Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6408

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
2152570 CV EXPL 13-2517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Servicemedewerkster van Hema-filiaal in Maastricht fraudeert een aantal jaren regelmatig met retourbonnen en incasseert uit de kassa geldbedragen voor zaken die niet retour bezorgd zijn door klanten. Daarmee - zonder vooraankondiging - geconfronteerd in een verhoorsituatie ten overstaan van een HR-functionaris en een bedrijfsrechercheur geeft zij veel toe en tekent zij zelfs een ‘schuldbekentenis’ voor een ‘terug’ te betalen bedrag van € 36 500.

De zonder verder onderzoekmateriaal op die ‘schuldbekentenis’ met de bijbehorende ondertekende verklaringen gebaseerde vordering kan volgens de kantonrechter maar voor een deel slagen. Werkneemster is wel schadeplichtig, doch voor niet meer dan een in goede justitie bepaald bedrag van in totaal € 10 000. Die gedeeltelijke toewijzing is niet terug te voeren op de bewuste ‘betalingstoezegging’, maar op tekortschieten in de uitvoering van de arbeidsovereenkomst dat impliciet ook aan de vordering ten grondslag lag. Aangesloten wordt bij Rechtbank Amsterdam 1 februari 2012 ECLI:NL:RBAMS:2012:BV3669 (voorheen LJN:BV3669). Naast misbruik van omstandigheden (gelegen in het feit dat bij ongelijkheid van posities / kennis / mate van gemoedsrust door de twee Hema-vertegenwoordigers ongepaste druk uitgeoefend is op de werkneemster om terstond voor terugbetaling van een door hen bepaald bedrag te tekenen) speelt art. 6:248 lid 2 BW in de overwegingen mee. Bij de bepaling van het te vergoeden schadebedrag keert de lange duur van het frauduleuze handelen zich tegen de werkgeefster, nu deze bij zorgvuldige handhaving veel eerder en adequater had kunnen / moeten optreden: een deel van de (geschatte / naar billijkheid bepaalde) schade moet dan voor rekening van Hema blijven, die geacht moet worden over de middelen beschikt te hebben om werkneemster eerder te stoppen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0640
Prg. 2014/219

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 2152570 CV EXPL 13-2517

Vonnis van de kantonrechter van 16 juli 2014

in de zaak

de besloten vennootschap HEMA B.V.

gevestigd te Amsterdam

eisende partij

gemachtigde: M.J. van Twuijver, deurwaarder te Amsterdam

tegen

[gedaagde]

wonend te [woonplaats] aan de [adres]

gedaagde partij

gemachtigde: mr. R. Gijsen (eerder mr. J.H.A. Nieste), advocaat te Maastricht

Partijen zullen hierna als “Hema” respectievelijk “[gedaagde]” aangeduid worden

De (verdere) procedure

Bij tussenvonnis d.d. 16 oktober 2013, waarin het voorafgaande procesverloop geschetst is, is afwijzend beslist op een incidentele vordering van [gedaagde] die verlangde dat de kantonrechter zich onbevoegd zou verklaren met betrekking tot de door HEMA tegen haar gerichte in het exploot d.d. 21 juni 2013 verwoorde vordering. Anders dan [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat de oorspronkelijke vordering van Hema er een was die een (beëindigde) arbeidsovereenkomst met [gedaagde] betreft, waar uitdrukkelijk die grondslag tot vertrekpunt genomen is bij dagvaarding.

[gedaagde] heeft vervolgens ter rolzitting van 13 november 2013 alsnog in schriftelijke vorm inhoudelijk geantwoord en verweer gevoerd onder bijvoeging van tien producties.

De kantonrechter heeft hierop een persoonlijke verschijning van partijen gelast.

Van de comparitie van partijen ter zitting van 16 januari 2014 is proces-verbaal opgemaakt.

Voorafgaand aan deze zitting had Hema bij twee achtereenvolgens ingezonden ‘akten’ - buiten de rol om - nog twee producties respectievelijk één productie ingebracht.

