Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6322

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
03/700035-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee woninginbraken, drie diefstallen en opzetheling van een personenauto in een kort tijdsbestek gepleegd. Gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 7 voorwaardelijk. Proeftijd 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/700035-14

Datum uitspraak : 16 juli 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) Vught, Lunettenlaan 501 te 5263 NT Vught.

Raadsman is mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Amsterdam.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2014.

De rechtbank heeft op 2 juli 2014 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 17 januari 2014 te Munstergeleen, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 1] heeft weggenomen, een of meer autosleutel(s) en/of een portemonnee met inhoud (o.a. een geldbedrag van 240 Euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 17 januari 2014 te Munstergeleen, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2], aspirant van politie Limburg en/of [slachtoffer 3], hoofdagent van politie Limburg en/of [slachtoffer 4], inspecteur van politie Limburg, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een personenauto met hoge althans aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] -achteruit- is ingereden en/of toegereden, althans in

de richting van genoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 januari 2014 te Munstergeleen, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, [slachtoffer 2], aspirant van politie Limburg en/of [slachtoffer 3], hoofdagent van politie Limburg en/of [slachtoffer 4], inspecteur van politie Limburg, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een personenauto met hoge althans aanzienlijke snelheid op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ingereden en/of toegereden, althans in de richting van genoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] gereden;

3.

hij op of omstreeks 19 september 2013 te Geleen, in elk geval in de gemeente

Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2013 tot en met 01 januari 2014 te Geleen, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres 2], heeft weggenomen een televisie, een fotocamera en/of een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

5.

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2013 tot en met 01 januari 2014 te Geleen, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Peugeot, type 307), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot die personenauto heeft verschaft en/of die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel

van een valse sleutel;

6.

hij in of omstreeks de periode van 03 januari 2014 tot en met 17 januari 2014 te Geleen, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, een personenauto (merk Renault, type Scenic) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed

betrof;

7.

hij in of omstreeks de periode van 28 december 2013 tot en met 29 december 2013 te Geleen, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Nissan, type Primera), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot die personenauto heeft

verschaft en/of die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat de verdachte de onder 1, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde feiten heeft begaan, op basis van de bekennende verklaring van verdachte en de door de respectieve eigenaren van de gestolen goederen gedane aangiftes. Ten aanzien van feit 6 acht hij de opzetheling bewezen. De officier van justitie acht daarnaast het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat bij de verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet, gelet op de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten en de door verdachte afgelegde verklaring met betrekking tot dit feit. Verdachte is, hoewel hij wist dat er zich op een korte afstand achter of naast de door hem bestuurde auto politieagenten bevonden en hij hoorde dat op het raam van de auto werd getikt, met verhoogde snelheid, in elk geval een aanzienlijke snelheid, achteruit gereden en ingereden op die agenten. De agenten waren genoodzaakt opzij te stappen om een aanrijding met hen te voorkomen. Door op die manier te rijden heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij met de auto de agenten zou aanrijden of overrijden, tengevolge waarvan aan hen zwaar lichamelijk letsel kon worden toegebracht. De officier van justitie heeft vrijspraak van verdachte ter zake van feit 3 gevorderd, stellende dat er bij hem twijfel is ontstaan over de vraag of het geld al dan niet aan aangeefster toebehoorde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 2 en 3 tenlastegelegde. Verdachte heeft ontkend deze feiten begaan te hebben. Door de raadsman is ter zake van feit 2 aangevoerd dat in het dossier onvoldoende bewijs voor dit feit voorhanden is, nu aangiftes van de betrokken agenten ontbreken, onduidelijk is op welke plaats ten opzichte van de auto deze agenten stonden, er geen technisch onderzoek op de plaats van het delict is ingesteld en zich in het dossier geen plattegrond bevindt van de feitelijke situatie ter plaatse. De raadsman heeft gesteld dat uit het dossier niet volgt dat de agenten moesten wegspringen om zwaar lichamelijk letsel te voorkomen of om hun leven te redden, dan wel dat zij zich bedreigd voelden. Er is enkel sprake van opzij stappen.

De raadsman heeft betreffende feit 3 aangevoerd dat de door [slachtoffer 5] gedane aangifte onduidelijk is en dat hij twijfels heeft over de vraag of juist is dat verdachte een haar toebehorend geldbedrag van haar afgepakt heeft onder de door aangeefster genoemde omstandigheden, namelijk onder bedreiging met een zwaard. Verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar geld uit de tas en de beurs van aangeefster heeft gepakt, maar hij ontkent dat dit geld van haar was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 2:

Verdachte heeft ontkend dat het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde te hebben begaan.

