Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6414

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-07-2014
Datum publicatie
21-07-2014
Zaaknummer
03/659355-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafzaak tegen vijf verdachten, van wie vier lid zijn van de motorclub Bandidos.

Veroordelingen wegens het bezit van wapens, in sommige gevallen in combinatie met (bijbehorende) munitie. Twee verdachten worden daarnaast veroordeeld wegens het bezit van soft- en harddrugs. De opgelegde straffen variëren van onvoorwaardelijke gevangenisstraffen tot geldboetes.

De straffen zijn in de meeste gevallen fors lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de verdachten worden vrijgesproken van het bezit van de wapens en munitie die verstopt waren op een perceel, dat door de officier van justitie werd aangeduid als "het clubhuis van de Bandidos". De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachten wisten dat deze wapens en munitie op het terrein verstopt waren. Het feit dat vier verdachten lid waren van de Bandidos maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/659355-13

Datum uitspraak : 21 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres 1].

Raadsman is mr. K.B.H. Welvaart, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

7 juli 2014. De rechtbank heeft op deze terechtzitting gehoord de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: amfetamine en cocaïne voorhanden heeft gehad;

Feit 2: hennep aanwezig heeft gehad;

Feit 3: een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft zij daartoe aangevoerd dat verdachte de feiten heeft bekend. De drugs werden in de caravan waar verdachte verbleef aangetroffen. Onderzoek van de aangetroffen stoffen wees uit dat het respectievelijk amfetamine, cocaïne en hennep betrof.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie aangevoerd dat bij verdachte een vuurwapen werd aangetroffen. Van dit wapen werd een foto gemaakt. Het wapen is door middel van de foto beoordeeld, aangezien het echte wapen voorafgaande aan de inbeslagneming opeens verdwenen was. Verdachte heeft ten overstaan van de politie bekend dat het een vuurwapen betrof.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte de feiten 1 en 2 heeft bekend, met uitzondering van de aan hem ten laste gelegde aanwezigheid van cocaïne. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat de cocaïne zich in de caravan bevond. De raadsman heeft verzocht verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging onder feit 1 vrij te spreken.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman vrijspraak betoogd, nu niet kan worden vastgesteld of het wapen onder de tenlastegelegde categorie van de Wet wapens en munitie valt. Het wapen kon namelijk enkel aan de hand van een foto worden onderzocht, aangezien het echte wapen verdwenen bleek te zijn. Niet kan worden uitgesloten dat het wapen een namaakexemplaar betrof.

3.3

Het oordeel van de rechtbank1

Op 17 september 2013 controleerde de politie, in het kader van de Wet wapens en munitie, een caravan welke zich bevond aan de achterzijde van de woning aan de [adres 2] te Nieuwstadt. Verdachte verbleef op dat moment tijdelijk in de caravan. Desgevraagd deelde verdachte mede dat hij over een vuurwapen beschikte en dat dit wapen in de caravan lag. Verdachte pakte vervolgens een pistool onder een kussen van het bed vandaan. Het pistool werd op bed neergelegd. Nadat de caravan kort werd verlaten, heeft de politie het wapen gefotografeerd, waarna de caravan opnieuw werd verlaten. Bij terugkomst van de politie bleek het wapen verdwenen te zijn. Hierop werd de gehele caravan doorzocht. Het wapen is echter niet teruggevonden. Wel trof de politie twee zakken aan met daarin vermoedelijk harddrugs en softdrugs.2 Deze werden inbeslaggenomen.3 Onderzoek van de stoffen wees uit dat in totaal 24,9 gram van de onderzochte stoffen amfetamine bevatte.4 In totaal 36 gram reageerde positief op de aanwezigheid van THC, zijnde de werkzame stof in hennep.5

Verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat de in de caravan aangetroffen verdovende middelen, te weten de amfetamine en de hennep,6 van hem zijn.7

Gelet op het aantreffen van de verdovende middelen, het onderzoek van deze stoffen en de verklaring van verdachte hieromtrent, stelt de rechtbank vast dat verdachte 24,9 gram amfetamine (feit 1) en 36 gram hennep (feit 2) aanwezig heeft gehad. De rechtbank acht de feiten 1 en 2 dan ook bewezen.