Omdat partijen er niet in slaagden ter zitting of in de maand nadien overeenstemming te bereiken over een compromis, is haar gelegenheid geboden achtereenvolgens te repliceren en te dupliceren. Hema heeft bij haar repliek nog nadere correspondentie ingebracht, alvorens [gedaagde] bij dupliek op het geheel heeft gereageerd.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

Het geschil

Hema vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 37 898,73 aan schadevergoeding, rente en buitengerechtelijke kosten alsmede de verwijzing van [gedaagde] in de met deze procedure gemoeide proceskosten. Hema baseert haar samengestelde vordering op de met enige stukken onderbouwde stelling dat [gedaagde] ‘tijdens dienstverband € 36.500,00 van eisende partij ontvreemd’ heeft en bij schriftelijke verklaring van 10 februari 2012 ‘erkend’ heeft dit bedrag aan haar schuldig te zijn. Omdat hierop al het ‘laatste salaris’ ingehouden is, ‘resteert thans nog € 35.320,59’. Aan vervallen wettelijke rente brengt Hema [gedaagde] daarnaast € 1 578,14 in rekening en aan invorderingskosten een forfaitair bedrag van € 1 000,00. Vanaf de dagvaardingsdatum verlangt Hema nog rente over de resterende hoofdsom van € 35 320,59.

Eerst bij repliek heeft Hema haar hoofdvordering van een iets verdergaande uitleg voorzien, daarbij het accent opnieuw leggend op de door werkneemster op 10 februari 2012 afgelegde en ondertekende verklaring omtrent deze ‘fraude in dienstbetrekking’ en op de ondertekende overeenkomst tot terugbetaling. Het een noch het ander is volgens Hema aan te tasten met een beroep op medische factoren (psychische stoornis of medicijngebruik) of wegens de gemoedstoestand waarin [gedaagde] verkeerde. Hema verwijst daarnaast naar videobeelden die volgens haar duidelijk maken dat en hoe [gedaagde] op ‘geroutineerde’ wijze gelden verduisterde door middel van retourbonnen en van de ‘fictieve’ voorraadverschillen gebruik maakte door ‘afroming’ van het daarmee gemoeide geld. Het door de werkneemster in het gesprek van 10 februari 2012 ‘begrote’ bedrag is eerder te laag dan te hoog nu het ging om een periode van drie jaar. Hema mocht er op vertrouwen dat [gedaagde] op dat moment overeenkomstig haar wil verklaard heeft (zowel mondeling als in een eigen handgeschreven verklaring). De daarna ondertekende overeenkomst tot terugbetaling sloot hierop in de visie van Hema aan.

Pas twee weken later heeft [gedaagde] zich op vernietiging wegens misbruik van omstandigheden beroepen, maar Hema acht dit voor een ‘ervaren kassamedewerker’ als [gedaagde] is, ongeloofwaardig, nu er in de 2½ uur dat ‘het gesprek’ (in aanwezigheid van twee vertegenwoordigers van Hema) duurde, ook nimmer door haar een signaal gegeven is dat op misbruik wijst en er geen enkele druk op haar uitgeoefend is. De V&D-casus waarnaar [gedaagde] in haar antwoord verwijst, is volgens Hema op belangrijke onderdelen niet met deze zaak vergelijkbaar. Hema betwist uitdrukkelijk dat bijzondere omstandigheden (in de risicosfeer van Hema) [gedaagde] bewogen hebben tot het ondertekenen van de haar voorgelegde overeenkomst (tot betaling van een ‘geldschuld’ van € 36 500,00). In het bijzonder keert zij zich tegen de (veronder)stelling dat zij, Hema, de totstandkoming daarvan ‘bevorderd’ heeft in weerwil van bij haar bestaande wetenschap dat zij [gedaagde] daarvan had behoren te weerhouden. Mocht de kantonrechter te dien aanzien tot een ander oordeel komen, dan verzoekt Hema om het te betalen schadebedrag in goede justitie te bepalen. Hema is van oordeel uiterst zorgvuldig gehandeld te hebben door het uit de verklaring van 10 februari 2012 van [gedaagde] zelf (in haar ‘enige moment van openhartigheid’) af te leiden ‘schadebedrag van € 84000,--’ te ‘verlagen’ tot € 36 000,00 (zonder enige druk).

