Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6803

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
03/700060-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitgaansgeweld; steekincident te Maastricht; poging tot moord; gevangenisstraf van 8 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/700060-14

Datum uitspraak : 28 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

Raadsman is mr. I.T.H. van de Bergh, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 14 juli 2014.

De rechtbank heeft op 14 juli 2014 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair:

heeft geprobeerd [slachtoffer] (met voorbedachten rade) te doden;

subsidiair:

heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3. De beoordeling van het bewijs1

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit de aangifte van [slachtoffer] volgt dat verdachte in het café een meisje lastig viel en daarop door [slachtoffer] werd aangesproken. Verdachte liet vervolgens een inklapbaar mes aan [slachtoffer] zien. De aangifte wordt op deze punten bevestigd door de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Nadat verdachte door de uitsmijter buiten het café was gezet, bleef hij in de buurt van het café rondhangen. Verdachte heeft daar een steeds wisselende verklaring voor gegeven; eerst moest hij wachten op zijn jas, dan op zijn vriend, dan wilde hij zijn telefoon zoeken die hij in het café was kwijtgeraakt of zijn horloge en ten slotte ook nog zijn bril. Op de camerabeelden is echter duidelijk te zien dat verdachte al gauw zijn jas krijgt aangereikt en dat zijn vriend ook al snel naar buiten komt. Die vriend, getuige [getuige 3], heeft verklaard dat verdachte niet wilde vertrekken, maar in de buurt van het café wilde blijven. Naar de mening van de officier van justitie heeft verdachte [slachtoffer] buiten het café op staan wachten met een mes. Met dat mes heeft hij volgens aangever [slachtoffer] en getuige [getuige 1] stekende bewegingen in hun richting gemaakt, waarop zij hem uit zelfverdediging hebben geslagen. Als [slachtoffer] na deze confrontatie met verdachte terug loopt naar het café, heeft hij een steekverwonding in de onderbuik. Gelet op het feit dat verdachte het slachtoffer heeft opgewacht, is er sprake van voorbedachten rade.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte ontkent dat hij een mes bij zich had, laat staan dat hij daarmee gestoken heeft. Bij zijn aanhouding was hij niet in het bezit van een mes. Door een uitsmijter van het café is verder verklaard dat verdachte bij binnenkomst gefouilleerd is, waarbij evenmin een mes is ontdekt. Daarbij komt dat enkel aangever [slachtoffer] over het steken met het mes door verdachte heeft verklaard. De verklaring van getuige [getuige 1] is op dat punt onbetrouwbaar, nu zij bij de politie aanvankelijk niet heeft verklaard over het zien van het steekmoment, maar haar verklaring op dit punt bij de rechter-commissaris aanpast. Op de camerabeelden is te zien dat getuige [getuige 3] een stekende of slaande beweging naar [slachtoffer] maakt. Dat laat de mogelijkheid open dat [getuige 3] de persoon is die de steekwond bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat er geen sprake kan zijn van voorbedachten rade, nu het niet is uit te sluiten dat verdachte de messteek in de opwelling van de ruzie buiten het café heeft toegebracht, mede gelet op het letsel dat verdachte daar zelf bij heeft opgelopen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 29 januari 2014 kregen verbalisanten de melding dat er een steekpartij had plaatsgevonden in de Leliestraat te Maastricht, nabij café “[naam café]”. Toen zij om 5:55 uur ter plaatse kwamen troffen zij daar [slachtoffer] aan, liggend tegen de gevel aan de overzijde van het café. Hij had een bleke huiskleur en er lag een stukje van zijn darmen op zijn buik. Hij was niet bij kennis en werd naar het ziekenhuis vervoerd.2 De volgende ochtend heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van poging tot moord/doodslag. Hij heeft verklaard dat hij in de nacht van 29 januari 2014 samen met [getuige 1] in café “[naam café]” was. Op een gegeven moment begon een buitenlandse jongen haar te betasten door aan haar te trekken en haar vast te pakken. Aangever heeft de man op zijn gedrag aangesproken, waarop deze man hem een mes toonde. Het mes was ingeklapt. Op aangeven van aangever werd de man door de portier naar buiten gebracht. Aangever heeft het café rond sluitingstijd samen met [getuige 1] verlaten. Op het einde van de Leliestraat stonden twee mannen, waaronder ook de man die aangever in het café het mes toonde. Diezelfde man liet nu wederom het mes zien. Hij klapte het mes uit en maakte twee of drie keer een stekende beweging in aangevers richting. Op enig moment zag aangever dat zijn darm uit zijn lies kwam. Hij is toen terug gelopen in de richting van het café.3 Ter terechtzitting heeft [slachtoffer] als getuige verklaard dat er in café “[naam café]” een kleine vechtpartij is ontstaan tussen hem en verdachte. Ook heeft hij verklaard dat verdachte de persoon is die hem gestoken heeft. De vriend van verdachte stond achter hem en heeft hem niet aangeraakt.4 Uit medische informatie over [slachtoffer] blijkt dat hij een steekverwonding had onder in de buik en daarbij een scheurtje in de darm, welke bij aankomst in het ziekenhuis op de buik lag. Tevens werd er vocht in de buik geconstateerd, waarschijnlijk bloed. Middels een operatie is het darmletsel gehecht als ook de bloeding van de liesader. [slachtoffer] had ruim 4,5 liter bloed verloren. De duur van genezing werd op 11 februari 2014 geschat op ongeveer zes weken.5

