Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6413

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-07-2014
Datum publicatie
21-07-2014
Zaaknummer
03/700192-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafzaak tegen vijf verdachten, van wie vier lid zijn van de motorclub Bandidos.

Veroordelingen wegens het bezit van wapens, in sommige gevallen in combinatie met (bijbehorende) munitie. Twee verdachten worden daarnaast veroordeeld wegens het bezit van soft- en harddrugs. De opgelegde straffen variëren van onvoorwaardelijke gevangenisstraffen tot geldboetes.

De straffen zijn in de meeste gevallen fors lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de verdachten worden vrijgesproken van het bezit van de wapens en munitie die verstopt waren op een perceel, dat door de officier van justitie werd aangeduid als "het clubhuis van de Bandidos". De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachten wisten dat deze wapens en munitie op het terrein verstopt waren. Het feit dat vier verdachten lid waren van de Bandidos maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/700192-14

Datum uitspraak : 21 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Raadsman is mr. K.B.H. Welvaart, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 7 juli 2014. De rechtbank heeft op deze terechtzitting gehoord de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: al dan niet samen met een ander of anderen een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad;

Feit 2: al dan niet samen met een ander of anderen vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad;

Feit 3: al dan niet samen met een ander of anderen een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad;

Feit 4: een boksbeugel voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Ten aanzien van feit 1 heeft zij aangevoerd dat er sprake is van medeplegen. Verdachte heeft verklaard dat het in de Audi A6 van medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen wapen en de daarin aangetroffen munitie aan hem toebehoorden. Op het wapen en de munitie werd een DNA mengprofiel aangetroffen, waarbij niet valt uit te sluiten dat medeverdachte [medeverdachte 1] de donor is van het celmateriaal. De officier van justitie heeft betoogd dat men kennelijk met meerdere mensen over het wapen kon beschikken.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat op de deksel van een in de grond begraven ton, DNA materiaal werd aangetroffen. Van dit celmateriaal valt niet uit te sluiten dat verdachte de donor is. Hieruit leidt de officier van justitie af dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van het tonnetje en wist van de inhoud ervan. Verdachte dient strafrechtelijk verantwoordelijk te worden gehouden voor de in het tonnetje aanwezige vuurwapens en munitie. De officier van justitie acht tevens bewezen dat verdachte 20 kogelpatronen voorhanden heeft gehad die in de schuur werden aangetroffen, nu deze munitie hoorde bij één van de vuurwapens uit het tonnetje.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie aangevoerd dat dit feit bewezen kan worden, nu het DNA van verdachte op het wapen werd aangetroffen. Verdachte heeft het wapen met de bijbehorende munitie samen met een ander voorhanden gehad.

Bij feit 4 heeft de officier van justitie verwezen naar de bekennende verklaring van verdachte.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de feiten 1, 2 en 3. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte aan geen van de plaatsen waar de wapens en munitie werden aangetroffen, kan worden gelinkt. Hoewel verdachte ten aanzien van feit 1 heeft verklaard dat het wapen aan hem toebehoorde, wordt deze verklaring door geen ander bewijs ondersteund. Hierdoor is niet voldaan aan het wettelijk vereiste bewijsminimum.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman betoogd dat het mogelijke DNA spoor op de deksel van de ton niets zegt over de wetenschap van verdachte over de inhoud van de ton. Bovendien kan niet worden vastgesteld wanneer, waar en onder welke omstandigheden het DNA spoor op de ton werd achtergelaten.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat het DNA van verdachte op het wapen werd aangetroffen, maar dat op basis hiervan niet kan worden vastgesteld dat verdachte op 26 maart 2014 het wapen en de munitie voorhanden had en daarover kon beschikken.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank1

