricht. Nadat zij haar boodschappen bij de kassa had afgerekend, heeft zij zich weer bij de servicebalie gemeld. En wederom kreeg zij bij de servicebalie drie sixpacks Amstel Radler gratis mee omdat de kassaprijs afweek van de prijs in het schap en/of de prijs op het actiedisplay. De prijs in het schap van de sixpacks Amstel Radler is vervolgens aangepast, waardoor de schapprijs vanaf dat moment overeenkwam met de kassaprijs. Het actiedisplay bij de sixpacks was evenwel – ten onrechte – nog niet aangepast aan de juiste prijs van € 3,79 per sixpack. Op 17 mei 2014 is werkneemster opnieuw boodschappen bij de supermarkt waar zij normaliter werkte. Bij de kassa heeft zij – onder andere – twee sixpacks Amstel Radler afgerekend. Vanwege het geconstateerde verschil tussen de prijs op het actiedisplay (€ 3,19) en de kassaprijs (€ 3,79), ging werkneemster naar de servicebalie. De medewerkster van de servicebalie heeft van één sixpack het prijsverschil van € 0,60 (€ 3,79 minus € 3,19) aan werkneemster gecompenseerd. De andere sixpack heeft zij gratis aan werkneemster meegegeven. Op 22 mei 2014 is werkneemster op het bovenstaande door de bedrijfsleider aangesproken. Nog diezelfde dag heeft zij een bedrag van € 30,32 (8 x € 3,79) aan haar werkgever terugbetaald. Op 27 mei 2014 is werkneemster op staande voet ontslagen.

Het handelen in strijd met de in art. 7:611 BW neergelegde verplichting om zich als een goed werknemer te gedragen, levert in casu naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen dringende reden op in de zin van art. 7:677 jo. 7:678 BW. De aan werkneemster toegerekende kasverschillen – die naast de hierboven weergegeven transacties met de sixpacks aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd – leveren naar zijn voorshands oordeel evenmin een dringende reden op. Het achterstallige loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en wettelijke rente, is derhalve toewijsbaar. Werkgever heeft een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werkneemster ingediend, welk verzoek gelijktijdig met dit kort geding is behandeld. De vordering tot wedertewerkstelling wordt afgewezen, nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk – vanwege het ontbreken van het noodzakelijke vertrouwen voor een verdere vruchtbare samenwerking – per 1 oktober 2014 wordt ontbonden, zonder toekenning van een vergoeding naar billijkheid aan werkneemster. Werkneemster heeft niet gesteld dat zij een bijzonder belang heeft bij een (zo) korte hervatting van haar werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/648
Prg. 2014/251
RAR 2014/162

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 3209485 CV EXPL 14-7540

MD

Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 4 augustus 2014

in de zaak van:

[eiseres] ,

wonend [adres 1],

[woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde A.J.S. de Hullu, juriste te Berkel-Enschot,

tegen:

[gedaagde] , handelend onder de naam

[naam vestiging] ,

wonend en zaakdoend te [woonplaats en vestigingsplaats],

gedaagde partij,

gemachtigde mr. drs. A.M. Slootweg, advocaat te Veenendaal.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- een exploot van dagvaarding met producties,

- een pleitnota zijdens [gedaagde],

- een pleitnota zijdens [eiseres],

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 22 juli 2014, alwaar gelijktijdig met dit kort geding het door [gedaagde] ingediende verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiseres] (hier bekend onder zaaknummer 3176038 AZ VERZ 14-161) is behandeld. De inhoud van de in de verzoekschriftprocedure overgelegde processtukken, waaronder het verzoekschrift tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met bijlagen, de aanvullende bijlage van [gedaagde], het verweerschrift met bijlage van [eiseres] en de door de gemachtigden van beide partijen overgelegde pleitnota’s, is bij de behandeling en beoordeling van dit kort geding betrokken.

1.2.