De rechtbank is ten aanzien van het primair tenlastegelegde van oordeel dat in het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen of sprake was van een aanmerkelijke kans dat de in de tenlastelegging genoemde politieagenten door het achteruit wegrijden van verdachte zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat in het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is om vast te kunnen stellen of deze politieagenten zich door het rijgedrag van verdachte bedreigd voelden of hebben kunnen voelen, zoals is tenlastegelegd.

De rechtbank zal daarom verdachte vrijspreken van het onder 2 zowel primair als subsidiair tenlastegelegde.

Ten aanzien van de feiten 1 en 4 tot en met 7:

De rechtbank acht het onder 1 en de onder 4 tot en met 7 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte ter zake van deze feiten2, afgelegd ter terechtzitting van 2 juli 2014, alsmede:

betreffende feit 1:

- de door aangever [slachtoffer 1] op 17 januari 2014 gedane aangifte3,

betreffende de feiten 4 en 5:

- de door aangeefster [slachtoffer 6] op 1 januari 2014 gedane aangifte4 en

- het proces-verbaal sporenonderzoek5, inhoudende de door verbalisanten tijdens het door hen ingestelde forensisch onderzoek gedane waarnemingen en bevindingen op de plaats van dit delict;

betreffende feit 6:

- de door aangever [slachtoffer 8] op 5 januari 2014 gedane aangifte6 van diefstal van de auto merk Renault type Scenic met Belgisch kenteken [kenteken], alsmede

betreffende feit 7:

- de door [slachtoffer 7] op 29 december 2013 gedane aangifte7.

Ten aanzien van feit 3:

Uit de door aangeefster [slachtoffer 5] op 19 september 2013 tegenover de politie afgelegde verklaring8 volgt (onder meer) -zakelijk weergegeven- dat [verdachte], een vriend van haar, op 19 september 2013 tussen 01.30 en 01.45 uur in haar woning op het adres [adres 3] te Geleen geld van haar heeft gestolen. Aangeefster verklaarde dat genoemde [verdachte] toen in haar woning was en tegen haar zei dat hij geld wilde. Hij liep naar haar handtas toe, die in de woonkamer op de bank stond, en zij zag dat hij haar beurs uit de tas pakte. Zij zag vervolgens dat [verdachte] haar geld uit haar beurs pakte en de beurs op de eetkamertafel gooide. In haar beurs zat een geldbedrag van 1050 euro. Dat was haar spaargeld. Aangeefster verklaarde verder dat zij [verdachte] noch het recht noch de toestemming heeft gegeven om geld van haar weg te nemen en zich dat toe te eigenen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Verdachte heeft op 18 januari 2014 tegenover de politie verklaard9 dat hij op 19 september 2013 vier nachten in de woning van [slachtoffer 5] verbleef, met wie hij geen relatie had. Hij had geld nodig en hij is in de nacht van 19 september 2014 om 01.30 uur vanaf zijn slaapkamer naar de woonkamer van de woning van [slachtoffer 5] gegaan. Hij zag dat [slachtoffer 5] en [betrokkene], de vader van haar kinderen, aldaar op de bank lagen te slapen en hij zag dat de tas van [slachtoffer 5] op de buik van [betrokkene] lag. Hij heeft die tas weggepakt en is naar de gang gelopen. Hij heeft in de gang de beurs uit de tas gepakt en het geld er uit gehaald en in zijn zak gestopt. Hij is vervolgens de deur uitgelopen met het geld van [slachtoffer 5]. [slachtoffer 5] was aan het slapen en heeft niets gemerkt. Verdachte verklaarde verder dat hij toegeeft dat hij zeker 1050 euro heeft gestolen en dat dit geld van [slachtoffer 5] was.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard10 dat hij erkent dat hij op 19 september 2013 in de woonkamer van de woning van [slachtoffer 5] haar tas heeft weggepakt en dat hij in die woning uit de tas van [slachtoffer 5] een geldbedrag heeft gepakt, waarna hij met dat geld uit de woning is weggegaan.

Hoewel aangeefster en verdachte een verschillende lezing geven van de omstandigheden waaronder het geld is weggenomen, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 19 september 2013 in de woning van [slachtoffer 5] te Geleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een geldbedrag toebehorende aan genoemde [slachtoffer 5] heeft weggenomen. Uit de verklaring van genoemde [slachtoffer 5] volgt dat genoemd geldbedrag van 1050 euro haar in eigendom toebehoorde en dat zij aan verdachte niet het recht of de toestemming gegeven heeft om dit geld van haar weg te nemen en zich toe te eigenen. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij nog geld van [slachtoffer 5] te goed had, maar ook als dat het geval zou zijn geeft een dergelijke omstandigheid verdachte nog niet het recht om zonder toestemming van genoemde [slachtoffer 5] enig geldbedrag uit de haar in eigendom toebehorende tas of beurs weg te nemen.

