Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6712

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-07-2014
Datum publicatie
22-02-2016
Zaaknummer
AWB-13_1192u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1864, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eisers hebben verzocht om handhaving. Dat verzoek is bij het primaire besluit gedeeltelijk toe- en afgewezen. Het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit is bij het in beroep bestreden besluit gedeeltelijk niet ontvankelijk verklaard en gedeeltelijk gegrond. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het manegebouw verweerder ten onrechte tot niet-ontvankelijkheid heeft besloten, omdat de rechtbank anders dan verweerder vindt dat geen sprake is van een herhaalde aanvraag. In het kader van finale geschilbeslechting geeft de rechtbank een oordeel over de beroepsgronden van eisers over de situering van het manegegebouw. De rechtbank deelt de conclusie zoals neergelegd in het advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (Stab) dat het manegebouw niet overeenkomstig de bouwtekening is gesitueerd en verklaart het beroep van eisers op dit punt gegrond. Ten aanzien van het beroep voor zover dat ziet op de stapmolen en de longeerbak is de rechtbank van oordeel - er ligt een ontwerp-besluit tot legalisering voor en eiseres hebben niet gesteld schade te hebben geleden - dat er geen procesbelang meer is. Er volgt een gedeeltelijke vernietiging en niet- ontvankelijk verklaring en een proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13 / 1192

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2014 in de zaak tussen

[naam eiser 1] en [naam eiser 2] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. M.L.M. Frantzen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal, verweerder

(gemachtigde: C. Dehing),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam vergunninghouder], te [woonplaats] , (vergunninghouder).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder een handhavingsverzoek van eisers deels toe- en deels afgewezen.

Bij besluit van 1 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit deels gegrond, deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2013.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen bijgestaan door ir. H.J.M. Salemans.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst ten einde de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke ordening) (StAB) om advies te vragen.

Op 22 januari 2014 heeft de StAB advies uitgebracht. Partijen hebben op dit advies gereageerd. Naar aanleiding hiervan heeft de StAB op 4 maart 2014 een nader advies uitgebracht.

De nadere zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 21 mei 2014, waar eisers in persoon zijn verschenen bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en P. Pisters. Vergunninghouder is in persoon verschenen, bijgestaan door ir. H.J.M. Salemans.

Overwegingen

1.

Vergunninghouder woont op [adres vergunninghouder] te [woonplaats] en eisers wonen op [adres eisers] te [woonplaats] . Op 5 januari 2010 heeft verweerder ten behoeve van de bouw van een paardenhouderij/stoeterij aan vergunninghouder een bouwvergunning en een vrijstelling van het bestemmingsplan verleend. Op 6 april 2011 hebben de toenmalige bewoners van [adres eisers] een handhavingsverzoek ingediend, omdat niet conform de verleende bouwvergunning zou worden gebouwd. Dat verzoek werd bij besluit van 11 april 2011 afgewezen, omdat er geen afwijkingen waren geconstateerd. Tegen dat besluit hebben de voormalige bewoners geen rechtsmiddelen aangewend.

2.

Op 25 mei 2012 hebben eisers een handhavingsverzoek ingediend. Dat verzoek is bij het primaire besluit deels af- en deels toegewezen. Het is afgewezen voor zover het handhavingsverzoek zag op bouwen in afwijking van de verleende vergunning (manegegebouw) en toegewezen voor zover het handhavingsverzoek zag op het optreden tegen illegale bouwwerken (stapmolen en longeerbak). Op de datum van het primaire besluit is een brief uitgegaan naar vergunninghouder waarin verweerder hem meedeelde dat hij voornemens was vergunninghouder een termijn te geven tot 30 december 2012 om de stapmolen en longeerbak van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden onder last van een dwangsom van € 15.000 ineens. Vergunninghouder werd uitgenodigd een zienswijze met betrekking tot dit voornemen in te dienen.

3.

Het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit is bij het bestreden besluit met betrekking tot de besluitvorming omtrent de stapmolen en longeerbak niet-ontvankelijk, met betrekking tot het manegegebouw ongegrond en met betrekking tot de gevorderde dwangsom gegrond verklaard.

4.

Eisers voeren het volgende aan tegen het bestreden besluit. Verweerder is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het manegegebouw in overeenstemming met de bouwvergunning is gebouwd, nu die circa 4 meter is verschoven naar achteren. Het feit dat de woning van vergunninghouder op de verleende bouwvergunning verkeerd is gesitueerd, maakt niet dat ook het manegegebouw rechtens met hetzelfde aantal meters zou mogen worden opgeschoven. Enkel de relatieve maten tussen het woonhuis en het manegegebouw zijn gemeten, niet de afstand tot de diverse relevante erfgrenzen. Evenmin kan het bezwaar op dit punt simpelweg terzijde worden geschoven, omdat hieromtrent al eerder een handhavingsverzoek zou zijn afgewezen, aangezien in het primaire besluit het onderhavige handhavingsverzoek inhoudelijk is behandeld en afgewezen en de beslissing op bezwaar krachtens artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de grondslag van het bezwaarschrift dient te worden genomen. Bij brieven van 19 en 22 maart 2012 is vergunninghouder gewezen op de overtredingen met betrekking tot de stapmolen en longeerbak, maar er zijn ten onrechte geen bestuursrechtelijke maatregelen genomen. Daarbij is onterecht bij het primaire besluit overwogen dat vergunninghouder in de last onder dwangsom opnieuw en geheel ten overvloede een termijn zal worden gegeven tot 30 december 2012, neerkomende op een gedoogtoestemming voor een bepaalde termijn. Het bezwaar hiertegen had niet niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu verweerder uitdrukkelijk heeft beslist dat zou worden gehandhaafd, en dat niet heeft gedaan. Omdat verweerder het primaire besluit had moeten herroepen, is ten onrechte het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Ten slotte verzoeken eisers de rechtbank om verweerder een termijn te stellen op straffe van een dwangsom en bij de proceskosten factor 2 (zeer zwaar) toe te kennen.