Partijen zijn tot uiterlijk 28 juli 2014 in de gelegenheid gesteld om een regeling te beproeven. Ter zitting is afgesproken dat vonnis wordt gewezen indien voor die datum geen bericht ter griffie van deze rechtbank zou zijn binnengekomen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak op vandaag is gesteld.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, het volgende vast.

2.2.

[eiseres], geboren op [geboortedatum 1], is op 10 februari 2009 krachtens arbeidsovereenkomst bij [gedaagde] in dienst getreden. Laatstelijk heeft zij gewerkt als verkoopmedewerkster in de vestiging van [gedaagde] aan de [adres 2] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam vestiging]), tegen een loon van € 1.839,75 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Levensmiddelenbedrijf van toepassing. Door ondertekening van de arbeidsovereenkomst heeft [eiseres] verklaard het bedrijfsreglement – dat onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst tussen partijen – te hebben ontvangen en met de inhoud daarvan akkoord te gaan.

2.3.

In de periode voor haar zwangerschap werkte [eiseres] op de vlees-, brood- en kaasafdeling van [gedaagde]. In september 2013 is [eiseres] uitgevallen wegens aan zwangerschap gerelateerde gezondheidsklachten.

2.4.

Op 28 april 2014 is [eiseres] teruggekeerd na een periode van zwangerschapsverlof. Haar functie op de vlees-, brood- en kaasafdeling was op het moment van terugkeer niet meer beschikbaar, waardoor zij werd ingezet op de groenteafdeling. Na twee weken bleek dat dit werk voor [eiseres] (fysiek) te zwaar was. Hierna ging [eiseres] werken als caissière bij [naam vestiging].

2.5.

Op 13 mei 2014 heeft [eiseres] zich ziek gemeld. De dag erna verscheen zij weer op het werk.

2.6.

Op vrijdag 16 mei 2014 is [eiseres] boodschappen gaan doen bij [naam vestiging]. Zij heeft daarbij – onder andere – drie sixpacks Amstel Radler gekocht. Op het schap en op een actiedisplay stond een prijs van € 3,19 per sixpack vermeld. De kassa gaf een prijs aan van € 3,79 per sixpack.

2.7.

[gedaagde] kent de zogenoemde “Zeven Zekerheden”. Een van die zekerheden is dat indien de kassaprijs van een product afwijkt van de schapprijs, het product maximaal één keer gratis wordt meegegeven.

2.8.

Nadat [eiseres] haar boodschappen op 16 mei 2014 bij de kassa had afgerekend, is zij naar de servicebalie gegaan, omdat er voor wat betreft de zojuist door haar gekochte sixpacks Amstel Radler een verschil tussen de kassaprijs en de prijzen op het actiedisplay en het schap was geconstateerd. Aan de servicebalie werd [eiseres] geholpen door [naam medewerkster 1] (parttime-medewerkster met een nul-urencontract). [naam medewerkster 1] heeft DKW-medewerker [naam medewerker] laten uitzoeken of de kassaprijs en de prijzen op het schap en het actiedisplay onderling afweken. [naam medewerker] heeft geconstateerd dat dit het geval was. [naam medewerkster 1] heeft vervolgens drie sixpacks gratis aan [eiseres] meegegeven.

2.9.

Enige uren later is [eiseres] wederom boodschappen gaan doen bij [naam vestiging]. Nadat zij haar boodschappen bij de kassa had afgerekend, heeft zij zich wederom bij de servicebalie gemeld. En wederom kreeg zij bij de servicebalie drie sixpacks Amstel Radler gratis mee omdat de kassaprijs afweek van de prijs in het schap en/of de prijs op het actiedisplay.

2.10.

De prijs in het schap van de sixpacks Amstel Radler is vervolgens aangepast, waardoor de schapprijs vanaf dat moment overeenkwam met de kassaprijs. Het actiedisplay bij de sixpacks was evenwel – ten onrechte – nog niet aangepast aan de juiste prijs van € 3,79 per sixpack.

2.11.