[getuige 1] heeft verklaard dat zij samen met [slachtoffer] in café “[naam café]” was. Zij werd daar lastiggevallen door een jongen die haar steeds vast pakte. [slachtoffer] sprak de jongen aan en er werd over en weer geduwd, waarop de jongen door de portiers naar buiten werd begeleid. Ongeveer 20 minuten later verlieten [slachtoffer] en [getuige 1] het café. Vanuit de Grote Staat kwam de betreffende jongen aanlopen. [slachtoffer] herkende de jongen en sprak hem aan. De jongen pakte een mes uit zijn broekzak dat hij uitklapte. Toen hij stekende bewegingen in haar richting maakte, is [getuige 1] weggerend in de richting van het café. Na korte tijd kwam ook [slachtoffer] terug gelopen. Hij riep dat hij gestoken was en had een bloedende wond in zijn linkerzij. Hij riep: “Hij heeft mij gestoken” en doelde daarmee op de jongen met wie zij kort daarvoor ruzie hadden gehad.6

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij die nacht in het café was. Hij zag een Algerijn en een Marokkaan met een paardenstaart binnen komen die hij kende van gezicht. Even later kwam ook [slachtoffer] binnen met zijn vriendin. Op een gegeven moment ontstond er ruzie. Er werd geduwd en getrokken. De getuige heeft de portier geholpen de partijen uit elkaar te halen. De Algerijnse man trok toen een mes en klapte dat uit. [slachtoffer] heeft het mes ook gezien. Vervolgens stopte de man het mes terug in zijn broekzak en werd uit het café verwijderd. Nadat [slachtoffer] het café even later had verlaten, kwam hij gewond terug gelopen. Hij zei dat hij door die twee jongens was gestoken en dat het die twee jongens van binnen in het café waren. De getuige zag dat die twee jongens nog aan het einde van de straat stonden en ging erheen. De jongen met de paardenstaart bleef staan. De andere jongen liep weg in de richting van het Vrijthof.7

[getuige 3] heeft verklaard dat hij in de nacht van 29 januari 2014 samen met een vriend naar Maastricht was gekomen. Ze hebben hebben in het café “[naam café]” niet steeds bij elkaar gestaan. [getuige 3] zag dat zijn vriend daar ruzie had. De portier zei dat de vriend van [getuige 3] de vriendin van die andere jongen had lastiggevallen. Later buiten vertelde zijn vriend hem dat hij kwaad was op die jongen. Hij wilde niet met [getuige 3] mee naar Geleen. Ineens was er ruzie.8

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij in de nacht van 29 januari 2014 werkzaam was als portier bij café “[naam café]” te Maastricht. Omstreeks 5:15 uur ontstond er ruzie in de zaak. Hij heeft de mannen uit elkaar gehaald en [slachtoffer] apart genomen om te vragen wat er aan de hand was. Hij zei toen dat de andere jongen zijn vriendin lastig viel. De getuige heeft toen de andere man verzocht het café te verlaten. Deze man was in het gezelschap van een andere man, met een paardenstaart, die even naar buiten ging en weer terug naar binnen kwam. De eerstgenoemde man bleef voor de deur van het café wachten, ondanks het verzoek van de getuige om door te lopen. Op een gegeven moment verlieten [slachtoffer] en zijn vriendin het café. De getuige zag genoemde man toen niet meer in de straat. Een paar minuten later kwam [slachtoffer] terug in de richting van het café. Hij zei: “Bel 112, ik ben gestoken”.9