Inleiding

Op 25 maart 2014 werd door de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen een noodbevel ex artikel 175 van de Gemeentewet uitgevaardigd naar aanleiding van vertrouwelijke informatie van de Nationale Politie dat op 26 maart 2014 een zogenaamde “patch over party” van de motorclub Bandidos zou plaatsvinden in of rondom het perceel aan de [W-straat] te Geleen. Hierbij was de toestroom van vertegenwoordigers van andere chapters en bevriende motorclubs, vanuit binnen- en buitenland, te verwachten. Er werd gevreesd dat de “patch over party” als provocerend kon worden gezien door concurrerende motorclubs. Gelet op de dreiging van een mogelijke confrontatie tussen motorclubs, heeft de burgemeester een noodbevel uitgevaardigd. De gemeente Sittard-Geleen werd daarbij als veiligheidsrisicogebied aangemerkt. De officier van justitie heeft daarop een last ex artikel 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie uitgevaardigd, zodat in het risicogebied onder andere vervoermiddelen konden worden doorzocht en personen preventief gefouilleerd konden worden.

Tot slot heeft de burgemeester een last onder bestuursdwang opgelegd in de vorm van een sluiting van de woning aan de [W-straat] te Geleen voor de duur van 3 maanden.

Ter uitvoering van het voorgaande, is de politie op 26 maart 2014 naar het perceel aan de [W-straat] te Geleen gegaan. Aldaar bevonden zich op dat moment verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [betrokkene 1], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [betrokkene 2] en [betrokkene 3].

De rechtbank zal nu overgaan tot bespreking van de afzonderlijke feiten.

Ten aanzien van feit 1:

Op 26 maart 2014 werd de auto van [medeverdachte 1], welke ter hoogte van het perceel aan de [W-straat] te Geleen stond, doorzocht op grond van de Wet wapens en munitie. In deze auto werden in een zak met hondenbrokken en een Action-tas respectievelijk een geladen vuurwapen met 5 patronen en 10 losse patronen aangetroffen. Op het vuurwapen en twee patronen afkomstig uit het vuurwapen werd DNA materiaal aangetroffen, waarbij niet valt uit te sluiten dat dit afkomstig is van [medeverdachte 1].

Op de beelden van een camerabeveiligingssysteem was te zien dat [medeverdachte 1] kort voor de doorzoeking van de auto de zak met hondenbrokken zelf in de auto heeft geplaatst en de Action-tas bij de auto heeft geplaatst, waarna deze door een andere aanwezige, te weten [betrokkene 3], in de auto werd geplaatst. [medeverdachte 1] heeft ontkend dat hij spullen in de auto heeft gezet. Deze verklaring is, gelet op de camerabeelden, feitelijk onjuist en kennelijk leugenachtig. [medeverdachte 1] heeft op een cruciaal punt aantoonbaar gelogen. De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat [medeverdachte 1] een leugenachtige verklaring heeft afgelegd om de waarheid te bemantelen. Het bemantelen van de waarheid door [medeverdachte 1] kan slechts één doel hebben, namelijk om te verbloemen dat hij wel degelijk op de hoogte was van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie in de zak hondenbrokken en de Action tas.

Verdachte heeft ten overstaan van de politie direct verklaard dat het wapen van hem was. Bij zijn aanhouding was hij in bezit van de autosleutel van de auto van [medeverdachte 1]. De rechtbank acht desondanks de verklaring van verdachte dat hij de eigenaar van het wapen was, niet geloofwaardig. Verdachte heeft immers niets verklaard over het moment of de wijze waarop het wapen in de zak met hondenbrokken en vervolgens in de auto van een ander, te weten [medeverdachte 1], terecht is gekomen.

Ook de manier waarop verdachte zijn “bekentenis” doet, maakt dat de rechtbank weinig geloof hecht aan deze verklaring. Verdachte heeft immers enkel verklaard: “Ik wil het eigenlijk zo doen. Die 38.special, die achterin die hondenzak zat is van mij en voor de rest heb ik niks te zeggen”.