Op zaterdag 17 mei 2014 is [eiseres] opnieuw boodschappen bij [naam vestiging] gaan doen. Bij de kassa heeft zij – onder andere – twee sixpacks Amstel Radler afgerekend. Vanwege het geconstateerde verschil tussen de prijs op het actiedisplay (€ 3,19) en de kassaprijs (€ 3,79), ging [eiseres] naar de servicebalie. Aan de servicebalie was op dat moment weekendhulp [naam medewerkster 2] werkzaam. [naam medewerkster 2] heeft van één sixpack het prijsverschil van € 0,60 (€ 3,79 minus € 3,19) aan [eiseres] gecompenseerd. De andere sixpack heeft zij gratis aan [eiseres] meegegeven.

2.12.

Op 22 mei 2014 heeft [eiseres] een gesprek gehad met [naam bedrijfsleider] (bedrijfsleider), waarbij het bovenstaande is besproken. Daarvan is een verslag opgemaakt, dat door [naam bedrijfsleider] en [eiseres] is ondertekend. In dat verslag staat onder meer: “(…) zij (kantonrechter: [eiseres]) heeft het product (kantonrechter: sixpacks Amstel Radler) twee keer (kantonrechter: eerste transactie op 16 mei 2014 en tweede maal op 17 mei 2014) gratis mee naar huis genomen, dit is absoluut niet de bedoeling als werknemer van dit bedrijf. (zie ook huishoudelijk reglement art. 16). (…)”.

2.13.

Art. 16 (“diefstal door de werknemer”) van het bedrijfsreglement luidt:

“Wij gaan er vanuit dat iedereen in ons bedrijf eerlijk is. Toch blijkt uit onderzoek dat een belangrijk deel van de winkeldiefstallen wordt gepleegd door eigen medewerkers. Om diefstal c.q. fraude door eigen medewerkers zoveel mogelijk te voorkomen, dient iedereen oplettend te zijn op het gedrag van collega’s. Je spreekt in voorkomende gevallen je collega aan op gedrag dat afwijkt van de in dit reglement opgestelde regels.

Onder interne diefstal verstaan we onder meer:

  • -

    Het stelen van eigendommen van [naam vestiging], klanten en collega’s;

  • -

    Geld stelen uit de kassa of kluis;

  • -

    Afprijzen ten bate van collega’s die vervolgens aankopen;

  • -

    Afprijzen ten bate van vrienden en familieleden;

  • -

    Het niet aanslaan van artikelen ten bate van wie dan ook;

  • -

    Het zonder toestemming meenemen van verpakkingsmaterialen;

  • -

    Derving mag in geen enkel geval mee naar huis genomen worden, dit is direct diefstal en reden tot ontslag.

Bij bewezen diefstal door de werknemer volgt onherroepelijk ontslag op staande voet (art. 7:678 van het burgerlijk wetboek). Voor werknemers bestaat het recht om dit ontslag aan te vechten.

In het kader van preventie kan bij het verlaten van de winkel de medewerker gevraagd worden om de inhoud van tas(sen) en zakken te laten controleren (visitatie). De medewerker is verplicht hieraan mee te werken.”

2.14.

Op 22 mei 2014 heeft [eiseres] een bedrag van 8 x € 3,79 (€ 30,32) aan [gedaagde] terugbetaald. Deze terugbetaling heeft via de servicebalie van [naam vestiging] plaatsgevonden.

2.15.

Op 26 mei 2014 is [gedaagde] teruggekeerd van vakantie. Nog diezelfde dag heeft er een gesprek tussen [naam medewerkster 3] (functie onbekend), [eiseres] en [gedaagde] plaatsgevonden. In dat gesprek is aan [eiseres] meegedeeld dat zij met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld was.

2.16.

