Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6891

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
01-09-2014
Zaaknummer
C/03/194412 / KG ZA 14-414
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Huurder vordert schorsing van de tenuitvoerlegging tot ontruiming van de woning totdat in hoger beroep op een door hem in te stellen incidentele vordering ex art. 351 Rv is beslist.

Vordering afgewezen, geen sprake van misbruik van recht, dan wel van een juridische of feitelijke kennelijke misslag van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die klaarblijkelijk een noodtoestand voor huurder doen ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/194412 / KG ZA 14-414

Vonnis in kort geding van 31 juli 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg a/d Geul,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. R.Ph.E.M. Cratsborn te Meerssen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling op 28 juli 2014 te 11.00 uur

  • -

    de pleitnota van eiser

  • -

    de pleitnota van gedaagde.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van de kantonrechter van 16 juli 2014, met zaaknummer 2781712 \ CV EXPL 14-1543, hierna te noemen: het ontbindingsvonnis, is de huurovereenkomst tussen eiser ([eiser]) als huurder en gedaagde ([gedaagde]) als verhuurster met betrekking tot het woonhuis met aanhorigheden aan de Kasennerweg 3A te [woonplaats], hierna genoemd de woning, ontbonden en [eiser] – samengevat- veroordeeld:

  1. tot ontruiming van de woning;

  2. tot betaling van € 24.762 aan achterstallige huurtermijnen van 1 april 2009 tot 1 maart 2014, € 540 aan achterstallige huurprijsverhoging over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2009, € 3.7897,90 aan buitengerechtelijke incassokosten en een bedrag van € 444 voor elke maand of gedeelte daarvan vanaf 1 maart 2014 tot de dag van ontruiming, al deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente;

  3. tot betaling van de proceskosten van Smeets ad € 2.935,80.

2.2.

Bij deurwaardersexploten van 17 juli 2014 is voornoemd vonnis aan eiser betekend en heeft gedaagde bevel laten doen aan eiser om binnen twee dagen nadien tegen kwijting te betalen een totaalbedrag van € 34.439,61, alsmede de verschuldigde huurtermijnen ad

€ 444,00 vanaf 1 augustus 2014 pro memorie en om binnen 14 dagen nadien de woning te verlaten en te ontruimen, onder aanzegging van een gedwongen gerechtelijke ontruiming op maandag 4 augustus 2014 om 11.00 uur.

2.3.

Eiser heeft op 24 juli 2014 aan de deurwaarder betaald een bedrag van € 23.874,00 wegens de ‘gestelde’ huurachterstand, de achterstallige huurprijsverhoging en een bedrag voor proceskosten.

2.4.

Vanaf 11 januari 2014 heeft eiser maandelijks een bedrag betaald van € 2.416,00, soms onder vermelding van ‘pacht’ dan wel ‘pacht + vergoedingen’ met in juni en juli 2014 met toevoeging van de betreffende maand.

2.5.

Eiser heeft op 25 juli 2014 een appeldagvaarding doen betekenen aan gedaagde in persoon voor de zitting bij het gerechtshof te ‘s Hertogenbosch van 5 augustus 2014, bij welk hoger beroep tevens een schorsingsincident ex artikel 351 Rv aanhangig is gemaakt.

2.6.

De woningen van eiser en gedaagde zijn gelegen in één pand op hetzelfde erf. De woning van eiser was vroeger een stal, thans verbouwd tot woning (waar eiser woont) en intern gescheiden van de voormalige bedrijfswoning (waar gedaagde woont).

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert samengevat - schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 16 juli 2014, in het bijzonder met betrekking tot de gerechtelijke ontruiming van de woning op 4 augustus 2014 totdat in hoger beroep op een door eiser in te stellen incidentele vordering ex art. 351 Rv is beslist.

3.2.

Gedaagde voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.2.

Eiser stelt dat het ontbindingsvonnis twee klaarblijkelijke misslagen bevat waardoor gedaagde geen in redelijkheid te respecteren belang meer heeft bij het niet wachten met de ontruiming totdat het Hof heeft beslist op zijn incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.

4.2.1.