5.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het onderhavige handhavingsverzoek gelijk is aan het in 2011 ingediende handhavingsverzoek van de toenmalige bewoners van [adres eisers] . Nu tegen het besluit van 11 april 2011 geen rechtsmiddelen zijn aangewend, heeft dat besluit rechtskracht verkregen, zodat van de rechtmatigheid van dat besluit uitgegaan moet worden. De stapmolen en longeerbak waren zonder de vereiste vergunning gerealiseerd, zodat het verzoek om hiertegen op te treden is gehonoreerd en het voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom is bekend gemaakt. Tijdens de zienswijze periode is ingebracht dat er zicht op legalisering bestond voor deze bouwwerken. Hiernaar is onderzoek verricht en dat heeft erin geresulteerd dat op 26 februari 2013 besloten is medewerking hieraan te verlenen. Inmiddels is het voornemen bekend gemaakt en de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage gelegd.

6.

Over de ongegrondverklaring van de bezwaren van eisers met betrekking tot het manegebouw overweegt de rechtbank het volgende.

6.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het handhavingsverzoek van eisers ter zake ten onrechte heeft afgewezen onder verwijzing naar een eerder verzoek om handhaving van de toenmalige bewoners van [adres eisers] (artikel 4:6 van de Awb). Ingevolge vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2009:BI9718) kan van een herhaalde aanvraag (als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb) slechts sprake zijn indien deze is ingediend door dezelfde aanvrager. De enkele omstandigheid dat de woning in eigendom is overgedragen aan eisers - de rechtbank merkt daarbij op dat eisers eerst in januari 2012 eigenaar van de woning zijn geworden - is niet voldoende om de aanvraag van eisers als een herhaalde aanvraag aan te merken. Reeds hierom moet het bestreden besluit worden vernietigd.

7.

Gelet op het belang van finale geschilbeslechting zal de rechtbank vervolgens inhoudelijk ingaan op de beroepsgronden van eisers gericht tegen het manegegebouw.

7.1

De StAB concludeert in zijn advies van 22 januari 2014 dat het gebouwde manegegebouw ten opzichte van de kadastrale grens (de erfgrens) van eisers niet conform de bouwtekening is gepositioneerd. De StAB heeft daartoe een locatieonderzoek gehouden, waarbij ter plaatse metingen zijn uitgevoerd.

7.2

De rechtbank neemt de conclusie van de StAB over en overweegt daartoe dat uit de door de StAB verrichte metingen en gemaakte tekeningen blijkt dat de woning van vergunninghouder ( [adres vergunninghouder] ) in werkelijkheid niet ligt op de plaats waar die volgens de bouwtekening zou moeten liggen. Aangezien verweerder heeft gemeten vanuit de bestaande woning van vergunninghouder verklaart dit verweerders stelling dat zou zijn gebouwd conform de verleende bouwvergunning. Uitgaande van de feitelijke situering van de woning moet worden geconcludeerd dat het manegegebouw ten opzichte van de erfgrens van eisers niet conform de bouwtekening is gepositioneerd maar zo’n 4 meter meer naar achteren is gesitueerd. Met eisers is de rechtbank van oordeel dat het hier niet gaat om een geringe verschuiving en dit betekent dat het beroep van eisers gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat verweerder binnen 2 maanden een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen.

8.

Ten aanzien van de beroepsgronden met betrekking tot het niet ontvankelijk verklaren van het bezwaarschrift van eisers ter zake van de stapmolen en de longeerbak overweegt de rechtbank het volgende.

8.1

De rechtbank is van oordeel dat eisers geen procesbelang (meer) hebben bij een beoordeling hiervan door de rechtbank. Verweerder heeft immers in 2013 het voornemen bekendgemaakt om medewerking te verlenen aan legalisering hiervan en heeft de ontwerp- omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Tegen verweerders besluit ter zake staan voor eisers rechtsmiddelen open.

Voorts is gesteld noch gebleken dat eisers ten gevolge van de niet-ontvankelijkverklaring schade zouden hebben geleden. Dit betekent dat het beroep van eisers voor wat betreft dit onderdeel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

9.

Op basis van het gestelde in de rechtsoverwegingen 6 en 7 is het beroep gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 2 maanden na verzending van deze uitspraak. De rechtbank gaat er vanuit dat verweerder gevolg zal geven aan deze termijn en zal geen dwangsom opleggen.

10.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 487 x 3,5 = € 1704,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen ter zittingen, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1). Over de wegingsfactor (gemiddeld) merkt de rechtbank op dat onderhavige zaak niet als (juridisch) complex kan worden beschouwd.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover dit betrekking heeft op het manegegebouw gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel;

- draagt verweerder op binnen 2 maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit betrekking heeft op de stapmolen en de longeerbak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1704,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken

op 25 juli 2014.

w.g. E. Seylhouwer,

griffier

w.g. Seerden,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 25 juli 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.