Op 27 mei 2014 is [eiseres] op staande voet ontslagen. Bij brief van 28 mei 2014 is deze onverwijlde opzegging schriftelijk door [gedaagde] bevestigd. In die brief staat, voor zover hier van belang:

“(…)

Op 9 mei jl. heeft u in een onderhoud met uw werkgever meegedeeld dat u niet langer bent gemotiveerd voor uw werkzaamheden en dat u geen vertrouwen meer heeft in uw werkgever. Uw werkgever heeft daarop aangegeven deze visie niet te delen en het dienstverband met u te willen voortzetten. Kort hierna is uw gebrek aan loyaliteit echter in ernstige mate gebleken, uit een tweetal praktische omstandigheden:

1. Op 22, 23 en 24 mei heeft u tot drie keer toe een kassaverschil van respectievelijk € 4,95,

€ 16,10 en € 14,55. U bent hiermee op maandag 26 mei jl. door uw werkgever geconfronteerd. U stelt dat dit door anderen zou zijn veroorzaakt die op uw account hebben gewerkt. Zoals uw werkgever u op 26 mei jl. ook heeft meegedeeld, kunt u zich hiermee nooit excuseren. Als anderen op uw account werken, blijft u namelijk verantwoordelijk.

2. Geconstateerd is dat u op 16 mei jl. drie sixpacks bier met afwijkende schapprijs gratis heeft meegenomen en op 17 mei jl. één sixpack bier. Bij [gedaagde] krijgen klanten die constateren dat de prijs die bij het schap staat aangegeven, afwijkt van de prijs die in de computer staat, het betreffende artikel maximaal eenmaal gratis mee. Dit is onderdeel van de zogeheten ‘Zeven Zekerheden’. U heeft niets gezegd toen de caissière ze alle drie gratis meegaf. Sterker nog, u heeft de volgende dag nog een extra sixpack ‘gekocht’, dat u opnieuw gratis meekreeg.

U heeft, met name vanwege de gang van zaken rondom de sixpack bier, het vertrouwen van uw werkgever in ernstige mate geschonden. Vooral het feit dat u op 17 mei jl. opnieuw een sixpack gratis meeneemt, valt u in ernstige mate te verwijten. Wanneer alle medewerkers op zoek gaan naar afwijkende schapprijzen en de betreffende artikelen meerdere malen gratis gaan meenemen, kan [naam vestiging] zijn deuren wel sluiten, gezien de enorme financiële consequenties die dit zou hebben,

Het voorgaande leidt ertoe dat [naam vestiging] het dienstverband met u geen moment langer wenst voort te zetten. Bij deze deel ik u daarom nogmaals mee dat u met ingang van 27 mei 2014 op staande voet bent ontslagen. Cliënte (kantonrechter: [gedaagde]) acht in deze de gang van zaken volstrekt onaanvaardbaar en neemt deze hoog op.

(…)”.

2.17.

Het “Reglement Caissière”, luidt, voor zover hier van belang:

“(…)

Elke caissière heeft een eigen Lade en draait hier ook als enige op. In overleg met elkaar mag er gedraaid worden op elkaars Lade, maar de caissière van wie de Lade is, is er ten alle tijden verantwoordelijk voor.

Postla & DKW la zijn hier een uitzondering op.

(…)

Verschillen van - € 3,- of + € 3,- in de kassalade worden niet getolereerd.

(…)

Bij het niet naleven van de bovenstaande punten volgt er een schriftelijke waarschuwing

Bij 3 waarschuwingen binnen het tijdsbestek van een half jaar volgt er een gesprek.”

2.18.

[eiseres] heeft ten slotte de vernietigbaarheid van de opzegging op de voet van art. 9 BBA ingeroepen en zich beschikbaar gesteld voor eigen werk.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten, om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen:

I. haar weder te werk te stellen in haar eigen functie binnen twee dagen na betekening

van het in deze zaak te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft;

II. tot betaling van het achterstallige loon over de periode 16 juni 2014 tot en met 30 juni 2014 ad € 1.011,86 bruto;

III. tot betaling van het volledige loon van € 1.839,75 bruto per maand vanaf

9 juli 2014 (dag der dagvaarding) tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

IV. tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% over voormelde bedragen;

V. tot betaling van de wettelijke rente vanaf 16 juni 2014;

VI. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 151,78;

VII. tot betaling van de kosten van dit geding.

3.2.