De eerste misslag betreft de betalingen van de huur in 2014. Eiser stelt geen achterstand te hebben en wijst op de overgelegde rekeningafschriften waaruit sedert 11 januari 2014 maandelijkse betalingen van telkens € 2.416,00 blijken, welke bedragen te herleiden zijn tot de maandelijks verschuldigde huur en pacht.

4.2.2.

Gedaagde heeft erkend dat het bedrag van € 2.416,00 als samentelling van de verschuldigde huur en pacht weliswaar correct is, maar dat eiser aanvankelijk bij die betalingen enkel pacht had vermeld. Omdat er ook pachtachterstand was heeft gedaagde deze betalingen deels toegerekend op die achterstand en is er wel huurachterstand in 2014.

4.2.3.

Voorop staat dat een executiegeschil als het onderhavige zich niet leent voor de beoordeling van geschillen over de toerekening van betaalde bedragen. Van een klaarblijkelijke misslag is reeds om reden van voormelde discussie tussen partijen geen sprake terwijl de door eiser gestelde huurachterstand van € 23.874,00 zodanig ernstig is dat deze de ontbinding zonder meer rechtvaardigt.

4.2.4.

De tweede misslag in het ontbindingsvonnis is de verwerping van eisers ne bis in idem-verweer. Gedaagde heeft dit betwist, daartoe wijzend op rechtsoverweging 4.1 van het ontruimingsvonnis.

4.2.5.

Allereerst geldt dat een executiegeschil niet mag ontaarden in een verkapt hoger beroep tegen het te executeren vonnis. Nu in het ontbindingsvonnis voormeld verweer van eiser met een uitvoerige motivering door de kantonrechter is verworpen, is reeds daarom geen sprake van een klaarblijkelijke misslag. Eiser heeft ook niet gesteld dat de redenering van de kantonrechter klaarblijkelijk onbegrijpelijk of inconsistent is.

4.3.

Eiser legt aan zijn vordering voorts een drietal nieuwe feiten ten grondslag die zich hebben aangediend na het op 16 juli 2014 gewezen ontbindingsvonnis, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.3.1.

Eiser stelt dat hij inmiddels, weliswaar onder protest, de huurachterstand waartoe hij is veroordeeld, althans de juiste bedragen daarvan, heeft betaald.

Gedaagde betoogt dat het – gedeeltelijk – inlopen van de huurachterstand geen nieuw feit is en de inmiddels ontbonden huurovereenkomst niet doet herleven.

4.3.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat slechts na het gewezen ontbindingsvonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor de geëxecuteerde, kunnen leiden tot het oordeel dat misbruik wordt gemaakt van de executiebevoegdheid.

De inmiddels door eiser – al dan niet gedeeltelijke – betaling van de huurachterstand na de betekening van het ontbindingsvonnis doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen noodtoestand ontstaan. Bovendien geldt dat deze veel te late betaling aan gedaagde de ontbinding niet ongegrond maakt.

4.3.3.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat gedaagde in de procedure die leidde tot het ontbindingsvonnis ten onrechte zijn echtgenote, die zowel op wettelijke als contractuele grond medehuurder is, niet in de procedure heeft betrokken. Het ontbindingsvonnis zou dan ook tegen haar geen werking hebben, wat leidt tot het onaanvaardbare gevolg dat eiser door een ontruiming ‘feitelijk wordt afgesneden van zijn echtgenote en kinderen’.

Gedaagde heeft deze stelling betwist. Er is geen nieuw feit want eiser is reeds lang gehuwd en had dit argument in de ontbindingsprocedure aan de kantonrechter ter beoordeling kunnen voorleggen. Van contractueel medehuurderschap is geen sprake. Voorts is in het ontbindingsvonnis een veroordeling tot ontruiming uitgesproken jegens eiser met alle personen die zich van zijnentwege in de woning bevinden dus daartoe behoort ook de echtgenote. Ten slotte wijst gedaagde erop, onderbouwd met jurisprudentie, dat artikel 7:266 lid 3 BW niet ziet op het onderhavige geval maar op een echtscheidingssituatie. Eisers echtgenote was volledig op de hoogte van de huurachterstand die tot het ontbindingsvonnis heeft geleid en zij was daarvoor jegens gedaagde hoofdelijk aansprakelijk.

4.3.4.