Het verweer van [gedaagde], die niet bestrijdt dat zij zich gedurende enige tijd schuldig gemaakt heeft aan de door Hema bedoelde frauduleuze handelingen, is in het bijzonder gericht tegen de wijze waarop haar in een onaangekondigd gesprek van 10 februari 2012 met HR-functionaris [naam 1] en medewerker ‘Risk & Fraud Investigations’ [naam 2] uitlatingen en verklaringen ontlokt zijn die zij zelf bij brief van 28 februari 2012 (en haar gemachtigde bij brief d.d. 12 april 2012) en later opnieuw in deze procedure wegens een wilsgebrek vernietigd heeft. [gedaagde] heeft zich gemotiveerd verweerd tegen de thans ingestelde hoofdvordering, omdat zij met name op de punten duur en frequentie van de verduisteringen en omvang van het daarmee gemoeide bedrag wezenlijk van opvatting verschilt met Hema. Aan haar ‘schuldbekentenis’, waarvan zij zich de juridische implicaties niet gerealiseerd heeft, komt in die zin dan ook geen betekenis toe. Dat het gesprek op 10 februari 2012 2½ uur duurde, had er mede mee van doen dat [gedaagde] een paniekaanval kreeg, ‘dichtsloeg’ en tijd nodig had om enigszins te kalmeren toen zij door de twee haar onbekende hoge functionarissen (voorgesteld als ‘hooggeplaatste HR-functionaris hoofdkantoor Amsterdam’ en ‘bedrijfsrechercheur’) geconfronteerd werd met de verdenking van fraude/verduistering. Hema was bekend met het feit dat [gedaagde] al eerder kampte met depressiviteit en angststoornis en door het gebeurde is zij van 14 tot en met 17 februari 2012 bij de psychiatrische instelling Mondriaan Locatie Vijverdal (crisisopvang) klinisch behandeld. Haar primaire verweer is dat deswege geen enkele op deze stukken gebaseerde vordering van Hema kan slagen. Subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat Hema beweerdelijk onrechtmatig handelen van [gedaagde] én de daaruit voortvloeiende schade dient aan te tonen, maar dat buiten rechte en in rechte niet deed/doet en zelfs niet naar behoren alsnog bewijs aangeboden heeft.

Waar nuttig en nodig - en voor zover al niet tot uitdrukking komend in de opsomming onder de feiten die zijn komen vast te staan - zullen specifiekere en/of meer in detail tredende stellingen van partijen aan de orde komen en gewogen worden bij de beoordeling.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast.

  • -

    [gedaagde], geboren [geboortedatum], is op 15 februari 1988 krachtens arbeidsovereenkomst bij Hema in het filiaal Maastricht in dienst getreden en is daar tot 10 februari 2012 werkzaam gebleven, laatstelijk als medewerkster ‘service’ (hetgeen inhoudt dat zij voornamelijk op de afdeling klantenservice werkte, tot welke taak onder meer het verwerken van ‘retouren’ in de kassa behoorde).

  • -

    Partijen laten zich in de stukken niet uit over de vraag hoe met de gebeurtenissen van 10 februari 2012 een einde gekomen is aan de arbeidsrelatie en of / hoe vervolgens afgerekend is; in ieder geval blijft onbehandeld dat / hoe [gedaagde] (tevens) opgekomen is tegen een vermoedelijk met directe ingang gedane aanzegging van beëindiging van de arbeidsovereenkomst of een op de genoemde datum getroffen regeling tot beëindiging (vaststellingsovereenkomst) met directe werking.