Voor de grondslag van de vorderingen van [eiseres] wordt kortheidshalve verwezen naar de hiervoor weergegeven feiten en hetgeen daaromtrent in het exploot van dagvaarding, de pleitnota en anderszins ter zitting is aangevoerd.

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vorderingen van [eiseres] tot betaling van het achterstallige loon (inclusief de daarmee samenhangende nevenvorderingen) zijn naar haar aard spoedeisend.

4.2.

De kantonrechter stelt voorop dat in het kader van de onderhavige procedure beoordeeld dient te worden of de vorderingen van [eiseres] in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat – vooruitlopend daarop – toewijzing van de door haar gevorderde onmiddellijke voorzieningen gerechtvaardigd is. Daarbij dient de kantonrechter uit te gaan van de feiten met de beperkte onderzoeksmogelijkheden die het kort geding hem biedt, aangezien formele bewijslevering in een dergelijke procedure in beginsel niet plaatsvindt.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat aan het vereiste van onverwijlde opzegging wegens de door de [gedaagde] aangevoerde dringende redenen, onder gelijktijdige mededeling van die redenen aan [eiseres], is voldaan.

4.4.

Derhalve dient voorshands te worden beoordeeld of de door [gedaagde] aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende redenen, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, meebrengen dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd om de arbeidsovereenkomst met [eiseres] te laten voortduren.

De sixpacks

4.5.

Alhoewel vaststaat dat [eiseres] op 16 mei 2014 voor de tweede maal boodschappen is gaan doen bij [gedaagde] en bij de servicebalie wederom drie sixpacks Amstel Radler gratis heeft meegekregen, is deze omstandigheid blijkens de brief d.d. 28 mei 2014 waarin het ontslag op staande voet van 27 mei 2014 door [gedaagde] wordt bevestigd, niet aan de opzegging wegens dringende redenen ten grondslag gelegd. Ingevolge vaste jurisprudentie dient door de (kanton)rechter te worden getoetst of de omstandigheden die aan die dringende reden(en) ten grondslag zijn gelegd, het ontslag op staande voet rechtvaardigen. Ten aanzien van het voor de tweede maal op 16 mei 2014 meekrijgen van drie gratis sixpacks, is niet voldoende aannemelijk dat ook deze gedraging aan het ontslag op staande voet van [eiseres] ten grondslag is gelegd. De omstandigheid dat [gedaagde] ter zitting heeft gesteld dat zij pas later op de hoogte kwam van deze tweede transactie op die dag, komt voor risico van [gedaagde]. [eiseres] heeft namelijk op 22 mei 2014 een bedrag van € 30,32 (8 x € 3,79) aan [gedaagde] terugbetaald ter vergoeding van de door haar gratis meegekregen sixpacks. Gelet op de omvang van de restitutie, had voor [gedaagde] duidelijk moeten althans kunnen zijn dat dit bedrag niet alleen betrekking kon hebben op de eerste transactie op 16 mei 2014 (drie sixpacks ad € 3,79 gratis meegekregen) en de transactie op 17 mei 2014 (een sixpack ad

€ 3,79 gratis meegekregen en van een ander sixpack prijsverschil ad € 0,60 door medewerkster servicebalie gecompenseerd). Bovendien is [eiseres] op 26 mei 2014 op non-actief gesteld, zodat die non-actiefstelling [gedaagde] de mogelijkheid bood om desgewenst nader onderzoek naar de gang van zaken omtrent de sixpacks te doen. Nu het voor de tweede maal gratis meekrijgen van de sixpacks op 16 mei 2014 een omstandigheid is die niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd, wordt deze omstandigheid niet meegewogen bij de vraag of het ontslag op staande voet naar voorlopig oordeel terecht is gegeven. Om die reden kan in het midden blijven of [eiseres] – zoals zij zelf stelt, maar niet uit het ondertekende gespreksverslag van 22 mei 2014 met [naam bedrijfsleider] blijkt – in dat gesprek heeft gemeld dat zij op 16 mei 2014 nog een tweede maal gratis sixpacks heeft meegekregen.

