Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6407

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
15-09-2014
Zaaknummer
C/03/192648 / KG ZA 14-336
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:1157
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Burengeschil;

vrijmaken en vrijhouden erfafscheiding;

Art. 5:50; ondoorzichtig maken raam;

Art. 5:42; 5:44; verwijderen/snoeien beplanting;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/192648 / KG ZA 14-336

Vonnis in kort geding van 17 juli 2014

in de zaak van

1 [eiseres 1],

2. [eiseres 2],

beiden wonend [adres 1],

[woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde mr. M.E.V. Boersma,

tegen

1 [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonend [adres 2],

[woonplaats],

gedaagde partij,

gemachtigde mr. J.H.A. Nieste.

Partijen zullen hierna in mannelijk enkelvoud [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de op 11 juli 2014 ontvangen producties van [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling op 14 juli 2014

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde] zijn buren. Er is reeds geruime tijd sprake van een verstoorde relatie. Er zijn over en weer diverse aangiften bij de politie gedaan.

2.2.

De tuin van [eiseres] wordt aan de linkerzijde en de achterzijde helemaal omsloten door het perceel van [gedaagde].

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - dat de voorzieningenrechter [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis:

  1. alle puin en/of bakstenen en/of hout en/of asbest en/of overige goederen te verwijderen en verwijderd te houden van het perceel van [eiseres] en van de erfafscheiding;

  2. het raam in de rechterzijgevel van de benedenverdieping van de woning aan de [adres 2] te verwijderen en verwijderd te houden, althans zodanige maatregelen te treffen dat dit raam permanent niet meer geopend kan worden en permanent ondoorzichtig is;

  3. het raam in de rechterzijgevel van de bovenverdieping van laatstgenoemde woning te verwijderen en verwijderd te houden, althans zodanige maatregelen te treffen dat dit raam permanent niet meer geopend kan worden en permanent ondoorzichtig wordt;

  4. de vlierbessenbomen en overige beplanting binnen een afstand van twee meter van de erfgrens te verwijderen en verwijderd te houden en de overige over de erfgrens hangende planten en bomen te snoeien en gesnoeid te houden;

  5. de erfgrensafscheiding tussen de tuinen van de [adres 2] en [adres 1] vrij te maken en vrij te houden van alle beletsels;

  6. alle mest op het perceel van de [adres 2] en [adres 1] te verwijderen en verwijderd te houden;

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan enige veroordeling te voldoen en met hoofdelijke veroordeling in de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure, daaronder begrepen de nakosten.

3.2.

[eiseres] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiseres] ondervindt onrechtmatige hinder van [gedaagde] en [gedaagde] maakt inbreuk op zijn eigendomsrecht en op zijn eigen verplichtingen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisende belang volgt genoegzaam uit de stellingen van [eiseres].

Het vrij maken en vrij houden van de erfafscheiding

4.2.

[eiseres] vordert onder 1 en 5 van het petitum respectievelijk het verwijderen en verwijderd houden van alle puin, bakstenen, hout, asbest en overige goederen van het perceel van [eiseres] alsmede van de erfafscheiding en het vrijmaken van de erfgrensafscheiding tussen de tuinen van alle beletsels. De voorzieningenrechter zal deze vorderingen samen behandelen, nu zij beide (voornamelijk) zien op het vrij maken en houden van perceelsgedeelten tegen de erfafscheiding.

4.3.

[eiseres] stelt in dit verband dat [gedaagde] puin (onder andere hout, takken, stenen en asbest) tegen de houten erfafscheiding aan de zijkant van het perceel van [eiseres] heeft opgestapeld. Dit storten van puin heeft ertoe geleid dat het houten hek van de erfafscheiding naar binnen is gebogen richting het perceel van [eiseres]. Het puin van [gedaagde] neemt bovendien een aantal meter van het perceel van [eiseres] in beslag. Ook bevindt er zich asbest tegen de erfscheiding aan en daar overheen. [gedaagde] maakt aldus inbreuk op het eigendomsrecht van [eiseres]. [eiseres] verwijst in dit verband naar productie 6 bij dagvaarding.

4.4.

Voor [gedaagde] blijft onduidelijk op welke zaken [eiseres] bij zijn verwijzing naar productie 6 precies doelt. Er blijkt niet uit de foto’s waar de erfgrens loopt. [gedaagde] betwist in ieder geval dat de zaken die op productie 6 te zien zijn zich op het perceel van [eiseres] bevinden. [gedaagde] betwist voorts dat het feit dat het hek niet recht staat, veroorzaakt wordt door zaken die zich op zijn perceel bevinden.

4.5.