  • -

    Op basis van de gegevens van een intern onderzoek bij Hema hebben landelijk HR-functionaris [naam 1] en bedrijfsrechercheur [naam 2] namens Hema op 10 februari 2012 [gedaagde] in het filiaal Maastricht geconfronteerd met de verdenking van het wegnemen van geld uit de kassa in combinatie met ‘het onrechtmatig aanmaken van retourbonnen’.

  • -

    In een in eigen handschrift uitgevoerde, al dan niet door haarzelf geformuleerde verklaring heeft [gedaagde] in de loop van het 2½ uur (met onderbreking van onbekende duur) in beslag genomen hebbende ‘gesprek’ (verhoor), waarin [gedaagde] zich niet door een derde heeft mogen laten bijstaan, op papier gezet:

  • -

    Ik ben [gedaagde] Werk 25 jaar bij de Hema Heb ± 3 jaar retourbonnen verkeerd aangeslagen en het geld toegeëigend het gaat om ± 300 (kantonrechter: doorgehaald is een op plaats van de 3 in het getal kennelijk oorspronkelijk geplaatst cijfer 2) euro per week. Ik weet niet waarom ik het heb gedaan maar heb enorme spijt 10-02-2012 [gedaagde]”

  • -

    [gedaagde] heeft verder het in ieder geval niet door haar opgestelde vier pagina’s tellende verslag van het gesprek / verhoor op iedere pagina van haar handtekening voorzien (net als [naam 1] en [naam 2] dit - als verantwoordelijken voor die tekst - gedaan hebben).

  • -

    Het verslag bevat op de vierde pagina iets dat lijkt op een - deels handgeschreven - schuldbekentenis, omdat ‘rapporteur’ [naam 2] en ‘HR adviseur’ [naam 1] de werkneemster [gedaagde] hebben laten opschrijven en/of ondertekenen dat zij zich aan Hema een bedrag van ‘zegge’ € 36 500,00 ‘verschuldigd’ acht (‘terug’ te betalen in maandelijkse termijnen van € 100,00 en/of door inhouding op tegoeden aan loon en/of vakantie).

  • -

    Dit bedrag is blijkens verdere toelichting in het verslag voor € 500,00 gebaseerd op ‘kosten voor het inschakelen van een recherchebureau’ en voor het overige (het saldo van € 36 000,00) door extrapolatie verkregen uit de genoteerde veronderstelling dat ‘zeker al zo’n jaar of 3’ door [gedaagde] ‘gemiddeld zo tussen de € 300,= en € 400,= per week tenminste’ weggenomen is.

  • -

    Na zich in de dagen na het gesprek / verhoor en de periode van crisisopvang beraden te hebben, heeft [gedaagde] bij nader inzien gemeend afstand te moeten nemen van haar eigen verklaring, de schuldbekentenis en het door haar mede ondertekende verslag.

  • -

    Met haar eerste protestbrief van 28 februari 2012 (bij antwoord ingebracht maar verder inhoudelijk niet besproken) keerde [gedaagde] zich niet alleen tegen de afgelegde verklaringen maar ook tegen het verder in deze zaak niet aan de orde gestelde ontslag (in de brief zei [gedaagde] zich verder te laten bijstaan door DAS Rechtsbijstand en mogelijk was dit al bij het opstellen van de brief het geval).

  • -

    Na een schriftelijke reactie d.d. 6 maart 2012 van de zijde van Hema (hoofdkantoor Amsterdam) heeft [gedaagde] een beroep gedaan op mr. Nieste, die op 12 april 2012 per brief weliswaar ook verdere loonbetaling met ingang van 10 februari 2012 claimde (waarop in het vervolg niet meer teruggekomen is), maar het accent legde op de ongeldigheid van de ‘schuldbekentenis’, die volgens [gedaagde] zonder ‘verificatoire stukken’ van de zijde van Hema geen stand kon houden.