De rechtbank overweegt betreffende het door de raadsman gevoerde verweer dat zij geen enkele aanleiding heeft om te twijfelen aan de door aangeefster [slachtoffer 5] afgelegde verklaring dat er geld uit haar tas is weggenomen. Immers de, hiervoor genoemde, door verdachte bij de politie afgelegde verklaring stemt overeen met deze verklaring van aangeefster. De rechtbank hecht geen geloof aan de, voor het eerst, ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte dat het door hem uit de tas van [slachtoffer 5] weggepakt geld van hem was.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

1.

op 17 januari 2014 te Munstergeleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning, gelegen aan de [adres 1], heeft weggenomen een autosleutel en een portemonnee met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

3.

op 19 september 2013 te Geleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 5];

4.

op 1 januari 2014 te Geleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een televisie, een fotocamera en een laptop, toebehorende aan [slachtoffer 6], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

5.

op 1 januari 2014 te Geleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Peugeot, type 307) toebehorende aan [slachtoffer 6], waarbij verdachte die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

6.

in de periode van 3 januari 2014 tot en met 17 januari 2014 in Nederland een personenauto (merk Renault, type Scenic) heeft verworven, terwijl hij ten tijde van het verwerven van die personenauto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

7.

op 29 december 2013 te Geleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Nissan, type Primera) toebehorende aan [slachtoffer 7], waarbij verdachte die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 1, 4, 5, 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de volgende strafbare misdrijven:

ten aanzien van de feiten 1 en 4 telkens:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

ten aanzien van feit 3:

diefstal;

ten aanzien van de feiten 5 en 7 telkens:

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

ten aanzien van feit 6:

Opzetheling.

De feiten 1, 4, 5 en 7 zijn misdrijven strafbaar gesteld bij artikel 311, eerste lid onder 5°, in verband met artikel 310, van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3 is een misdrijf strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 6 is een misdrijf strafbaar gesteld bij artikel 416, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor de bewezen verklaarde feiten nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheft.

7 De oplegging van straf en/of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met reclasseringstoezicht en onder oplegging van de door de Reclassering Nederland geadviseerde bijzondere voorwaarden.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, onder oplegging van de door de Reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Verdachte is bereid deze voorwaarden na te komen. De raadsman heeft matiging van de gevorderde straf bepleit, in ieder geval voor wat betreft het onvoorwaardelijk deel. De raadsman heeft verzocht bij het voorwaardelijk deel van de straf de gebruikelijke proeftijd van twee jaar op te leggen. Daartoe is gesteld dat uit de door de Reclassering opgemaakte rapporten over de persoon van verdachte en de overige dossierstukken geen enkel aanknopingspunt voor deze extra lange proeftijd volgt, omdat nu geen sprake meer is van recidivegevaar,

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft de rechtbank mede gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee woninginbraken, drie diefstallen en de opzetheling van een personenauto. Door de inbraken in de woningen werd de persoonlijke levenssfeer van de betrokken gezinnen ernstig geschonden en hun gevoel van veiligheid en geborgenheid in hun eigen woning ernstig en langdurig aangetast. Bij deze woninginbraken werd bovendien flinke schade aangericht. Ook de autodiefstallen leverden niet alleen financiële schade op voor de eigenaren, maar daarnaast ook veel overlast en ergernis.

Aan dit alles heeft verdachte zich niets gelegen laten liggen. Hij was slechts uit op eigen, financieel gewin. Ook heeft verdachte niet stilgestaan bij de maatschappelijke impact van zijn daden. Dit type strafbare feiten geeft voeding aan in de samenleving levende gevoelens van onveiligheid.

Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan. De rechtbank rekent de verdachte ook de veelheid aan feiten aan; in een relatief kort tijdsbestek heeft verdachte velen ernstige schade berokkend.

Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank, als uitgangspunt, aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met de inhoud van het strafblad van de verdachte d.d. 11 juni 2014, waaruit volgt dat verdachte ter zake van soortgelijke feiten niet eerder is veroordeeld. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het door de Reclassering Nederland, afdeling GGZ ERW Novadic-Kentron te Den Bosch, over de persoon van verdachte uitgebracht “reclasseringsadvies” d.d. 30 juni 2014.