Op de foto’s aangeduid met (i) en (iv) van productie 6 zijn een aantal planken en één à twee bakstenen in de tuin van [eiseres] te zien. Uit de foto’s (iii) en (v) tot en met (vii) is niet op te maken op wiens perceel de met mos begroeide stenen en bomen zich bevinden. Niet geheel duidelijk is bovendien waar de erfgrens precies loopt. [eiseres] heeft gelet op het aangeleverde fotomateriaal aannemelijk gemaakt dat in ieder geval in enige mate sprake is van de aanwezigheid van enig puin dat aan [gedaagde] toebehoort in zijn tuin alsmede dat er sprake is van puin nabij de erfafscheiding. Vast staat dat het houten hek,

- waarvan op grond van artikel 5:36 BW verondersteld wordt dat het aan de onderzijde op de erfgrens staat - aan de bovenzijde overhelt naar het perceel van [eiseres]. Daarom is eveneens aannemelijk dat het daartegen opgestapelde puin zich over de erfgrens bevindt. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen alle puin (onder andere hout, stenen en asbest) afkomstig van (het perceel van) [gedaagde] dat zich, gelet op de erfgrens tussen de beide percelen, op het perceel van [eiseres] bevindt, alsook alle puin dat boven de erfafscheiding uitsteekt, te verwijderen en verwijderd te houden.

4.6.

Volgens [eiseres] helt het metalen hek aan de achterzijde van zijn perceel, dat op de erfgrens staat, sterk over naar de grond van [eiseres]. [gedaagde] heeft deze ijzeren afscheiding voorzien van roosters met metalen punten en takken, die zich op het terrein van [eiseres] bevinden. De uitsteeksels zijn gevaarlijk en het hek verhindert [eiseres] om een deugdelijke erfafscheiding neer te zetten. [eiseres] heeft ondertussen evenwijdig aan het ijzeren hek op zijn perceel een schutting van bamboe met daartegenaan (aan de zijde gekeerd naar het perceel van [gedaagde]) zwart zeil neergezet. [eiseres] vordert derhalve verwijdering van alle takken, metalen punten en dergelijke en verwijst in dat kader naar productie 16 bij dagvaarding.

4.7.

Vast staat op grond van de foto’s die als productie 16 zijn ingebracht, dat door [gedaagde] vanuit zijn tuin hout, takken, wortels, gaas en dergelijke tussen de spijlen van het ijzeren hek waren geplaatst, die zich ten dele aan de andere zijde van dat hek, derhalve op of boven het terrein van [eiseres], bevonden. Ter zitting is komen vast te staan dat voormelde zaken inmiddels uit het ijzeren hek zijn verwijderd. Door [gedaagde] is in dit verband een foto aangeduid als productie 2 ingebracht. Het verwijderen van voormelde zaken is volgens [eiseres] gebeurd in de periode gelegen tussen het uitbrengen van de dagvaarding en de zitting. Nu ter zitting is komen vast te staan dat voormelde goederen inmiddels door [gedaagde] zijn verwijderd, is het belang van [eiseres] bij toewijzing van het onder 5 gevorderde komen te vervallen. Deze vordering zal derhalve worden afgewezen. De voorzieningenrechter wijst partijen op de mogelijkheid die artikel 5:48 BW biedt om (de buren te bewegen eraan mee te werken) een scheidsmuur op de erfgrens aan te brengen. Dat is echter niet gevorderd.

De ramen

4.8.

[eiseres] voert met betrekking tot de ramen het navolgende aan. De ramen in de rechterzijgevel van de woning van [gedaagde] kijken uit op de oprit, die eigendom is van [naam] op [adres 3]. De woning van [eiseres] is enkel via deze oprit bereikbaar. [gedaagde] houdt [eiseres] obsessief in de gaten door de ramen in de rechterzijgevel. [eiseres] wordt regelmatig vanuit de ramen getreiterd en bespied. Verder wordt er viezigheid c.q. water uit de ramen gegooid. [gedaagde] maakt voorts vanuit het raam op de bovenverdieping foto’s. Hij maakt hierdoor inbreuk op de privacy van [eiseres].

4.9.

[gedaagde] voert als volgt verweer. Het glas in het raam op de begane grond van de [adres 2] is inmiddels gezandstraald om te voldoen aan een vonnis van de kantonrechter van 24 april 2013, gewezen tussen [gedaagde] en [naam]. Dit raam is het enige raam waarover de keuken beschikt. Het raam is nodig om te kunnen ventileren. Het betreft een monumentaal pand, waardoor niet zomaar ventilatiegleuven aangebracht kunnen worden. De kantonrechter heeft hier in zijn beoordeling destijds ook rekening mee gehouden. De oprit behoort, in een loodrechte lijn vanuit het raam bezien, niet toe aan [eiseres]. Diens perceel begint meer dan twee meter gemeten vanaf het raamkozijn. Dit blijkt uit voormeld vonnis van de kantonrechter.

4.10.