4.6.

[gedaagde] heeft ter zitting uitvoerig betoogd dat het handelen van [eiseres] valt onder de reikwijdte van art. 16 van het bedrijfsreglement. Minst genomen is de handelwijze van [eiseres] in strijd met de strekking van dit artikel uit het bedrijfsreglement, aldus [gedaagde].

De kantonrechter volgt [gedaagde] daarin niet. Het onderhavige geval valt niet onder één van de voorbeelden die in art. 16 bedrijfsreglement is genoemd. Weliswaar zijn die voorbeelden blijkens de woorden “onder meer” niet limitatief, maar de in dat artikel genoemde voorbeelden vallen wel allemaal onder de kop “interne diefstal”. Daarvan is in het geval van [eiseres] echter geen sprake, nu zij zowel op 16 als op 17 mei 2014 alle boodschappen bij de kassa heeft afgerekend. Nadat geconstateerd was dat er een verschil bestond tussen de kassaprijs en de prijs op het schap en/of actiedisplay, heeft [eiseres] zich bij de servicebalie gemeld. Pas nadat de betreffende medewerkers aan de servicebalie daartoe akkoord gaven – waarbij op 16 mei 2014 door medewerkster [naam medewerkster 1] nog navraag bij DKW-medewerker [naam medewerker] was gedaan – heeft [eiseres] de sixpacks gratis meegekregen. Dat is een wezenlijk andere situatie dan het geval waarin [eiseres] zelf zou hebben besloten om de sixpacks zonder te betalen mee te nemen. Dat [eiseres] door haar handelwijze in strijd met de strekking van art. 16 heeft gehandeld – waarbij [gedaagde] als uitgangspunt neemt dat op grond van art. 16 ieder benadelen van de werkgever niet is toegestaan – is op grond van hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd, onvoldoende aannemelijk geworden. Bovendien lijkt [gedaagde] met haar betoog op dit punt te miskennen dat in de ontslagbrief – in de hiervoor onder feiten geciteerde delen van die brief of in enige andere overweging – met geen woord gerept wordt van diefstal en/of fraude zijdens [eiseres] of handelen in strijd met art. 16 van het bedrijfsreglement. Blijkens de brief van 28 mei 2014 waarin het ontslag op staande voet aan [eiseres] wordt bevestigd, is de dringende reden namelijk gelegen in het feit dat [eiseres] als werknemer van [gedaagde] misbruik van één van de “Zeven Zekerheden” heeft gemaakt. De “Zeven Zekerheden” gelden immers alleen voor reguliere klanten (en niet voor haar eigen werknemers), aldus [gedaagde].

4.7.

Ter zitting heeft de kantonrechter al te kennen gegeven dat de handelwijze van [eiseres] niet is zoals een goed werkneemster betaamt. Op 16 mei 2014 had [eiseres] via de servicebalie gratis sixpacks meegekregen. Het ging dan ook niet aan om de volgende dag nogmaals gratis sixpacks bij de servicebalie te claimen. Van een goed werkneemster mocht worden verwacht dat, nadat de verschillen tussen de kassaprijs en de prijs op het schap en/of actiedisplay waren geconstateerd, niet de dag daarna nogmaals om dezelfde reden een claim uit te oefenen. Zodra [eiseres] op 17 mei 2014 had geconstateerd dat er nog steeds een onjuiste prijs op het actiedisplay vermeld stond, had het op haar weg gelegen om haar collega’s daarop te attenderen en de prijs op het actiedisplay te laten aanpassen, om zo te voorkomen dat er sixpacks Amstel Radler gratis aan klanten werden meegegeven. Overigens is niet in geschil dat ook de foutieve prijs op een actiedisplay recht geeft op het gratis meekrijgen van maximaal één gratis artikel (de “Zeven Zekerheden” spreken immers alleen van schapprijs). Dat [eiseres] met de terugbetaling aan [gedaagde] van een bedrag van