  • -

    Gesteld is al in die brief, zoals ook thans in rechte verdedigd wordt, dat eventueel ‘veroorzaakte schade alsdan correct (dient) te worden onderbouwd en bewezen’ en dat [gedaagde] ‘ten stelligste de juistheid betwist van het bedrag zoals vermeld in de schuldbekentenis d.d. 10 februari jongstleden’.

  • -

    Hema heeft daar per brief van 1 mei 2012 afwijzend op gereageerd en kenbaar gemaakt vast te houden aan nakoming van de in de schuldbekentenis vervatte betalingstoezegging van [gedaagde].

  • -

    [gedaagde] had echter opdracht gegeven tot het storneren van bedragen die eerder krachtens een incassomachtiging naar de rekening van Hema overgeboekt waren, zodat in mindering op het bedrag van € 36 500,00 slechts gekomen is het loonbedrag van € 1 578,14 dat Hema in het exploot van dagvaarding noemde.

De beoordeling

Hoewel [gedaagde] de indruk wekt dat zij met een beroep op misbruik van omstandigheden de vernietiging nagestreefd heeft van al hetgeen op 10 februari 2012 aan verklaring (ook daar haarzelf) op schrift gesteld is, blijkt bij nader inzien dat een dergelijk rechtsgevolg van het buiten rechte en in rechte inroepen van vernietigbaarheid op de voet van art. 3:44 BW slechts beoogd is voor zover het gaat om de volgens haar afgedwongen erkenning van een schuld van € 36 500,00, de daarop geënte incassomachtiging en de daaraan ten grondslag liggende uitlatingen (waarmee zij volgens het verslag van 10 februari 2012 ondubbelzinnig de schadeberekening van Hema erkend zou hebben). Voor het veronderstelde misbruik verwijst [gedaagde] naar haar bijzondere medische situatie, naar de ongelijkwaardige positie waarin zij die dag tijdens de confrontatie van 2½ uur met twee vertegenwoordigers van Hema verkeerde en naar de vrijwel identieke casuspositie in de uitspraak van Rechtbank Amsterdam d.d. 1 februari 2012 LJN:BV3669 (de ‘V&D-zaak’).

Waar [gedaagde] immers niet, althans vergaand onvoldoende gemotiveerd, de juistheid betwist van dat deel van haar eerdere verklaring dat ziet op het feit dat en de omstandigheden waaronder zij het retoursysteem bij Hema misbruikte over een ruime periode (langer dan een paar maanden en zelfs langer dan een jaar, preciezer: “± 3 jaar retourbonnen verkeerd aangeslagen en het geld toegeëigend”), kan en moet dit de basis vormen van een aan Hema deswege toekomende schadeclaim.

Hoewel het in deze zaak - in vergelijking met de ‘V&D-zaak’ - om een lager bedrag gaat en er zich ook verder enige verschillen voordoen, zijn de kernoverwegingen van de Amsterdamse Rechtbank in het vonnis van 1 februari 2012 onverkort ook hier toepasbaar en moet ‘de schuldbekentenis’ voor zover het de uitgesproken bereidverklaring tot betaling van een bedrag van € 36 500,00 aan schadevergoeding betreft, vernietigd althans buiten toepassing gelaten worden. De ongelijkwaardige positie van partijen speelt ook hier een dominante rol. Tegenover het feit dat [gedaagde] veel volwassener en ervarener was dan de V&D-verkoopster, staat het onmiskenbare feit dat [gedaagde] een verre van onbeschreven blad was wat haar ziektehistorie en medicijngebruik betreft (Hema verschuilt zich er bij repliek hoogstens achter dat zij niet met ‘alle’ medische gegevens en niet met ‘alle’ bijwerkingen van de grote lijst gebruikte medicijnen bekend was). Dat het ‘gesprek’ (verhoor) 2½ uur en niet een kwartier duurde, wordt in belangrijke mate verklaard door de ontreddering die bij [gedaagde] waarneembaar geweest moet zijn en de daardoor veroorzaakte pauzes in de confrontatie, maar accentueert tegelijkertijd de druk die op haar gelegd werd doordat zij bij niemand te rade kon gaan, tegenover twee goed voorbereide en als enige gespreksdeelnemers over het onderzoekmateriaal beschikkende functionarissen.