Ten aanzien van de onder feit 1 tenlastegelegde 0,23 gram cocaïne overweegt de rechtbank dat deze drugs weliswaar in de caravan werd aangetroffen, maar dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat deze drugs zich daar bevonden. Verdachte heeft immers verklaard dat deze cocaïne niet van hem was en dat hij denkt dat iemand deze heeft laten liggen. Nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden afgeleid dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de cocaïne, te meer nu verdachte slechts tijdelijk in de caravan verbleef, dient verdachte voor dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het aangetroffen wapen heeft verdachte bij de politie verklaard dat er een vuurwapen onder een kussen van het bed lag. Dit pistool, zwart van kleur, was zijn eigendom. Het pistool was van het merk Beretta, kaliber 7.65. In het wapen bevonden zich 6 of 7 patronen. Verdachte wist niet of het pistool doorgeladen was.8

Gelet op de bevindingen van de politie ter plaatse en de verklaring van verdachte bij de politie stelt de rechtbank vast dat in een caravan, waar verdachte tijdelijk in verbleef, een wapen werd aangetroffen. De raadsman heeft betoogd dat, bij gebrek aan deugdelijk onderzoek van het wapen, niet kan worden uitgesloten dat het een namaakwapen betrof. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte een gedetailleerde beschrijving heeft gegeven van het wapen. Hierbij heeft hij verklaard over de aanwezigheid van munitie in het wapen en over het al dan niet doorgeladen zijn van het wapen. Deze kenmerken passen enkel bij een echt vuurwapen en niet bij een namaakwapen. Een namaakwapen kan immers geladen noch doorgeladen worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Feit 3 kan dan ook bewezen worden.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

op 17 september 2013 te Nieuwstadt, opzettelijk aanwezig heeft gehad 24,9 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2

op 17 september 2013 te Nieuwstadt, opzettelijk aanwezig heeft gehad 36 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3

op 17 september 2013 te Nieuwstadt, voorhanden heeft gehad een vuurwapen van de categorie III onder 1, te weten een pistool (merk Beretta).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapen en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III .

5 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

6 De oplegging van straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan verdachte op te leggen een taakstraf, waarvan een groot deel voorwaardelijk, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Hij heeft hierbij verwezen naar de oriëntatiepunten en uitspraken in soortgelijke zaken.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Verdachte heeft een vuurwapen (pistool) voorhanden gehad. Dit wapen bewaarde hij onder zijn kussen. Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de grote dreiging die daarvan uitgaat voor anderen. Dergelijke wapens kunnen gebruikt worden voor allerlei (levens)bedreigende activiteiten. Het voorhanden hebben daarvan vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen. Daar komt nog bij, in strafverzwarende zin, dat het wapen kennelijk geladen was en bovendien binnen handbereik van verdachte lag. Verdachte kon dan ook een schietklaar vuurwapen direct ter hand nemen, hetgeen een levensgevaarlijke situatie oplevert.

Voor het bezit van een pistool wordt, overeenkomstig de oriëntatiepunten van het LOVS, doorgaans een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden opgelegd. Gelet op de strafverzwarende omstandigheden, zoals hiervoor vermeld, zal de rechtbank in de onderhavige strafzaak voor het wapenbezit een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden opleggen. Daarnaast heeft verdachte een hoeveelheid amfetamine en hennep voorhanden gehad.

Alles overwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf alleszins redelijk en zij zal deze dan ook overnemen.

Voor het opleggen van een andere strafmodaliteit zoals bepleit door de raadsman, ziet de rechtbank gelet op de ernst van het onder 3 bewezen verklaarde feit geen aanleiding.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd.

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar.

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. J.S. Holthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 juli 2014.

Buiten staat:

mr. B.G.L. van der Aa is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 17 september 2013 te Nieuwstadt,in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 24,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 0,23 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 17 september 2013 te Nieuwstadt, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 36 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op of omstreeks 17 september 2013 te Nieuwstadt, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, voorhanden heeft gehad:

a.

een vuurwapen van de categorie III onder 1, te weten een pistool (merk Beretta);

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, met proces-verbaalnummer 2013084235, en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 september 2013, pagina 115 en 116.

3 Processen-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 24 september 2013, pagina 13 en 17 en het proces-verbaal Opiumwet d.d. 18 september 2013, pagina 32 en 33.

4 Het geschrift, te weten het rapport van het NFI, d.d. 11 oktober 2013, pagina 75.

5 Proces-verbaal Opiumwet d.d. 18 september 2013, pagina 34.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 september 2013, pagina 130.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 september 2013, pagina 127.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 september 2013, pagina 127.