€ 30,32 op 22 mei 2014 heeft ingezien dat zij fout zat, kan achteraf geen rechtvaardiging voor haar gedragingen op 16 althans 17 mei 2014 vormen. De omstandigheid dat uit de “Zeven Zekerheden” niet expliciet blijkt dat werknemers van [gedaagde] zich daarop niet kunnen beroepen, kan evenmin een rechtvaardiging voor haar gedragingen opleveren.

4.8.

Het handelen in strijd met de in art. 7:611 BW neergelegde verplichting om zich als een goed werknemer te gedragen, levert in casu evenwel naar voorlopig inzicht van de voorzieningenrechter geen dringende reden op in de zin van art. 7:677 jo. 7:678 BW.

De kasverschillen

4.9.

Door [gedaagde] is een waarschuwing d.d. 24 mei 2014 overgelegd, die luidt:

“Waarschuwing

24/05/2014
Afdeling Kassa

Gegeven door [naam medewerkster 4] (kantonrechter: hoofdcaissière [gedaagde])

Gegeven aan [eiseres], vanwege kassaverschil.

Dit wordt getekend zowel door de afdelingsverantwoordelijke als de medewerker.

22/05: € 4,95

23/05: € 16,10

24/05: € 14,55”.

Ter zitting is gebleken dat het kasverschil van € 16,10 ziet op een bedrag dat te veel in de kassa van [eiseres] is aangetroffen. Op die dag heeft zich namelijk een klant gemeld die meldde dat zij “€ 16,00” te weinig wisselgeld van [eiseres] had teruggekregen. [gedaagde] leidt hieruit af dat [eiseres] inderdaad een bedrag van “€ 16,00” (in werkelijkheid € 16,10) te weinig aan deze klant heeft teruggegeven. Het hebben van een overschot van € 16,10 in de la is in strijd met het Reglement Caissière, waarin staat dat ook een bedrag van + € 3,- in de kassalade (niet zijnde een postlade of DKW-lade) niet wordt getolereerd. De bedragen van

€ 4,95 en € 14,55 zien volgens [gedaagde] op kastekorten in de la van [eiseres].

4.10.

Ter zitting heeft de kantonrechter [gedaagde] gevraagd of de hiervoor vermelde kasverschillen zorgvuldig zijn vastgesteld. Er zijn door [gedaagde] namelijk geen onderliggende producties (bijvoorbeeld tellingen van de desbetreffende kassalades) overgelegd ter staving van de in de waarschuwing vermelde kasverschillen. Bovendien staat vast dat op de lade van de kassa die [eiseres] draaide, ook andere caissières werkzaam waren en dat binnen [naam vestiging] de praktijk was dat de kassalade alleen door de hoofdcaissière, buiten aanwezigheid van de caissière die voornamelijk op die kassalade had gedraaid, werd geteld. Van doorslaggevend belang is echter dat, anders dan de waarschuwing van [naam medewerkster 4] wil doen voorkomen, deze waarschuwing niet door [eiseres] is ondertekend ten bewijze van erkenning van de juistheid van die kasverschillen. [eiseres] heeft er terecht op gewezen dat uit het Reglement Caissière volgt dat bij het niet-naleven van de in dat reglement neergelegde regels, een schriftelijke waarschuwing volgt. Bij drie waarschuwingen binnen het tijdsbestek van een halfjaar volgt er een gesprek. De handelwijze van [gedaagde] strookt dus niet met de gangbare procedure, nu niet is gebleken dat [eiseres] in een gesprek op de beweerde kasverschillen is aangesproken. Dat er bij [eiseres] in de periode vóór 22 mei 2014 kasverschillen zijn geconstateerd en dat zij daarop is aangesproken, is niet door [gedaagde] gesteld. Onder deze omstandigheden is de kantonrechter voorshands van oordeel dat de aan [eiseres] toegerekende kasverschillen ook geen dringende reden kunnen opleveren.

