Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6921

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-08-2014
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
AWB-13_3531u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1270, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wob, artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, d en g van de Wob, onderlinge prijsafspraken, concurrent, gunningsbedragen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/3531

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2014 in de zaak tussen

[eiser], te Helmond, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray, verweerder

(gemachtigde: mr. M.W.H. Verheijen).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ter verkrijging van het inschrijfformulier van de [naam VOF] voor de kermis 2013 te Venray, gedeeltelijk ingewilligd.

Bij besluit van 29 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2014, alwaar eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij brief van 27 mei 2013 heeft eiser verweerder op grond van de Wob verzocht om een kopie van het inschrijfformulier van de [naam VOF] met hun attractie Babysport voor een plaats op de kermis 2013 in Venray. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef, onder b, van de Wob en artikel 10, tweede lid, aanhef, onder d en onder g, van de Wob gedeeltelijk ingewilligd. Verweerder heeft een kopie van het desbetreffende inschrijfformulier aan eiser doen toekomen, maar heeft daarbij het banknummer, het telefoonnummer en het e-mailadres van de [naam VOF] onleesbaar gemaakt omwille van hun bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Verder heeft verweerder het bedrag van de inschrijving, zoals ingevuld op het bewuste formulier, gelet op economische en financiële belangen van de gemeente en de onevenredige bevoordeling van onderlinge gegadigden, onleesbaar gemaakt.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften, ongegrond verklaard.

3.

Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft aangevoerd dat verweerder ook het door de [naam VOF] geboden inschrijvingsbedrag openbaar had dienen te maken. Daaruit zou blijken dat het inschrijvingsbedrag dat eiser heeft voldaan het hoogst is, hetgeen tot gevolg heeft dat verweerder aan eiser een standplaats had dienen te gunnen voor de kermis in Venray in 2013, 2014 en 2015. De (hoge) kwaliteit van eisers attractie staat immers vast. Bovendien heeft eiser meer reclamegeld betaald dat de [naam VOF], zodat ook om die reden de standplaats aan hem diende te worden toegekend. Verweerder heeft volgens eiser artikel 1 van de Grondwet geschonden.

4.

De rechtbank stelt voorop dat zij in dit geding dient te beoordelen of verweerder het verzoek van eiser van 27 mei 2013 om volledige openbaarmaking van het inschrijfformulier van de [naam VOF] op grond van het bepaalde in de Wob heeft mogen weigeren. De vraag of verweerder aan eiser op grond van de algemene voorwaarden van de gemeente Venray een standplaats had dienen te gunnen voor de kermis in 2013, 2014 en 2015 ligt hier dus niet ter beoordeling voor. Voor zover eiser heeft beoogd te stellen dat verweerder artikel 1 van de Grondwet heeft geschonden omdat sprake is van ongelijke behandeling bij het gunnen van de standplaats voor de kermis, kan deze grond reeds hierom niet slagen.

5.

De rechtbank stelt op grond van het beroepschrift en het verhandelde ter zitting vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder het verzoek van eiser om openbaarmaking van het inschrijfformulier, voor zover dat ziet op de persoonlijke gegevens van de [naam VOF], gedeeltelijk heeft kunnen weigeren op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob. Wat partijen wel verdeeld houdt is de vraag of verweerder openbaarmaking van het bedrag aan inschrijfgeld zoals vermeld op het bewuste formulier op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef, onder b en onder g, van de Wob heeft kunnen weigeren. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

6.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

(…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

7.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state dient het recht op openbaarmaking op grond van de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Bij de in het kader van de Wob te verrichten belangenafweging worden enkel het algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de door de weigeringsgronden te beschermen belangen betrokken. De vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de redelijkheidstoetsing overeenkomstig artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.

8.

Aan zijn standpunt dat het verzoek gedeeltelijk moet worden afgewezen op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef, onder b en onder g, van de Wob heeft verweerder in het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat openbaarmaking van de inschrijfgelden van negatieve invloed zal zijn op de hoogte van de jaarlijkse verpachtingen van de kermis. Gegadigden kunnen bij het bepalen van de hoogte van het inschrijvingsbedrag rekening houden met de te verwachten hoogte van de inschrijving van de concurrentie op basis van eerder bekend gemaakte gegevens. Daarbij kunnen door bekendmaking onderlinge prijsafspraken worden gemaakt. Tevens kan openbaarmaking onevenredige bevoordeling van de ene concurrent versus de andere concurrent hebben doordat gegadigden en eerdere gunningsbedragen bekend zijn gemaakt. Het mislopen van gelden en oneerlijke concurrentie versus de overige gegadigden weegt volgens verweerder niet op tegen het belang van eiser.

9.

De rechtbank stelt vast dat eiser voornoemde overwegingen van verweerder als zodanig niet heeft bestreden. Gelet hierop en gelet op voornoemde afweging van verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van openbaarmaking van de gevraagde informatie niet opweegt tegen de economische of financiële belangen van de gemeente Venray en het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling van gegadigden. De rechtbank betrekt voorts bij haar oordeel dat verweerder te kennen heeft gegeven dat bij het gunnen van een standplaats voor de kermis niet enkel de hoogte van het inschrijfbedrag van (doorslaggevend) belang is, maar ook andere factoren zoals de diversiteit en de kwaliteit van de attracties. Eiser zou bij openbaarmaking van de hoogte van het inschrijfbedrag dus nog immer niet bekend zijn met alle overwegingen die verweerder betrokken heeft bij de gunning van de standplaats aan de [naam VOF].

10.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder eisers verzoek om volledige openbaarmaking van het inschrijfformulier van de [naam VOF] terecht en op goede gronden gedeeltelijk afgewezen.

11.

Het beroep is ongegrond

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.A.J. Wenders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

4 augustus 2014.

w.g. S. Wenders,

griffier

w.g. M.C.M. Hamer,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 4 augustus 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.