Laatstgenoemd advies houdt in dat aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd met een fors voorwaardelijk deel met verplicht reclasseringscontact en als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling, een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en het meewerken aan een intake bij Novadic-Kentron, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Ten slotte heeft de rechtbank ook oog gehad voor de verder ter terechtzitting naar voren gekomen persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte tijdens het opsporingsonderzoek openheid van zaken heeft gegeven, dat hij ter terechtzitting heeft getoond inzicht te hebben in de onjuistheid van zijn handelen en dat hij spijt heeft betuigd voor hetgeen hij de slachtoffers van de woninginbraken heeft aangedaan.

Verdachte heeft aangegeven gemotiveerd te zijn om, met hulp van de reclassering, woonruimte en werk te vinden en om op het rechte pad te blijven. Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van de feiten verslaafd was aan alcohol, dat hij eerder bij Zorggroep Mondriaan te Heerlen een behandeling heeft ondergaan, maar dat hij kort daarna, toen hem een glas bier werd voorgezet, weer teruggevallen is in overmatig alcoholgebruik. Het zal voor de verdachte niet gemakkelijk zijn om zijn leven weer goed op de rails te krijgen. Uit het reclasseringsadvies volgt dat alleen wanneer het verdachte lukt om abstinent te blijven van alcohol, de kans op recidive als klein wordt ingeschat. De rechtbank vindt het belangrijk om bij de straf die zij zal opleggen zoveel mogelijk waarborgen te scheppen die moeten voorkomen dat verdachte weer de fout in zal gaan. Ter voorkoming van het plegen van nieuwe strafbare feiten en in het kader van het verlenen van hulp aan verdachte zal de rechtbank daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, zoals door de officier van justitie is gevorderd en door de raadsman is verzocht. Een ruime proeftijd van drie jaren acht de rechtbank daarbij passend en geboden.

De rechtbank komt, alles afwegende, tot het oordeel dat een gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, moet worden opgelegd. Hieraan koppelt de rechtbank de bijzondere voorwaarden, zoals deze door de reclassering in haar rapport van 30 juni 2014 zijn geadviseerd.

8 De benadeelde partijen

8.1

De vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer 6], wonende te [adres 2], vordert ter zake van de feiten 4 en 5 een vergoeding voor materiële schade ten bedrage van € 2.200,-- en voor immateriële schade ten bedrage van € 1.000,--.

De benadeelde partij [slachtoffer 8], wonende te [adres 4], vordert ter zake van feit 6 een vergoeding voor materiële schade ten bedrage van € 547,--.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 6] heeft de officier van justitie toewijzing gevorderd van de schadeposten “eigen risico verzekeringen”, “administratieve afhandeling” en “benzinekosten van gestolen voertuig”. Gevorderd is de vordering voor wat betreft de kostenpost “aanleg alarmsysteem” niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie heeft gevorderd de immateriële schade toe te wijzen, nu het gevorderde bedrag hem redelijk en billijk voorkomt.

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, stellende dat de gestelde schade geen rechtstreeks gevolg is van het onder feit 6 bewezen verklaarde handelen van de verdachte.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] voor wat betreft de posten “aanleg alarmsysteem” en “immateriële schade” niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe is gesteld dat de eerste post geen rechtstreeks gevolg is van het handelen door de verdachte. Met betrekking tot de gestelde immateriële schade is primair aangevoerd dat deze schade onvoldoende is onderbouwd en subsidiair dat het gevorderde bedrag erg hoog is.

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, nu de gestelde schade geen rechtstreeks gevolg is van het aan de verdachte onder 6 tenlastegelegde feit.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]:

De rechtbank is van oordeel dat, nu deze schadeposten niet door de verdachte zijn betwist, uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 6] als gevolg van het onder feit 4 en het onder feit 5 bewezen verklaarde handelen van de verdachte, te weten (feit 4) een inbraak in haar woning waarbij tevens (feit 5) haar auto is gestolen, materiële schade heeft geleden, namelijk een bedrag van:

€ 235,-- voor “eigen risico verzekeringen”,

€ 350,-- voor “administratieve afhandeling (verlof, telefoonkosten etc.)” en

€ 75,-- voor “benzinekosten van gestolen voertuig”.

De rechtbank zal deze materiële schade voor een bedrag van in totaal € 660,-- daarom toewijzen.