Conclusie ten aanzien van loonvordering en daaraan verwante vorderingen

4.11.

Afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien, zijn de gedragingen van [eiseres] naar voorlopig inzicht voldoende ernstig om aan te nemen dat er sprake is van een dringende reden die in een (eventuele) bodemprocedure stand zal houden.

4.12.

Alhoewel het ontslag op staande voet op 27 mei 2014 is gegeven, heeft [eiseres] blijkens het lichaam en het petitum van haar exploot van dagvaarding expliciet het loon gevorderd vanaf 16 juni 2014. Nu door [gedaagde] niet is weersproken dat het achterstallige loon over de periode 16 juni 2014 tot en met 30 juni 2014 € 1.011,86 bruto bedraagt, is dit bedrag toewijsbaar. De niet betwiste (maximale) wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW over dit bedrag is eveneens toewijsbaar. Datzelfde geldt voor de wettelijke rente, met dien verstande dat deze toewijsbaar is vanaf 1 juli 2014. De vordering tot betaling van het loon vanaf 1 juli 2014 is in dit geval toewijsbaar tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd. De arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt immers in ieder geval beëindigd per 1 oktober 2014 (de dag waartegen de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk, voor het geval deze niet reeds op 27 mei 2014 is geëindigd, zal worden ontbonden). De kantonrechter verwijst dienaangaande naar de beschikking van heden tussen partijen in de zaak met zaaknummer 3176038 AZ VERZ 14-161. De loonvordering zal daarom tot 1 oktober 2014 worden toegewezen. De wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en de wettelijke rente over de nog niet eerder opeisbare loonbedragen (die voor de maanden, juli, augustus en september 2014) komen voorshands nog niet voor toewijzing in aanmerking.

Wedertewerkstelling

4.13.

De vordering van [eiseres] tot (kort gezegd) wedertewerkstelling zal worden afgewezen. Zoals reeds vermeld, zal de arbeidsovereenkomst tussen partijen namelijk voorwaardelijk, voor het geval zij niet reeds op 27 mei 2014 is geëindigd, worden ontbonden per 1 oktober 2014. Door [eiseres] is niet gesteld dat zij een bijzonder belang heeft bij een (zo) korte hervatting van haar werk. Bovendien is ter zitting gebleken dat het voor een vruchtbare samenwerking noodzakelijke vertrouwen ontbreekt, zodat [gedaagde] om die reden er een overwegend belang bij heeft dat [eiseres] niet meer op de werkvloer terugkeert.

Buitengerechtelijke kosten

4.14.

De vordering ter zake van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, nu door [eiseres] niet is gesteld welke werkzaamheden – anders dan ter voorbereiding van de procedure – door [eiseres] of haar gemachtigde zijn verricht. Een afzonderlijke vergoeding, naast de proceskostenveroordeling, is mitsdien niet gerechtvaardigd.

Proceskosten

4.15.

[gedaagde] zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

exploot van dagvaarding en leges: € 106,43

griffierecht: € 77,00

salaris gemachtigde: € 600,00 (nieuw tarief conform LOVCK-besluit van 9 december 2013)

totaal: € 783,43

5 De beslissing

De kantonrechter als voorzieningenrechter in kort geding,

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van het achterstallige loon over de periode 16 juni 2014 tot en met 30 juni 2014 ad € 1.011,86 bruto plus € 505,93 bruto, de som

te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf 1 juli 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] verder tot betaling aan [eiseres] van het loon over de periode

1 juli 2014 tot 1 oktober 2014 naar een maandelijks bedrag van € 1.839,75 bruto;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op een bedrag van € 783,43;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.