De voorzieningenrechter stelt op grond van de gedingstukken alsmede het ter zitting verhandelde vast dat het raam beneden zich binnen twee meter van de erfgrens van de woning van [naam] bevindt. Het biedt in een loodrechte lijn bezien, uitzicht op diens woning en niet op het perceel van [eiseres]. De ramen bevinden zich, naar onweersproken ter zitting is komen vast te staan, op meer dan twee meter afstand van de erfgrens van het perceel van [eiseres] in een lijn evenwijdig aan het raam bezien. [eiseres] kan zich daarom niet op artikel 5:50 BW beroepen. Nu geen sprake is van strijdigheid met voormeld artikel, zullen de vorderingen 2 en 3 tot verwijdering van de ramen dan wel het opleggen van een maatregel die ertoe strekt dat de ramen permanent niet kunnen worden geopend, worden afgewezen. Die maatregel strekt, enkel ter voorkoming van het werpen van water of viezigheid vanuit het raam, te ver. De vordering onder punt 3 van het petitum tot het permanent ondoorzichtig maken van het raam op de bovenverdieping zal, gelet op het voorgaande, eveneens worden afgewezen. Het glas in het raam op de begane grond is, naar ter zitting onbestreden vast is komen te staan, conform de veroordeling in voormeld vonnis van de kantonrechter, inmiddels gezandstraald. Bij het onder punt 2 van het petitum gevorderde permanent ondoorzichtig maken van het raam op de begane grond bestaat aldus geen belang meer.

Vlierbessen en overige beplanting

4.11.

Volgens [eiseres] staan de vlierbesbomen op een afstand van minder dan 2 meter van de erfgrens, hetgeen op grond van artikel 5:42 BW niet is toegestaan. Verder hangen er takken over in de tuin van [eiseres]. De wortelgroei brengt bovendien schade toe aan de fundering van de woning van [eiseres].

4.12.

[gedaagde] bestrijdt dat de vlierbessen bomen zijn. Het zijn volgens [gedaagde] struiken/heesters. De vordering tot verwijdering van de vlierbessen dient bovendien volgens [gedaagde], onder verwijzing naar artikel 4:12c van de Algemene Plaatselijke Verordening Sittard-Geleen (hierna: APV), te worden afgewezen.

4.13.

Ingevolge artikel 5:42 BW kan in een plaatselijke verordening een kleinere afstand worden toegestaan dan de in dat artikel vermelde minimale afstand van twee meter van de bomen tot aan de erfgrenslijn. Artikel 4:12c van voormelde APV bepaalt dat de afstand als bedoeld in artikel 5:42 BW wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters. Nu door [eiseres] niet gesteld noch aannemelijk gemaakt is dat de vlierbessen zich binnen een halve meter afstand van de erfafscheiding bevinden, dient de onder punt 4 van het petitum gevorderde verwijdering van de vlierbessen reeds daarom te worden afgewezen, waarbij in het midden kan blijven of dit bomen dan wel heesters zijn. Dat de vlierbessen de fundering van de woning van [eiseres] zouden (kunnen) beschadigen, is niet aannemelijk geworden.

4.14.

De voorzieningenrechter ziet geen grond om de vordering onder punt 4 van het petitum toe te wijzen, daar waar het het snoeien van overhangende beplanting betreft. [eiseres] kan op grond van artikel 5:44 BW eigenmachtig het overhangende verwijderen, indien [gedaagde] dit als eigenaar van het naburige erf, ondanks aanmaning daartoe, nalaat. [gedaagde] dient het snoeien in dat geval vanzelfsprekend toe te laten.

De mest

4.15.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] hem in strijd met artikel 5:37 BW hinder bezorgt in de vorm van stankoverlast door het onnodig deponeren van mest. De mest is volgens [eiseres] louter gedeponeerd om hem te treiteren. [eiseres] verwijst in dit verband naar foto’s die zijn ingebracht als productie 17.

4.16.

Volgens [gedaagde] betrof het aarde die is vrijgekomen bij het uitgraven en verwijderen van bomen en was het zijn bedoeling de grond te egaliseren.

4.17.

Mede in het licht van het gemotiveerde verweer van [gedaagde] is niet aannemelijk geworden dat hetgeen op de foto’s te zien is mest is. De vordering tot verwijdering van mest zal derhalve worden afgewezen.

De verdere beoordeling

4.18.

De gevorderde, niet nader onderbouwde en betwiste, buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen. Dat er kosten zijn gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte, die te boven gaan hetgeen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding insluit, is niet gebleken.

4.19.

Nu partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.20.

De gevorderde dwangsom zal gematigd en gemaximeerd worden als volgt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis alle puin en/of bakstenen en/of hout en/of asbest en/of overige goederen te verwijderen en verwijderd te houden van het perceel van [eiseres] aan de [adres 1] te Guttecoven en van de erfafscheiding voor zover voormelde goederen daar overheen reiken dan wel zich boven het perceel van [eiseres] bevinden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [gedaagde] na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan die veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,00,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: cb