Door verbalisanten zijn de beelden van cameratoezicht gemeente Maastricht, Leliestraat en omgeving, bekeken. Op deze beelden is te zien dat verdachte en zijn metgezel [getuige 3] (de man met de paardenstaart) om 3:02 uur café “[naam café]” binnen gaan. Om 5:10 uur gaan [slachtoffer] en zijn vriendin [getuige 1] het café naar binnen. Om 5:26 uur wordt [slachtoffer] kennelijk uit het café gezet door de portiers. Hij gaat om 5:27 uur weer naar binnen. Om 5:29 uur wordt verdachte kennelijk uit het café gezet. Om 5:29 uur krijgt hij zijn jas vanuit het café aangereikt en blijft zich ophouden in de Leliestraat, in de buurt van de ingang van het café. Om 5:31 uur pakt verdachte uit zijn achter broekzak een voorwerp. De verdachte heeft bij het vasthouden van een uiteinde van het voorwerp de vingers van zijn rechterhand nagenoeg gestrekt. Hij houdt het voorwerp voor zijn lichaam en kijkt hiernaar. Vervolgens gaat hij met zijn geopende linkerhand naar het andere uiteinde van het voorwerp. Daarna maakt hij bewegingen met beide handen, mogelijkerwijs alsof hij het voorwerp inklapt. De verbalisant merkt op dat het hier mogelijk om een uitklapbaar mes gaat. Vervolgens stopt hij dit in zijn broekzak links achter. De verbalisant merkt hierbij op dat verdachte bij zijn aanhouding een niet uitklapbare gsm Nokia bij zich had. Om 5:33 uur komt [getuige 3] naar buiten en heeft contact met verdachte. Om 5:35 uur gaat [getuige 3] weer terug naar binnen. Verdachte blijft zich ophouden bij de ingang van het café. Om 5:39 uur pakt verdachte een gsm uit zijn rechter broekzak aan de voorzijde en brengt deze naar zijn linkeroor. Vervolgens loopt hij met een onbekende man, die uit het café is gekomen, al bellend uit beeld. Om 5:42 uur verlaat [getuige 3] het café en loopt met een gsm aan zijn oor de Grote Staat in. Om 5:45 uur komt verdachte de Grote Staat ingelopen en loopt naar [getuige 3]. Beiden blijven vervolgens ongeveer 6 minuten rondhangen in de Grote Staat, op de hoek van de Leliestraat. Verdachte kijkt meermalen de Leliestraat in. Om 5:49 uur verlaten [slachtoffer] en zijn vriendin het café. Ze lopen om 5:50 uur over de Leliestraat in de richting van de Grote Staat. Verdachte loopt dan vanuit de Grote Staat de Leliestraat in. Even later loopt ook [getuige 3] de Leliestraat in, om vervolgens weer achteruit de Grote Staat in te lopen, gevolgd door [slachtoffer], die eveneens achteruit loopt. [getuige 3] maakt een slaande beweging in de richting van [slachtoffer], die vervolgens de Leliestraat in rent, gevolgd door [getuige 3]. De ruzie en het steekincident zijn niet op de beelden te zien. Om 5:52 uur komen verdachte en [getuige 3] vrijwel gelijktijdig vanuit de Leliestraat de Grote Staat ingelopen. Zij lopen weg in de richting van het Vrijthof. In zijn rechterhand heeft verdachte een onbekend voorwerp. [slachtoffer] en [getuige 1] lopen op dat moment in tegengestelde richting naar het café. [slachtoffer] houdt daarbij zijn hand op zijn linkerzij.10

Op 29 januari 2014 wordt verdachte omstreeks 7:45 uur aangehouden te Maastricht. Hij heeft op dat moment een bebloed gezicht en bebloede handen. Zijn jas is doordrenkt met bloed.11

Verdachte ontkent dat hij een mes bij zich had en dat hij daarmee heeft gestoken. Hij heeft bij de politie in eerste instantie verklaard dat hij alleen op stap was in Maastricht en dat hij met de fiets is gevallen. Daarbij is hij gewond geraakt. Desgevraagd zegt verdachte dat hij in het bezit is van een Nokia gsm. De volgende dag wordt verdachte een print getoond van een foto van een persoon die op 29 januari 2014 omstreeks 5:25 uur uit een café komt, gelegen aan de Leliestraat te Maastricht. Verdachte antwoordt dat hij de persoon is die op de print te zien is. Hij herinnert zich dan dat in dat café een jongen naar hem toe kwam en hem begon te slaan. De jongen zei dat verdachte naar zijn vriendin keek. De uitsmijter heeft verdachte toen verzocht het café te verlaten. De vrouw had blond haar. Verdachte ontkent dat hij de vriendin van [slachtoffer] heeft lastiggevallen. Verder heeft hij verklaard dat hij buiten het café op een Arabische man heeft staan wachten. Buiten heeft hij een rondje gelopen en is hij weer uitgekomen bij het café. Op enig moment kwam de jongen, met wie verdachte eerder ruzie had, weer naar buiten. Hij heeft verdachte toen geslagen, waardoor verdachte letsel aan zijn hoofd heeft opgelopen. Die jongen sloeg met een pistool en is vervolgens weggerend.

Als verdachte op 10 februari 2014 wordt geconfronteerd met de camerabeelden van 5:30 uur, waarop te zien is dat hij iets dubbelvouwt, verklaart hij dat dit zijn telefoon is. Het is een toestel dat inklapbaar is, merk Samsung. Met dat toestel heeft hij toen ook zijn vriend gebeld. Hij verklaart verder dat hij twee telefoons bij zich had en dat hij het inklapbare toestel, merk Samsung, is verloren toen hij buiten door de jongen geslagen werd. Even later verklaart verdachte dat hij van plan was om zijn horloge te gaan zoeken dat hij eerder die avond verloren had. Verderop in het verhoor verklaart verdachte dat hij 6 minuten met [getuige 3] heeft staan wachten buiten het café, omdat hij zijn verloren telefoon en horloge wilde zoeken in het café. Gevraagd naar de reden dat hij op een gegeven moment weer de Leliestraat in loopt, antwoordt verdachte dat hij zijn spullen wilde gaan zoeken. Ook verklaart hij dat hij toen door de jongen en het meisje met de blonde haren is aangevallen. Zij hadden ijzeren stokken en misschien een pistool. Zij hebben verdachte geslagen en zijn daarna weggegaan. Verdachte is bewusteloos geraakt.

Op 12 maart 2014 wordt verdachte geconfronteerd met het feit dat uit de historische belgegevens blijkt dat hij zijn vriend [getuige 3] heeft gebeld met het Nokia toestel dat bij hem is aangetroffen. Hij verklaart dan dat dit zou kunnen. Hij weet het niet meer.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] in het café zat te praten met de portiers. Die portiers hebben [slachtoffer] vervolgens op verdachte afgestuurd. [slachtoffer] sloeg hem vier keer op het hoofd met een boksbeugel. Verdachte heeft in het café geen meisje gezien. Dat meisje zag hij pas buiten het café. Verdachte verklaart verder dat hij een tijdje in de Grote Staat heeft staan wachten, omdat hij aan het praten was met zijn dronken vriend. Die vriend stelde voor om weg te gaan. Verdachte wilde echter terug het straatje in en naar het café om zijn horloge te zoeken. Ongeveer drie meter het straatje in kwam hij [slachtoffer] tegen, die hem gelijk met een ijzeren voorwerp in het gezicht sloeg. Dat op de camerabeelden te zien is dat [slachtoffer] achteruit de Grote Staat komt ingelopen, verklaart verdachte door te zeggen dat hij ging kijken of er geen politie kwam. Vervolgens sloeg [slachtoffer] verdachte nog eens en liep weg.

Is verdachte de dader?

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte degene is die [slachtoffer] met een mes heeft gestoken.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte en aangever [slachtoffer] waren die bewuste nacht beiden in café “[naam café]” te Maastricht. Zij hebben ook beiden verklaard dat zij daar ruzie met elkaar hebben gehad. Uit de aangifte en de verklaringen van [getuige 1], [getuige 4] en [getuige 3] komt naar voren dat verdachte in het café de vriendin van de aangever heeft lastiggevallen. Dat verdachte ter terechtzitting ontkent dat hij binnen überhaupt een meisje heeft gezien, acht de rechtbank ongeloofwaardig, nu hij bij de politie wel degelijk heeft verklaard over een blond meisje in het café. Verdachte heeft tijdens de ruzie in het café een uitklapbaar mes aan [slachtoffer] getoond. Dat blijkt uit de aangifte en de verklaring van [getuige 2]. Opvallend daarbij is dat beiden expliciet spreken over een uitklapbaar mes.

Verdachte is vervolgens door de portier uit het café gezet, hetgeen ook op de camerabeelden te zien is. Hij blijft zich echter in de buurt van het café ophouden. Naar eigen zeggen doet hij dat omdat hij op zijn vriend wil wachten, dan wel omdat hij zijn horloge, dan wel zijn verloren telefoon, in het café wil zoeken. De vriend van verdachte komt echter enkele minuten nadat verdachte buiten is gezet al naar buiten. Verdachte heeft ook op geen enkel moment tegen de portier gezegd dat hij terug naar binnen wilde omdat hij iets kwijt was geraakt.

Op de camerabeelden is te zien dat, terwijl verdachte buiten het café staat te wachten, hij iets uit zijn broekzak haalt en dat voorwerp uitklapt en inklapt. De verbalisant heeft gerelateerd dat dit mogelijk een uitklapbaar mes zou kunnen zijn. Verdachte heeft daarover verklaard dat dit zijn Samsung gsm was. Bij verdachte wordt echter een Nokia gsm aangetroffen die niet uitklapbaar is. Daarmee geconfronteerd verklaart hij dat hij twee telefoons bij zich had en dat hij er één is kwijtgeraakt tijdens de ruzie buiten het café. Met de Samsungtelefoon heeft hij die nacht zelfs nog telefonisch contact gehad met [getuige 3]. Even later verklaart verdachte echter dat hij terug naar het café wilde omdat hij daar zijn telefoon was kwijtgeraakt. Tevens blijkt uit historische belgegevens dat verdachte die nacht met de bij hem aangetroffen Nokia contact heeft gehad met [getuige 3]. Daarbij komt dat er tijdens het onderzoek geen uitklapbare gsm is aangetroffen in de omgeving van het café. Ook deze verklaringen van verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook ongeloofwaardig.

Nadat [getuige 3] zich buiten bij verdachte heeft gevoegd staan beiden meer dan zes minuten op de hoek van de Grote Staat en de Leliestraat. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte meermalen om de hoek de Leliestraat in kijkt. Verdachte heeft verklaard dat zij daar stonden te praten. Hij was niet aan het wachten op [slachtoffer]. Hij wilde enkel terug naar het café om zijn verloren horloge/telefoon te zoeken. [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte niet met hem mee naar huis wilde. [getuige 3] heeft echter met geen woord gerept over kwijtgeraakte spullen en dat verdachte daarom terug naar het café wilde. Gelet hierop, maar ook op het feit dat verdachte steeds om de hoek de Leliestraat in kijkt, is ook deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig.

Op de camerabeelden is vervolgens te zien dat verdachte en [getuige 3] om 5:50 uur de Leliestraat inlopen. Dat is ook het tijdstip waarop [slachtoffer] en [getuige 1] het café verlaten. In de Leliestraat komt het vervolgens tot een confrontatie tussen beide kampen, die niet door camera’s is waargenomen. Vast staat dat zowel [getuige 3] als [slachtoffer] eerst achteruit de Grote Staat inlopen om vervolgens weer de Leliestraat in te gaan. Amper twee minuten later komen verdachte en [getuige 3] uit de Leliestraat en lopen in de richting van het Vrijthof, terwijl [slachtoffer] – die gewond is geraakt aan zijn linkerzij – en [getuige 1] weer richting het café lopen.

Wat heeft er zich in die twee minuten afgespeeld?

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte meteen een mes trok, dat uitklapte en stekende bewegingen maakte. [getuige 1] heeft het eveneens over een uitklapbaar mes waarmee verdachte stekende bewegingen maakte in de richting van [slachtoffer]. [getuige 3] heeft verklaard dat hij geen mes heeft gezien en verdachte ontkent dat hij een mes bij zich had, laat staan dat hij daarmee gestoken heeft. Ook deze verklaring van verdachte is ongeloofwaardig, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte al in het café een (uitklapbaar) mes bij zich had en dat hij dat buiten het café nog uit zijn zak heeft gehaald. Nu zowel aangever als [getuige 1] hebben verklaard dat verdachte degene was die stekende bewegingen maakte met het mes, en niet [getuige 3], zoals door de verdediging is gesuggereerd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de persoon is die de steekverwonding bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Daar komt nog bij dat [getuige 3] blijkens de verklaring van [slachtoffer] achter hem stond, hetgeen ook op de camerabeelden te zien is wanneer zij beiden achteruit lopend de straat uitkomen. Die positie van [getuige 3] lijkt onverenigbaar met de plek waarop [slachtoffer] geraakt is, namelijk aan zijn voorzijde.

Opzet op de dood?

De tweede vraag in deze zaak is of verdachte door met een mes in de buik van het slachtoffer te steken het (voorwaardelijk) opzet had om het slachtoffer te doden. Is dat niet het geval, dan is hooguit sprake van een poging zware mishandeling, zoals subsidiair tenlastegelegd is.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van verdachte onvoldoende aanknopingspunten bevatten om die vraag te beantwoorden. De vraag naar het eventueel bestaan van bloot opzet kan om die reden niet beantwoord worden.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of er sprake is van voorwaardelijk opzet.

Voor wat betreft het voorwaardelijk opzet stelt de rechtbank voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (en op de koop toe heeft genomen).

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich door het steken met een mes in de buik van aangever willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij hem hierdoor dodelijk zou verwonden. De rechtbank overweegt daartoe dat zich in de buikstreek vitale organen bevinden. Indien er lukraak in de buikstreek gestoken wordt, is de kans groot dat bijvoorbeeld de buikwand of darmen geraakt worden, hetgeen in het onderhavige geval ook is gebeurd. Het is een feit van algemene bekendheid dat er op zijn minst een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bestaat bij een bloeding in de buik of perforatie van de darmen of andere organen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de gedraging van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op de dood van aangever dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Voorbedachte raad?

Een derde vraag is of verdachte hierbij gehandeld heeft met voorbedachte raad. De raadsman heeft bepleit dat dit bestanddeel niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:472) voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” vast moet komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat verdachte en de aangever in het café ruzie hadden, dat verdachte toen een mes aan aangever heeft getoond, dat verdachte uit het café is gezet en dat hij zich daarna 20 minuten in de directe omgeving van het café heeft opgehouden. Terwijl hij voor de ingang van het café staat te wachten, haalt hij iets uit zijn zak dat hij uit- en inklapt. Gelet op het feit dat zowel aangever als getuigen [getuige 2] en [getuige 1] spreken over een uitklapbaar mes, is de rechtbank ervan overtuigd dat verdachte het mes op dat moment uit zijn zak haalt en in- en uitklapt.

Uit de verklaring van [getuige 3] blijkt dat verdachte niet mee naar huis wilde en op de camerabeelden is te zien dat hij steeds om de hoek de Leliestraat in kijkt – derhalve in de richting van café “[naam café]”, waar zich op dat moment aangever [slachtoffer] en zijn vriendin [getuige 1] nog bevinden. Precies op het moment dat aangever en zijn vriendin het café verlaten, loopt verdachte de Leliestraat in. De rechtbank maakt uit deze handelingen van verdachte op dat hij bewust op de aangever heeft staan wachten om de confrontatie aan te gaan, terwijl hij een mes bij zich had. Verdachtes verklaring dat hij terug wilde naar het café om zijn verloren horloge of telefoon te zoeken is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig, nu hij daarover niets tegen de portier of [getuige 3] heeft gezegd, steeds om de hoek van de straat kijkt en pas de straat in loopt op het moment dat hij ziet dat aangever het café verlaat en in zijn richting komt lopen.

Van een plotselinge hevige drift bij verdachte is de rechtbank niet gebleken. Verdachte heeft welbewust gehandeld. Zo heeft hij verdachte opgewacht, zijn mes uitgeklapt en daarmee stekende bewegingen gemaakt in de richting van aangever. Al het voorgaande in ogenschouw nemende is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Eventuele contra-indicaties die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn niet gesteld of gebleken.

Uit de verklaringen van verdachte leidt de rechtbank tevens af dat verdachte niet alleen voor en tijdens het uitvoeren van de daad zich rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn handelen maar óók na afloop daarvan. Hij heeft tenslotte tegen de verbalisanten die hem gewond aantroffen gezegd dat hij van niets wist en met de fiets was gevallen. Steeds als hij vervolgens met nieuwe aanwijzingen voor zijn betrokkenheid wordt geconfronteerd, past hij zijn verklaring aan. Deze berekenende manier van handelen voor, tijdens en na afloop van de bewezen verklaarde handelingen, sluiten uit dat verdachte zich pas tijdens de uitvoering van zijn besluit rekenschap gaf van de gevolgen.

De rechtbank acht het bestanddeel voorbedachte raad en de primair ten laste gelegde poging tot moord dus wettig en overtuigend bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte .

op 29 januari 2014 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1

De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

primair: poging tot moord.

4.3

De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

5 De oplegging van straf

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van het voorarrest.

5.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank toch tot een veroordeling zou komen, heeft de raadsman verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de mishandeling van verdachte door de aangever voorafgaand aan het incident, het letsel dat verdachte heeft opgelopen tijdens het incident en het feit dat aangever zelf ook de confrontatie heeft opgezocht.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven te beroven door hem met een mes in de onderbuik te steken.

Op de bewuste avond is verdachte in café “[naam café]”. Hij valt dan een vriendin van de aangever lastig. Als aangever hem vervolgens aanspreekt op zijn gedrag, komt het tot een korte fysieke confrontatie, waarbij verdachte een uitklapbaar mes toont. Er ontstaat een dreigende sfeer tussen verdachte en aangever. Verdachte wordt door een uitsmijter uit het café gezet.

Verdachte kan dit kennelijk niet verkroppen want hij blijft in de buurt van de uitgang van het café rondhangen. Na ongeveer 20 minuten komen aangever en zijn vriendin naar buiten. Op het einde van de steeg, waarin de uitgang van het café is gelegen, worden zij geconfronteerd met verdachte. Hij trekt gelijk een mes en maakt daarmee stekende bewegingen in hun beider richting. Aangever en zijn vriendin hebben zich verdedigd door verdachte met verschillende voorwerpen op het hoofd te slaan. Als de aangever terug in de richting van het café loopt, heeft een steekverwonding aan zijn onderbuik, waardoor een deel van zijn darmen naar buiten steken.

Het slachtoffer heeft aan dit steekincident ernstig letsel overgehouden. Een duidelijk zichtbaar litteken op de buik en tevens is de navel van het slachtoffer verplaatst. Daarmee is het slachtoffer voor de rest van zijn leven getekend. Daarbij komt dat de wond niet goed geneest en het slachtoffer geplaagd wordt door ontstekingen en abcessen, waardoor hij steeds weer het ziekenhuis moet bezoeken om behandeld te worden. De kans is groot dat hij opnieuw geopereerd moet worden.

Waarom doet verdachte dit? Naar de overtuiging van de rechtbank is het mes niet gebruikt ter verdediging en heeft verdachte ook niet gedacht dat hij zich moest verdedigen. Hij stond immers de aangever en zijn vriendin op te wachten en was naar het oordeel van de rechtbank dan ook uit op een confrontatie.

Verdachte blijft zijn betrokkenheid ontkennen maar kan, geconfronteerd met de vraag waarom hij dan door meerdere mensen als de dader wordt aangewezen, geen plausibele uitleg geven. Wel voert hij aan dat juist hij het slachtoffer is en met een boksbeugel en een ijzeren voorwerp op zijn hoofd is geslagen. Uit het dossier komt duidelijk naar voren dat verdachte, na meerdere stekende bewegingen in de richting van het slachtoffer en zijn vriendin te hebben gemaakt, door hen met een fles en een spuitbus op het hoofd is geslagen. Feit is in ieder geval dat verdachte - met de opmerking dat hij juist is aangevallen door het slachtoffer - geen ontlastende verklaring geeft voor het feit dat hij als de dader wordt aangewezen voor de verwonding van het slachtoffer. Verdachte neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn daad en geeft geen inzicht in zijn beweegredenen. Daarbij komt dat verdachte het slachtoffer midden op straat heeft neergestoken. Dit soort geweldsmisdrijven roepen niet alleen bij de slachtoffers, maar ook in de samenleving gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid op. Het voorgaande rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Poging tot moord is een van de ernstigste strafbare feiten, nu dit een feit betreft dat tegen het menselijk leven is gericht. Voor het bestraffen van dit feit is door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geen oriëntatiepunt vastgesteld. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat in de regel voor een voltooide moord een gevangenisstraf van 12 tot 15 jaar wordt opgelegd. Gaat het om een poging, zoals hier, dan gaat daar in de regel een derde vanaf.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank mede gelet op de inhoud van het hem betreffende strafblad, waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest.

Op basis van het hiervoor genoemde uitgangspunt acht de rechtbank het passend en geboden dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren wordt opgelegd. De rechtbank heeft een zwaardere straf opgelegd dan door de officier van justitie gevorderd, nu zij van oordeel is dat de door de officier van justitie geformuleerde strafeis geen recht doet aan de ernst van het feit.

6 De benadeelde partij

6.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 11.236,45, te vermeerderen met de wettelijke rente en bestaande uit € 1.093,45 materiële schade,

€ 10.000,- immateriële schade en € 143,- kosten rechtsbijstand.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.3

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman vrijspraak bepleit en inherent daaraan niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij.

Subsidiair heeft hij het volgende naar voren gebracht.

De post “kosten rechtsbijstand” dient te worden afgewezen, nu slachtoffers van (ernstige) geweldsmisdrijven conform het bepaalde in artikel 44, vierde lid, van de Wet op de Rechtsbijstand kosteloos recht hebben op rechtsbijstand. Deze schade is aldus niet door verdachte veroorzaakt, maar door een fout bij het toekennen van de toevoeging.

De post “beschadigde kleding” is onvoldoende onderbouwd en dient te worden afgewezen.

De post “immateriële schade” dient bij toekenning beperkt te worden tot € 5.000,-. In gangbare jurisprudentie lijkt dit bedrag in vergelijkbare zaken het uitgangspunt te zijn. De omstandigheden die zijn aangevoerd om een verhoging van dit bedrag te rechtvaardigen zijn niet onderbouwd en niet verifieerbaar.

6.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de gevorderde materiële schade het rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde en acht verdachte ook aansprakelijk voor die schade. Ten aanzien van de post “beschadigde kleding” is de rechtbank echter van oordeel dat deze slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt nu de nieuwprijs is gehanteerd en de benadeelde partij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de kleding reeds enkele maanden in zijn bezit had. De rechtbank zal daarom slechts de helft van deze opgevoerde schadepost toewijzen. De materiele schade komt daarmee op € 773,45. De rechtbank wijst de overige gevorderde materiële schade af.

De post “kosten rechtsbijstand” wijst de rechtbank eveneens af. Zij overweegt daartoe dat uit artikel 44, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand volgt dat ongeacht de draagkracht rechtsbijstand aan een slachtoffer van een geweldsmisdrijf kosteloos is, indien in de desbetreffende zaak vervolging is ingesteld en het slachtoffer overeenkomstig artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven in aanmerking komt voor een uitkering. In dat artikel is onder andere bepaald dat uit het fonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen. Ook is bepaald dat onder opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ook wordt begrepen de strafbare poging daartoe. Gelet hierop heeft de benadeelde partij recht op kosteloze rechtsbijstand, waardoor de opgevoerde kosten niet op verdachte verhaald kunnen worden.

Ten aanzien van het toe te wijzen bedrag voor geleden immateriële schade overweegt de rechtbank dat het recht op vergoeding van immateriële schade (‘smartengeld’) slechts bestaat voor zover de wet hierop een aanspraak geeft. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) somt deze gevallen limitatief op.

Gelet op het bovenstaande en op de feiten en omstandigheden zoals die uit het strafdossier naar voren komen, is de rechtbank van oordeel dat het slachtoffer [slachtoffer] immateriële schade heeft geleden als gevolg van het lichamelijk letsel dat hij door toedoen van verdachte heeft opgelopen. De rechtbank stelt het bedrag van die schade tot dit moment naar redelijkheid en billijkheid vast op € 7.000,-. Voor het overige deel van de immateriële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.

In totaal is dan ook een bedrag van (€ 773,45 + € 7.000,- =) € 7.773,45 toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2014.

Nu verdachte ter zake van de bewezenverklaarde poging tot moord zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank besloten tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal verdachte eveneens in de proceskosten van de benadeelde partij veroordelen, tot op heden begroot op nihil.

7 Het beslag

In beslag genomen is een GSM van het merk Nokia, type 1800 (nr. 1).

De officier van justitie heeft gevorderd deze GSM te laten vernietigen.

De raadsman heeft ter zake geen opmerkingen gemaakt.

De rechtbank overweegt dat onduidelijk is aan wie deze telefoon toebehoort. Verdachte heeft verklaard dat deze niet van hem is. De aangever heeft verklaard dat hij deze telefoon van een vriend geleend had. De rechtbank zal dan ook de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer], [adres so], te betalen een bedrag van

€ 7.773,45 (zevenduizendzevenhonderddrieënzeventig euro en vijfenveertig cent), bestaande uit € 773,45 materiële schade en € 7.000,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

- wijst de overige gevorderde materiële schade en de post “kosten rechtsbijstand” af;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] ten aanzien van de gevorderde immateriële schade voor zover deze meer beloopt dan € 7.000,- niet-ontvankelijk, met bepaling dat de benadeelde partij het deel van de vordering waarin hij niet-ontvankelijk is verklaard slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] € 7.773,45 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 73 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2014;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer] vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven GSM van het merk Nokia 1800 (nr. 1).

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. A.M. Schutte en

mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 juli 2014.

Buiten staat

Mr. C.G.A. Wouters en mr. J.S. Holthuis zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: de tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 januari 2014 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, althans meermalen, in elk geval eenmaal, in de richting van genoemde [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 29 januari 2014 in de gemeente Maastricht aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, in het lichaam te steken.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Eenheid Limburg, District Zuid-West, Afdeling recherche, opgemaakte proces-verbaal met proces-verbaalnummer 2014010978, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 363 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 119-120.

3 Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer], pagina 248-250.

4 De verklaring van getuige [slachtoffer], afgelegd ter terechtzitting van 14 juli 2014.

5 Het geschrift, inhoudende een geneeskundige verklaring van [arts] d.d. 11 februari 2014, pagina 259.

6 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], pagina 270-272.

7 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], pagina 293-295.

8 Het proces-verbaal verhoor verdachte [getuige 3], pagina 95-100.

9 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4], pagina 289-291.

10 Het proces-verbaal van bevindingen beelden cameratoezicht gemeente Maastricht, pagina 216-219.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 126.