Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6564

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_2291u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Betreft diverse verzoeken om handhavend op te treden ten aanzien van een pluimveehouderij in verband met onder meer geuroverlast door de mestloods, emissie van stof, het niet gesloten zijn van staldeuren en het verladen van kippenmest. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bij het primaire besluit opgelegde last terzake van de uitstoot van stof uit de kieren in de zijgevels van de mestloods ingetrokken. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat uit de aanwezige controlerapporten blijkt dat er ten tijde van het bestreden besluit geen sprake (meer) was van een overtreding. Nu gesteld, noch gebleken is dat er dwangsommen zijn verbeurd, slaagt de beroepsgrond tegen de intrekking van de last niet.

Ten aanzien van (de uitvoering van) de mestloods is sprake van een illegale situatie die door de inmiddels verleende veranderingsvergunning niet wordt gelegaliseerd omdat een andere situatie dan de feitelijk aanwezige wordt vergund. Het daartegen gerichte beroep is gegrond, maar de rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten omdat is komen vast te staan dat de nieuwe situatie voor eiser meer bescherming oplevert dan de voordien vergunde situatie en dus niet alleen ten opzichte van de illegale feitelijke situatie. Verder zijn alle benodigde vergunningen verleend en is de verandering op korte termijn uitvoerbaar. Dit maakt handhaving in dit geval onevenredig, waarbij de rechtbank nog opmerkt dat eiser via een (nieuw) handhavingsverzoek uitvoering kan afdwingen, mocht vergunninghouder niet overgaan tot handelen conform de inmiddels verleende veranderingsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 13/2291

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], te Stramproy, eiser,

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder,

(gemachtigde: G.J.F.M. Vosdellen);

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam bedrijf], te Stramproy,

(gemachtigde: ing. [gemachtigde vergunninghouder]).

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser tot handhavend optreden ten aanzien van de inrichting van derde-partij (vergunninghouder) deels toegewezen en deels afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit, voor zover daarbij niet handhavend is opgetreden, ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij tevens het primaire besluit herroepen en de aan vergunninghouder opgelegde last onder dwangsom, voor zover deze ziet op het toegewezen verzoek, ingetrokken.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. F.K. van den Akker, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partij is verschenen [naam vergunninghouder], bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Op 5 oktober 2012 heeft eiser, wonend aan de [adres eiser], verweerder verzocht handhavend op te treden ten aanzien van de inrichting van vergunninghouder, gelegen aan de[adres bedrijf vergunninghouder]. Naar aanleiding van een voornemen daartoe heeft verweerder bij het primaire besluit dit verzoek deels toegewezen. Aan vergunninghouder is een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van de overtreding van artikel 1.1.1. (emissie van wit stof) en artikel 17.6.3 (het niet gesloten zijn van een staldeur) van de voor die inrichting op dat moment geldende omgevingsvergunning van 2 juni 2010. Voor het overige is het handhavingsverzoek van eiser afgewezen. Dit onderdeel van het primaire besluit ziet op de plaatsing van extra ventilatoren, de geurbelasting en het verladen van kippenmest. Verweerder heeft in dat verband gewezen op het op 7 februari 2013 ter inzage gelegde ontwerpbesluit tot verandering van de omgevingsvergunning voor de voormelde inrichting (zicht op legalisatie).

2.

Het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar, voor zover dat de weigering van voormeld handhavingsverzoek betreft, is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe verwezen naar de inmiddels op 21 mei 2013 op basis van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) verleende omgevingsvergunning. Verweerder heeft tevens het primaire besluit herroepen en de aan vergunninghouder opgelegde last onder dwangsom ingetrokken voor zover die ziet op de toewijzing van het handhavingsverzoek. Verweerder heeft daartoe aangegeven dat aan de last is voldaan.

3.

Eiser voert in beroep tegen het bestreden besluit aan dat wat de emissie van wit stof betreft verweerder ten onrechte tot intrekking van de dwangsom is overgegaan nu eiser - na de datum van het bestreden besluit - heeft geconstateerd dat er nog steeds sprake is van emissie van wit stof (en volgens hem dus ook stank) door openingen/kieren in de nok van de zijgevels aan de noord- en zuidzijde van mestloods 9. Hiertoe zijn foto’s overgelegd.

Voorts is eiser van mening dat het bestreden besluit niet voorzien is van een deugdelijke motivering nu ten onrechte wordt gesteld door verweerder dat er sprake is van zicht op legalisatie. Dat ontbreekt omdat de inmiddels verleende omgevingsvergunning in strijd is met artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) en eiser daartegen beroep heeft ingesteld bij deze rechtbank. Hij verwijst naar het desbetreffende beroepschrift in die zaak met nummer AWB 13 / 2279.

4.

In het verweerschrift geeft verweerder ten aanzien van de emissie van wit stof aan dat er op 10 september 2013 een (her)controle is uitgevoerd en dat is gebleken dat de desbetreffende kieren/openingen allemaal met PUR zijn afgedicht. Dit was ook al tijdens de controle van 3 mei 2013 geconstateerd. Dat er emissie van wit stof plaatsvindt op het dak van de loods heeft te maken met het feit dat er andere (vergunde) openingen zijn waaruit dit stof naar buiten treedt. Ten aanzien van het zicht op legalisatie handhaaft verweerder eveneens het bestreden besluit, omdat hij van mening is dat ten aanzien van het aspect geur de op 21 mei 2013 verleende veranderingsvergunning wel rechtmatig is. Verweerder verwijst hiervoor naar (de door hem overgelegde stukken in) de desbetreffende beroepsprocedure.