Extra bezwarend en panikerend voor de aldus met de pijnlijke ontdekking van haar wandaden geconfronteerde werkneemster was dat zij tevoren zelfs niet geïnformeerd was over doel en strekking van het ‘gesprek’. Zelfs thans maakt Hema niet duidelijk over welke onderzoekgegevens zij op 10 februari 2012 beschikte en over welke periode die zich uitstrekten, op welke andere persoon / personen dan [gedaagde] dat materiaal mogelijk ook betrekking had en in de richting van welke aan [gedaagde] te relateren schade (naar aard, omvang en periode) de boeken van Hema indicaties leveren. Aldus heeft het kunnen gebeuren dat [gedaagde] in een kennelijke paniekreactie of om schoon schip te maken (bijvoorbeeld in de hoop dreigende strafvervolging te voorkomen en de persoonlijke schande, gezondheidsschade en andere gevolgen in de gezinssituatie te reduceren) meer toegegeven heeft dan door de feiten gerechtvaardigd werd. In die zin was de ervaren pressie bij deze langdurige fraude (zij het zonder enige zekerheid over de precieze duur) zeker niet minder dan bij de confrontatie van de V&D-verkoopster met de eenmalige diefstal of verduistering en stond er bij [gedaagde] bepaaldelijk niet minder op het spel.

Onder die omstandigheden een werknemer dwingen niet slechts toe te geven dat en hoe misbruik van haar positie ten koste van de werkgever gemaakt is, maar ook te pressen ter plekke haar handtekening te zetten onder een door de twee ‘rapporteurs’ uit wisselende (bepaaldelijk niet coherente, elkaar soms zelfs tegensprekende) uitlatingen getrokken conclusie omtrent de omvang van de zich voor vergoeding lenende schade, levert misbruik van omstandigheden op. Het had op de weg gelegen van Hema (als goed werkgeefster) en haar onderzoekteam om de kenbaar in verwarring geraakte, althans onzekere/bange [gedaagde] na vastlegging van een aantal hoofdzaken omtrent haar wangedrag te adviseren alsnog de bijstand van een deskundige in te roepen voor overleg over de aan de bekentenis te verbinden consequenties. Door dat na te laten en als extraatje van [gedaagde] directe ondertekening van een ‘schuldbekentenis’ met betalingsverplichting te verlangen, heeft Hema onvoldoende recht gedaan aan de rechten van de werkneemster op zorgvuldige afhandeling van deze pijnlijke affaire.

In ieder geval rechtvaardigen de later door of namens [gedaagde] geplaatste kanttekeningen/bedenkingen en verschafte (deels medisch getinte) nadere informatie de conclusie dat Hema naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan volharden bij een louter op die ‘schuldbekentenis’ stoelende claim, althans dat zij [gedaagde] niet kan houden aan het bedrag waarvoor deze getekend heeft. Dit ware hoogstens anders geweest indien en voor zover Hema in rechte alsnog zelf (het op 10 februari 2012 in ieder geval niet geleverde) bewijs bijgebracht had omtrent de daadwerkelijke omvang van door toedoen van [gedaagde] aan haar toegebrachte schade (of op zijn minst aangeboden had daartoe concreet - naar bewijsmiddel en bewijsinhoud gespecificeerd - bewijs bij te brengen). Hema volstaat echter met de vage schattingen die haar in het ‘gesprek’ van 10 februari 2012 tot ‘berekening’ van de uiteindelijke schadesom gebracht hebben en met het inbrengen van videobeelden die slechts in beeld brengen hoe [gedaagde] te werk ging, maar niets zeggen over de duur en frequentie van haar onrechtmatig handelen, laat staan over de daarmee aangerichte schade. Hema kan zich aan de kennelijk aanwezige bewijsnood niet onttrekken door er een slag naar te slaan en [gedaagde] via subtiele pressie in de positie te brengen dat zij zich - om van alles af te zijn - neerlegt bij een niet op onderzoekmateriaal stoelende benadering van de werkelijke schade. Bij afwezigheid van een reëel bewijsaanbod ter zake zal de kantonrechter de weg volgen die Hema in haar repliek duidt. Rekening houdend met alle omstandigheden zal daarom in goede justitie een voor vergoeding in aanmerking komend bedrag bepaald worden. Niet op basis van de schatting dat [gedaagde] zich wel 300 tot 400 euro per week toe-eigende (uit andere delen van haar onder druk afgelegde verklaringen zou een lager bedrag van 200 tot 300 euro per week kunnen volgen) en niet uitgaand van zeven jaren en zelfs niet drie jaren ongestoord ‘shoppen’ in de voorraad van Hema, maar van een aanzienlijk kortere periode.