Ook de brief die verdachte later vanuit detentie stuurt aan de eveneens gedetineerde [medeverdachte 1] en waarin hij zijn excuses aan [medeverdachte 1] betuigt omdat hij iets in zijn auto heeft gelegd, komt op de rechtbank eerder over als een onhandige poging om zijn “bekentenis” kracht bij te zetten. Immers, ook verdachte zal ongetwijfeld hebben geweten dat dit type post van en naar gedetineerden gecontroleerd wordt en dat het dus vrijwel zeker was dat politie en/of justitie deze brief zou lezen. Gelet op al het voorgaande, valt dan ook niet uit te sluiten dat verdachte zijn “bekentenis” enkel heeft afgelegd om op die manier de verdenking jegens [medeverdachte 1] weg te nemen. Daar komt nog bij dat op het wapen en de munitie geen DNA materiaal van verdachte werd aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het wapen aan verdachte toebehoorde en dat hij wist van de aanwezigheid van het wapen in de auto van [medeverdachte 1]. Laat staan dat verdachte daarover kon beschikken. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 1.

Ten aanzien van feit 2:

Op 26 en 27 maart 2014 werd een onderzoek ingesteld op het perceel aan de [W-straat] te Geleen. Op en rond het perceel werden op verschillende plaatsen meerdere vuurwapens en munitie aangetroffen. De wapens en de munitie waren dermate goed verstopt, te weten onder een metalen vat, in een in de grond begraven ton, in een tuinhuis en in een stofzuiger, dat deze pas bij hernieuwde zoekingen werden gevonden.

Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd het voorhanden hebben van wapens en munitie, die werden aangetroffen in een in de grond van een belendend perceel begraven ton en ook munitie die in een stofzuiger in een schuur werd aangetroffen. Die laatste munitie behoorde bij een van de vuurwapens uit de ton.

Op de deksel van de ingegraven ton zat een DNA mengprofiel. Verdachte kon niet worden uitgesloten als donor van het celmateriaal. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte hoogst waarschijnlijk de deksel van de ton op enig moment heeft vastgehouden. Gelet op de complexiteit van het DNA mengprofiel, kan dit echter niet met zekerheid worden vastgesteld.

Verdachte was ten tijde van de doorzoeking op 26 maart 2014 aanwezig op het perceel aan de [W-straat] te Geleen. Om tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van de wapens en de munitie te komen, is met name relevant of verdachte wist van de aanwezigheid van de wapens en de munitie. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank dit niet kunnen vaststellen. Ook indien op basis van het DNA materiaal zou vaststaan dat verdachte de deksel van de ton op enig moment heeft vastgehouden, dan staat daarmee niet vast dat verdachte dus ook wetenschap had van de inhoud van de ton. Dit geldt te meer nu op de wapens en de munitie in de ton geen DNA van verdachte werd aangetroffen.

Gelet op het voorgaande dient verdachte dan ook, bij gebrek aan bewijs, te worden vrijgesproken van feit 2.

Ten aanzien van feit 3:

Op 26 maart 2014 werd de auto van [medeverdachte 5], die ter hoogte van het perceel aan de [W-straat] te Geleen stond, doorzocht op grond van de Wet wapens en munitie. In deze auto werd een vuurwapen met bijbehorende munitie aangetroffen. Op het wapen werd het DNA van verdachte aangetroffen.

Gelet op het DNA spoor op het wapen stelt de rechtbank vast dat verdachte op enig moment het aangetroffen wapen in handen zal hebben gehad. De rechtbank is, evenals de raadsman, van oordeel dat op basis hiervan echter niet kan worden vastgesteld dat verdachte het wapen op 26 maart 2014, zoals ten laste is gelegd, voorhanden heeft gehad. Immers, niet kan worden uitgesloten dat het DNA van verdachte al eerder op het wapen terecht is gekomen en dat hij op 26 maart 2014 geen wetenschap had van de aanwezigheid van dat wapen in de auto van [medeverdachte 5]. Verdachte zal dan ook, bij gebrek aan bewijs, worden vrijgesproken van feit 3.

Ten aanzien van feit 4:

Evenals de officier van justitie en de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat feit 4 bewezen kan worden verklaard op grond van:

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 26 maart 2014, pagina 164, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2014, pagina 335;

  • -

    het proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 26 maart 2014, pagina 873;

  • -

    het proces-verbaal van onderzoek wapen d.d. 27 maart 2014, pagina 344.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

4

op 26 maart 2014 te Geleen, een wapen van categorie I, onder 3°, te weten een boksbeugel, heeft gedragen en voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

4.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare misdrijf:

Ten aanzien van feit 4:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

5 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

6 De oplegging van straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte, verzocht een eventueel op te leggen straf niet hoger te laten zijn dan de duur van het voorarrest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het dragen en het voorhanden hebben van een boksbeugel. Het ongecontroleerde bezit van een dergelijk wapen moet vanwege de dreiging en het gevaar die daarvan uitgaan, worden bestreden.

De vordering van de officier van justitie is, zo begrijpt de rechtbank, in grote mate beïnvloed door het onder feit 2 tenlastegelegde en het door haar bewezen geachte bezit van meerdere vuurwapens en munitie. De rechtbank acht dit feit echter niet bewezen. Ook acht de rechtbank - in tegenstelling tot de officier van justitie - de feiten 1 en 3 niet bewezen. Zij zal daarom een beduidend lagere straf én een andere strafmodaliteit opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Voor het voorhanden hebben van een boksbeugel wordt overeenkomstig de oriëntatiepunten van het LOVS doorgaans een geldboete opgelegd ter hoogte van € 170,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in de onderhavige strafzaak van af te wijken en zal deze geldboete dan ook opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 170,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Holthuis, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en

mr. C.G.A. Wouters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 juli 2014.

Buiten staat:

mr. B.G.L. van der Aa is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 26 maart 2014 te Geleen, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een (vuur)wapen van categorie III onder 1, te weten een revolver (Smith & Wesson kaliber .38 special - pag. 341), en/of

- munitie van categorie III, te weten 15, in elk geval een aantal, patro(o)n(en) (kaliber .38 special - pag. 342 en 343),

voorhanden heeft gehad (aangetroffen in een personenauto merk Audi, kenteken [kenteken 1]);

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 maart 2014 tot en met 27 maart 2014 te Geleen, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- één (vuur)wapen van categorie II onder 2 en 3, te weteneen pistoolmitrailleur (merk Zastava, kaliber 7.65 mm Browning - pag. 785) en/of

- één of meer (vuur)wapens(s) van categorie III onder 1, te weten een pistool (merk FN, kaliber 9 mm Luger - pag. 786) en/of

- munitie van categorie III, te weten

20, in elk geval een aantal, patro(o)n(en) (kaliber 7.65 - pag. 787) en/of

10, in elk geval een aantal, patro(o)n(en) (kaliber 9 mm - pag. 787) en/of

20, in elk geval een aantal, patro(o)n(en) (kaliber .38 - pag. 788) en/of

5, in elk geval een aantal, patro(o)n(en) (kaliber.38 special - pag. 788) en/of

20, in elk geval een aantal, patro(o)n(en) (kaliber 7.65 - pag. 798)

voorhanden heeft gehad (aangetroffen (op of) in de directe nabijheid van het perceel [W-straat] te Geleen);

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij op of omstreeks 26 maart 2014 te Geleen, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (vuur)wapen van categorie III onder 1, te weten

- een pistool (merk Astra, kaliber 9 mm - pag. 454), en/of

- munitie van categorie III, te weten 7, in elk geval een aantal, patro(o)n(en) (kaliber 9 mm - pag 454),

voorhanden heeft gehad (aangetroffen in een personenauto van het merk Ford kenteken [kenteken 2]);

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

4.

hij op of omstreeks 26 maart 2014 te Geleen, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, een wapen van categorie I, onder 3°, te weten een boksbeugel (pag. 344), heeft gedragen en/of voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, met proces-verbaalnummer 2014034066, en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.