De stellingen van eiser met betrekking tot het medehuurderschap van zijn echtgenote snijden geen hout. Het huurcontract vermeldt slechts eiser als huurder zodat zijn echtgenote enkel als medehuurder van rechtswege kan worden aangemerkt. Artikel 7:266 lid 3 BW moet echter niet letterlijk worden uitgelegd maar biedt slechts bescherming aan de echtgenote bij ontbinding van haar huwelijk met de huurder, zowel bij echtscheiding als bij overlijden, zie ECLI:NL:HR:2009:BH0762. In dit geval, waarin eisers echtgenote zelf ook jegens gedaagde hoofdelijk aansprakelijk is wegens de huurachterstand, zal het ontbindingsvonnis dus ook tegen de echtgenote ten uitvoer kunnen worden gelegd.

4.3.5.

Eiser voert nog aan dat de ontruiming van de woning de exploitatie van eisers fruitbedrijf onmogelijk maakt of verregaand bemoeilijkt omdat hij vanwege dagelijkse transportbewegingen van vrachtauto’s en tractorverkeer en ter bewaking van de fruitvoorraad en controle van de koelcellen, noodzakelijkerwijs als ondernemer op het terrein moet wonen. Gedaagde heeft zulks betwist en wijst op de elektronische controlemogelijkheden. Eiser heeft gewoon toegang tot de gepachte bedrijfsterreinen en gebouwen. Bovendien was ook dit feit tijdens de ontbindingsprocedure al bekend.

4.3.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat voormelde stelling van eiser niet als nieuw feit kan worden aangemerkt. Immers de kantonrechter heeft dit aspect in zijn overwegingen betrokken (rechtsoverweging 4.4) en als onvoldoende gemotiveerd van de hand gewezen.

4.4.

Eiser heeft ten slotte nog meer in het algemeen gesteld dat de voorzieningenrechter niet ‘op de stoel van het Hof mag gaan zitten’ door de beslissing van het Hof in het schorsingsincident ex artikel 351 Rv niet af te wachten. Over ongeveer twee maanden is een uitspraak van het Hof in het schorsingsincident te verwachten en gedaagde heeft, mede gelet op de belangen van eiser, geen in redelijkheid te respecteren belang bij gebruikmaking van haar executiebevoegdheid.

Gedaagde betwist dat er nieuwe feiten zijn die afwijking van de ontbindings- en ontruimingsbeslissing rechtvaardigen. Gelet op de vele procedures tussen partijen in de afgelopen jaren en gegeven het feit dat zij thans ‘op elkaars lip wonen’ is het mede in het belang van de geestelijke gezondheid van gedaagde dat aan die situatie een einde komt. Op welke termijn het Hof in het schorsingsincident uitspraak kan doen is, gelet op de vakantieperiode, ongewis. Ontruiming leidt niet tot een noodtoestand bij eiser. Hij heeft niet gesteld dat er elders geen andere woonruimte beschikbaar is en dat hij met zijn gezin op straat belandt. Hij heeft een goedlopend fruitbedrijf en beschikt over de middelen om elders woonruimte te huren, aldus gedaagde.

4.5.

Als toetsingsmaatstaf in het schorsingsincident geldt dat eiser feiten en omstandigheden moet hebben aangevoerd die niet bij de beslissing waartegen hoger beroep is ingesteld in aanmerking konden worden genomen omdat deze zich eerst na die uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing wordt afgeweken.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn dergelijke feiten en omstandigheden door eiser niet aangevoerd, waartoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen. Eiser heeft in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat voor hem een noodtoestand ontstaat bij voortgang van de executie. Hij miskent bovendien dat door gedaagde in beginsel geen bijzonder belang bij onverwijlde executie hoeft te worden gesteld. Gedaagde heeft dat overigens wel gedaan door te wijzen op de vele procedures die tussen partijen zijn gevoerd, wat voor haar belastend is geweest. Het is aannemelijk dat met ontruiming van de woning door eiser de gemoedsrust van gedaagde zal zijn gediend.

4.6.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen dient de vordering tot opschorting van de executie tot ontruiming te worden afgewezen.

4.7.

Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagde worden begroot op:

- griffierecht € 282,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.098,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt eiser in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op € 1.098,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E. Elzinga en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.

type: JoS

coll: