Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6785

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
AWB_13-3842u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 23 van de Verblijfsrichtlijn mogen gezinsleden van een burger van de Unie werken in de lidstaat waar de burger van de Unie woonachtig is. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat voor een juiste toepassing van artikel 23 van de Verblijfsrichtlijn mede aansluiting dient te worden gezocht bij het bij de Verblijfsrichtlijn geschrapte artikel 11 van Verordening (EEG) 1612/68, op grond waarvan gezinsleden van een burger van de Unie mochten werken in het land waar de burger van de Unie werkte.

Eiseres kan voorts niet met succes een beroep doen op artikel 13 van Besluit 1/80 van de Associatieraad betreffende de ontwikkeling van de Associatie. Het Associatierecht heeft niet tot doel Turkse werknemers rechtstreeks toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt te verlenen, anders dan wanneer zij legaal in Nederland verblijven en legaal in Nederland arbeid mogen verrichten. De rechtbank onderschrijft de stelling dat deze bepaling ook van toepassing is indien een Turkse werknemer wenst toe te treden tot de arbeidsmarkt. Dit laat evenwel onverlet laat dat een Turkse werknemer gerechtigd dient te zijn om arbeid te verrichten. Voor zover eiseres heeft betoogd dat zij als werkgever een beroep kan doen op genoemde bepaling slaagt dat beroep reeds niet omdat het grensoverschrijdend element ontbreekt. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/3842

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2014 in de zaak tussen

[naam restaurant eiseres]., gevestigd te [adres] eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1]),

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van € 8.000,-.

Bij besluit van 15 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard en het primair besluit, voor wat betreft de hoogte van de opgelegde boete, herroepen. Verweerder heeft de boete bepaald op € 4.000,-.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014.

Voor eiseres zijn ter zitting verschenen [naam werknemer] en [naam echtgenoot werknemer]. Zij zijn bijgestaan door mr. [naam gemachtigde werknemer]. Hij heeft de gemachtigde van eiseres (kantoorgenoot) ter zitting vervangen. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1.

In artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) is bepaald dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is bepaald dat het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing is met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd.

In artikel 18, eerste lid, is bepaald dat niet naleving van artikel 2, eerste lid, wordt aangemerkt als overtreding.

In artikel 19a, eerste lid, is bepaald dat een daartoe door verweerder aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de bestuurlijke boete oplegt aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een overtreding.

Uit de bijlage bij de Uitvoeringsregels Wav behorende bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wav blijkt dat geen tewerkstellingsvergunning mag worden verlangd van onderdanen van een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap dan wel gezinsleden van dergelijke onderdanen waarop artikel 23 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148 EEG, 75/34 EEG, 75/35 EEG, 90/364 EEG, 90/365/EEG en 93/96 EEG (PB 2004 L158) van toepassing is.

2.

In artikel 11 van de inmiddels ingetrokken Verordening (EEG) nr. 1612/68 is bepaald dat de echtgenoot van een EU-onderdaan wanneer deze EU-onderdaan in een andere lidstaat arbeid verricht het recht heeft in de laatstgenoemde lidstaat arbeid in loondienst te aanvaarden.

In artikel 23 van de Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn) is bepaald dat familieleden van een burger van de Unie die in een lidstaat verblijfsrecht of duurzaam verblijf genieten, ongeacht hun nationaliteit, het recht hebben aldaar een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen.

3.

Bij de overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (Associatieovereenkomst) is een Associatieraad ingesteld. De Associatieovereenkomst is namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (PB 1964, 217).

Op 23 november 1970 is een Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst ondertekend. Het is namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293).

De Associatieraad heeft krachtens artikel 12 van de Associatieovereenkomst en artikel 36 van het Aanvullend Protocol op 20 december 1976 besluit nr. 2/76 genomen, dat volgens artikel 1 ervan bedoeld is als een eerste stap op weg naar de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije.

Op 19 september 1980 heeft de Associatieraad besluit nr. 1/80 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (Besluit 1/80) genomen. Dit besluit dient er volgens de derde overweging van de considerans toe om op sociaal gebied de regeling voor werknemers en hun gezinsleden te verbeteren ten opzichte van de regeling die is ingevoerd bij voormeld besluit nr. 2/76.

Ingevolge artikel 13 van Besluit 1/80 mogen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

4.

Tijdens een controle in het kader van de Wav op 27 juni 2012 werd [naam werknemer] bij eiseres aangetroffen terwijl hij daar werkzaamheden voor haar verrichtte. Hij bezit de Turkse nationaliteit en is gehuwd met[naam echtenoot werkn], medevennoot van eiseres. Zij bezit de Duitse nationaliteit. Beide echtlieden wonen in Duitsland. Eiseres is gevestigd in Nederland. Zij beschikt niet over een tewerkstellingsvergunning voor [naam werknemer].

5.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres over een tewerkstellingsvergunning dient te beschikken. Nu eiseres hierover niet beschikte heeft hij haar wegens handelen in strijd met artikel 2 van de Wav een boete opgelegd van aanvankelijk € 8.000,- en uiteindelijk € 4.000,-.

6.

Eiseres betwist dat zij dient te beschikken over een tewerkstellingsvergunning. Onder verwijzing naar artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wav, jo de bijlage bij de Uitvoeringsregels Wav behorende bij het Delegatie- en Uitvoeringsbesluit Wav betoogt zij primair dat dit vereiste in dit geval niet geldt. In haar optiek is artikel 23 van de Verblijfsrichtlijn van toepassing. Voor een juiste toepassing van artikel 23 van de Verblijfsrichtlijn dient volgens haar na te worden gegaan welke rechten een vreemdeling aan artikel 11 van de Verordening kon ontlenen. Volgens haar is deze bepaling opgegaan in artikel 23 van de Verblijfsrichtlijn. Zij betoogt dat nu [naam werknemer] op grond van artikel 11 van de Verordening het recht zou hebben gehad om in Nederland te werken, hij dat recht ook heeft op grond van artikel 23 van de Verblijfsrichtlijn. Zij verwijst in dit verband nog naar het Metock-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) (C-127/08) en met name naar rechtsoverweging 59, waaruit zij afleidt dat het recht op vrij verkeer zoals dat is neergelegd in artikel 23 van de Verblijfsrichtlijn niet beperkter mag worden uitgelegd dan de uitleg die de regelgeving die door de Verblijfsrichtlijn wordt vervangen daaraan heeft gegeven.

Subsidiair heeft eiseres een beroep gedaan op de stand still bepaling, zoals neergelegd in artikel 13 van Besluit 1/80. De verruiming van het werkgeversbegrip zoals tot stand gekomen in de Wav en nadien nog nader aangescherpt, is volgens eiseres aan te merken als een ‘nieuwe beperking’ – zoals bedoeld in die verdragsbepalingen – ten opzichte van de wet- en regelgeving die gold op 1 december 1980, de datum van inwerkingtreding van het Raadsbesluit. Volgens eiseres kunnen niet alleen werknemers, maar ook werkgevers zich hier op beroepen. Ze verwijst in dit verband op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN1166) en 20 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ1632).

7.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of [naam werknemer] in Nederland mag werken zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Op grond van artikel 23 van de Verblijfsrichtlijn mogen gezinsleden van een burger van de Unie werken in de lidstaat waar de burger van de Unie woonachtig is. Op grond van deze bepaling mag [naam werknemer] derhalve in Duitsland werken. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat voor een juiste toepassing van artikel 23 van de Verblijfsrichtlijn mede aansluiting dient te worden gezocht bij het bij de Verblijfsrichtlijn geschrapte artikel 11 van de Verordening, op grond waarvan gezinsleden van een burger van de Unie mochten werken in het land waar de burger van de Unie werkte. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat artikel 23 van de Verblijfsrichtlijn artikel 11 van de Verordening heeft vervangen. Uit de aanhef van de Verblijfsrichtlijn blijkt dat met deze Richtlijn onder meer de Verordening wordt gewijzigd. Uit artikel 38, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn blijkt op welke wijze, namelijk dat, voor zover hier van belang, artikel 11 wordt geschrapt.

Anders dan eiseres lijkt te stellen, wordt het recht van de burger van de Unie van vrij verkeer en verblijf hierdoor niet beperkt. Het van het recht van vrij verkeer en verblijf afgeleide recht dat gezinsleden van een burger van de Unie die in een lidstaat verblijfsrecht genieten mogen werken, blijf immers onverkort bestaan. Alleen het uitgangspunt dat bij het bepalen van de lidstaat waar gezinsleden mogen werken wordt gehanteerd, is gewijzigd.

8.

De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of eiseres met succes een beroep heeft kunnen doen op artikel 13 van Besluit 1/80. Ook deze vraag beantwoord de rechtbank ontkennend.

Het doel van deze bepaling is de toegang tot de werkgelegenheid van Turkse werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn, te verbeteren. [naam werknemer] heeft legaal verblijf in Duitsland en het recht om in Duitsland te werken. Op grond van het Associatierecht bouwen Turkse werknemers rechten op om arbeid te kunnen verrichten in die lidstaat waar zij legaal verblijf hebben, in dit geval dus Duitsland. Het Associatierecht heeft immers niet tot doel Turkse werknemers rechtstreeks toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt te verlenen, anders dan wanneer zij legaal in Nederland verblijven en legaal in Nederland arbeid mogen verrichten. De rechtbank onderschrijft de stelling van eiseres dat deze bepaling ook van toepassing is indien een Turkse werknemer wenst toe te treden tot de arbeidsmarkt. Dit kan haar in dit geval echter niet baten, nu dit onverlet laat dat een Turkse werknemer gerechtigd dient te zijn om arbeid te verrichten en dat is voor wat betreft [naam werknemer] in Nederland niet het geval.

Ze is het voorts met eiseres eens dat uit de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2013 blijkt dat ook werkgevers zich op genoemde bepaling kunnen beroepen. Naar het oordeel van de rechtbank in geval van eiseres evenwel niet met succes, reeds omdat het grensoverschrijdend element ontbreekt. Nu de genoemde uitspraak van de Afdeling, als ook de uitspraak van 6 juli 2010 waarnaar eiseres ook nog heeft verwezen, zien op een andere situatie dan de onderhavige, de eerste uitspraak ziet op een situatie van grensoverschrijdende dienstverlening en de tweede op een situatie waarin de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland heeft, gaat de rechtbank hier verder aan voorbij.

9.

Uit de hiervoor gegeven overwegingen volgt dat de aangevoerde beroepsgronden niet slagen. Het beroep is dan ook ongegrond.

10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. A.W.C.M. Frings, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2014.

w.g. A. Frings w.g. A.W.P. Letschert

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 29 juli 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.