Voor die bekorting en verlaging kiest de kantonrechter niet omdat het onwaarschijnlijk is dat [gedaagde] minimaal drie jaar haar gang heeft kunnen gaan, maar juist omdat het zo lang duurde en omdat het onder deze omstandigheden redelijk is een deel van die periode voor rekening van Hema te laten. Werkgeefster draagt immers mede verantwoordelijkheid voor het feit dat nimmer tussentijds ingegrepen is. Van een goed en zorgvuldig opererend werkgeefster (zeker een met de mogelijkheden waarover Hema beschikt) mag verwacht en verlangd worden dat deze haar interne instructie, controle en handhaving afstemt op de financiële risico’s die zich in het dagelijks werken met kasgeld en voorraden voordoen, en dat zij de risico’s minimaliseert dat werknemers langdurig van een gebrek aan interne regels / procedures / toezicht en/of controle en/of handhaving misbruik maken.

Het bedrag dat zich (thans nog) voor vergoeding (eventueel op basis van een nader te treffen betalingsregeling) leent, wordt daarom bepaald op € 10 000,00, waarbij tevens acht geslagen is op hetgeen reeds door looninhouding aan Hema afgedragen is.

Vanaf de dagvaardingsdatum is [gedaagde] daarover wettelijke rente verschuldigd.

Niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen de door Hema voorgedragen bedragen aan vervallen rente en buitengerechtelijke kosten, alleen al omdat uit haar stellingen niet afgeleid kan worden dat / hoe [gedaagde] reeds buiten rechte voor een aldus toe te wijzen bedrag in betalingsverzuim geraakt is. Hema heeft zich immers steeds slechts op niet-nakoming van een op 10 februari 2012 gemaakte afspraak beroepen, terwijl de schadeclaim in rechte toegewezen wordt wegens de daaronder verscholen liggende algemene tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de arbeidsovereenkomst.

Dat [gedaagde] deswege buiten rechte door ingebrekestelling voor (minimaal) dit bedrag van € 10 000,00 in gebreke is gesteld, is niet door Hema aangevoerd noch anderszins komen vast te staan.

Hetgeen partijen anderszins naar voren gebracht hebben, leidt niet tot een ander oordeel. Met name de financiële positie van [gedaagde] kan in de boordeling verder geen rol spelen, al is het maar omdat zij daarover geen, althans veel te weinig informatie verstrekt heeft.

Bij deze uitkomst van de procedure komt het de kantonrechter passend voor de proceskosten in het geheel te compenseren.

De beslissing

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

- [gedaagde] wordt veroordeeld om aan Hema tegen bewijs van kwijting - en al dan niet op basis van een nog te treffen termijnregeling - € 10 000,00 te voldoen met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2013 tot de datum van volledige voldoening. vordering(en) wordt / worden afgewezen.

- De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

- Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

- Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: hs