Om te bevorderen dat dit bedrag door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank tevens de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, nu verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade wat betreft de kostenpost “aanleg alarmsysteem” geen rechtstreeks gevolg is van het onder 4 dan wel het onder 5 bewezen verklaarde handelen van de verdachte. Dit zijn namelijk kosten ter voorkoming van een nieuwe inbraak en aldus staan deze kosten in een te ver verwijderd verband met het onder 4 of 5 bewezenverklaarde handelen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij voor dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van de immateriële schade eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Zij overweegt daartoe dat in het geval er geen sprake is van fysiek letsel – zoals hier aan de orde – er op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek slechts in een beperkt aantal gevallen immateriële schade kan worden toegekend. Deze gevallen zijn limitatief in deze bepaling opgesomd. De wet stelt strenge eisen aan het verhalen (op de dader) van dergelijke schade. Verhaal is alleen dan mogelijk als er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoonlijke (psychische) integriteit. Hiervan is slechts sprake indien het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Enkel emoties of gevoelens van onveiligheid of angst vallen niet onder het bereik van het wetsartikel. Uit het voegingsformulier blijkt dat de benadeelde partij behoorlijk aangeslagen was door de inbraak in haar woning. Zij heeft fysiek ongemak door verlies van erfstukken en geboortefoto’s en gevoelens van onveiligheid ondervonden. De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij deze negatieve gevoelens – uitgedrukt in geld – graag op de dader zou willen verhalen, maar hiervoor biedt artikel 6;106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek geen ruimte. Eventuele ernstigere psychische schade is op basis van de door de benadeelde partij [slachtoffer 6] aangevoerde gegevens onvoldoende aangevoerd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]:

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij [slachtoffer 8] gevorderde schade géén rechtstreeks gevolg is van het onder feit 6 bewezen verklaarde opzetheling van zijn personenauto. Deze is immers door de diefstal van deze auto veroorzaakt. De rechtbank zal deze benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2, zowel primair als subsidiair, ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1 en onder 3 tot en met 7 ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van het onder 1 en onder 4 tot en met 7 meer of anders ten laste gelegde;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de verdachte voor het einde van een proeftijd van drie jaren de algemene voorwaarden of de bijzondere voorwaarden heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en,

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

  • -

    zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

  • -

    zich moet blijven melden bij de Reclassering Nederland zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    zich (ambulant) moet laten behandelen voor zijn alcoholverslaving bij de (Forensische) verslavingszorg of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen die in het kader van die behandeling door of namens de instelling of behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    zich laat opnemen in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang (zoals Exodus), zulks ter beoordeling van de reclassering, en in bedoelde instelling dient te verblijven;

  • -

    dient mee te werken aan dit begeleid wonen en zich dient te houden aan het (dag-) programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    dient mee te werken aan een intake bij Novadic-Kentron, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden en verdachte daarbij te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Bevel voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis – waaronder op de voet van het bepaalde bij artikel 72, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering begrepen de tijd in verzekering doorgebracht – gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 6], [adres 2], te betalen een bedrag van € 660,--;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 6] voor wat betreft de gevorderde post “aanleg alarmsysteem” en de immateriële schade, in haar vordering niet-ontvankelijk is;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 6] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6], [adres 2], voornoemd bedrag te betalen, bij niet betaling te vervangen door 13 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] vervalt en omgekeerd;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 8], [adres 4], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 8] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. A.M. Schutte en mr. G. Demmink, rechters, in tegenwoordigheid van C.S.G.M. Wouters-Debougnoux, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 juli 2014.

Buiten staat

Mr. Demmink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2014006256 d.d. 25 februari 2014 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid juncto artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 2 juli 2014.

3 Het proces-verbaal van aangifte nummer PL2445-2014006256-1 d.d. 17 januari 2014, op pagina 39 van het dossier.

4 Het proces-verbaal van aangifte nummer PL2411-2014000071-1 d.d. 4 januari 2014 en de daarbij gevoegde “bijlage goederen”, op pagina’s 108 tot en met 110 van het dossier.

5 Het proces-verbaal sporenonderzoek nummer PL2400-2014000071-5 d.d. 7 januari 2014, op pagina’s 112 en 113 van het dossier.

6 Het proces-verbaal aangifte nummer PL2441-2014001303-1 d.d. 5 januari 2014 en de daarbij gevoegde “bijlage goederen”, op pagina’s 125, 126 en 128.

7 Het proces-verbaal aangifte nummer PL2441-2013140781-1 d.d. 29 december 2013, op pagina’s 139 en 140 van het dossier.

8 Het proces-verbaal aangifte nummer PL2445-2013102213-1 d.d. 19 september 2013, op pagina’s 75 en 76.

9 Het proces-verbaal verhoor verdachte nummer PL2400-2013102213-17 d.d. 18 januari 2014, op doorgenummerde pagina’s 101 tot en met 103 van het dossier.

10 Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 2 juli 2014.