5.

De rechtbank overweegt als volgt

6.

Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan van het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom afzien. Dergelijke omstandigheden kunnen zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat, of als het opleggen van een dergelijke last zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat in die concrete situatie van het opleggen van die last behoort te worden afgezien.

7.

Op basis van de gedingstukken en de behandeling ter zitting is de rechtbank van oordeel dat verweerder genoegzaam heeft aangetoond dat ten tijde van het bestreden besluit de in de zijgevels van mestloods 9 aanwezige openingen/kieren zijn dichtgemaakt met PUR. De rechtbank verwijst hiervoor naar het controlerapport van 3 mei 2013, waarbij zij opmerkt dat de daarin neergelegde bevindingen worden bevestigd door het controlerapport van 10 september 2013. Dat het eerst vermelde controlerapport geen foto’s bevat brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank is niet gebleken dat, anders dan eiser stelt, deze manier van afdichten onvoldoende zou zijn. De rechtbank merkt daarbij op dat de emissie van wit stof, zoals verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt, afkomstig is uit wel vergunde openingen in de nok van het dak en op dit dak neerslaat. Anders dan eiser stelt is de rechtbank van oordeel dat er ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van een overtreding. Deze beroepsgrond gericht tegen de intrekking van de last onder dwangsom slaagt, mede nu gesteld noch gebleken is dat dwangsommen zijn verbeurd, in het licht van het vorenstaande niet.

8.

Ten aanzien van het door eiser gestelde over het ontbreken van (concreet) zicht op legalisatie en de verwijzing daaromtrent naar het door hem ingestelde beroep tegen de verandering van de omgevingsvergunning overweegt de rechtbank het volgende.

8.1

Ten tijde van het bestreden besluit was bij het besluit van verweerder van 21 mei 2013 aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend op basis van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo voor het veranderen van de werking van zijn pluimveehouderij. Derhalve was op dat moment in zoverre sprake van een legale situatie. Het beroep tegen dat besluit is bij uitspraak van de rechtbank van heden ongegrond verklaard (AWB 12 / 2279). De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de door eiser ten aanzien van de verlening van de omgevingsvergunning ingeroepen schending van artikel 3 van de Wgv niet strekt tot bescherming van zijn belangen maar die van een aantal andere omwonenden, terwijl zijn situatie wat betreft geur is verbeterd. De rechtbank ziet in hetgeen hieromtrent is aangevoerd door eiser geen reden om ten aanzien van de handhaving tot een ander oordeel te komen. Daarbij komt dat artikel 3 van de Wgv ziet op emissies vanuit dierenverblijven en niet op die uit mestloodsen als de onderhavige.

Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

9.

Ter zitting heeft eiser, hetgeen niet is weersproken door verweerder, nader aangegeven dat er ten aanzien van de mestloods geen sprake is van (concreet zicht op) legalisatie, omdat de feitelijke (illegale) situatie niet wordt gelegaliseerd maar er een andere situatie wordt vergund en dus de bestaande illegale situatie in de tussentijd niet wordt opgeheven.

De rechtbank volgt dit standpunt van eiser en is van oordeel dat het bestreden besluit niet gedragen kan worden door de motivering die verweerder daaraan ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 mei 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AX2147) en 11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2321).

10.

Het beroep is gelet op hetgeen is overwogen onder 9 gegrond en het bestreden besluit komt op dit punt voor vernietiging in aanmerking De rechtbank ziet in het licht van een effectieve geschilbeslechting evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten en overweegt daartoe het volgende.

Op basis van de gedingstukken en de behandeling ter zitting is komen vast te staan dat de te realiseren situatie (op basis van de op 21 mei 2013 verleende omgevingsvergunning) voor eiser meer bescherming oplevert dan de voordien vergunde situatie en dus niet alleen ten opzichte van de illegale feitelijke situatie. Voorts is komen vast te staan dat behalve voor de onderhavige Wabo-omgevingsvergunning die ziet op de milieuactiviteit ook de noodzakelijke omgevingsvergunningen voor de daarmee samenhangende bouwactiviteiten zijn verleend op basis van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo en onherroepelijk zijn geworden en dus uitvoerbaar zijn op korte termijn. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van omstandigheden die maken dat handhaving in dit geval onevenredig zou zijn. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser, indien vergunninghouder niet overgaat tot het handelen conform de veranderingsvergunning, hij daartoe (opnieuw) een handhavingsverzoek kan doen.

11.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 160,00 vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,00 en voor de reiskosten van eiser voor het bijwonen van de zitting op € 13,74.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond voor zover dat ziet op het intrekken van de last onder dwangsom;

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover dat ziet op de afwijzing van het verzoek om handhaving;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op voormelde afwijzing;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 987,74, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, (voorzitter), en mr. Th.M. Schelfhout en mr.drs. E.J. Govaers, leden, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2014.

w.g. F.A. Timmers,

griffier

w.g. Seerden,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 juli 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.