Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6272

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
26-03-2015
Zaaknummer
AWB-13_3275u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of eiseres voldoende heeft aangetoond dat de door haar bewoonde woonruimte voldeed aan de omschrijving van een zelfstandige woning.

De rechtbank ziet vanwege de consistentie van de verklaringen in het onderhavige geval geen aanleiding aan de inhoud ervan te twijfelen, wat er zij van het feit dat er verder weinig ondersteunend bewijs is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 13 / 3275

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

en

de Belastingdienst Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij geen recht heeft op huurtoeslag voor het jaar 2010 omdat op haar adres aan een andere aanvrager huurtoeslag is toegekend.

Bij besluit van 23 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2014. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2].

Overwegingen

1.

Aan eiseres is een voorschot huurtoeslag toegekend voor het jaar 2010 voor een bedrag van € 2.790,00. Met het primaire besluit is de huurtoeslag definitief berekend op € 0 en het voorschot teruggevorderd. Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres volgens de gegevens uit de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Gba) van

7 maart 2009 tot 3 september 2012 ingeschreven stond op het adres [straat/plaats], het toeslagadres, terwijl in 2010 ook andere mensen een deel van het jaar 2010 of het gehele jaar 2010 ingeschreven stonden op dat toeslagadres in de Gba. Verweerder is van mening dat eiseres er niet in is geslaagd om te bewijzen dat er sprake is van een zelfstandige woning die aan alle vereisten voldoet en dat zij op die grond geen recht heeft op huurtoeslag.

2.

In beroep heeft eiseres verklaringen van de huidige bewoonster van de woonruimte en van de echtgenote van de overleden eigenaar van het pand overgelegd. Eiseres heeft andermaal zelf verklaard en beschreven dat zij een zelfstandige woonruimte heeft bewoond, met een eigen voordeur en achterdeur, met eigen sleutel alleen voor haar toegankelijk, met een eigen toilet en douche, eigen slaapkamer en keuken met de vereiste aansluitingen voor een kooktoestel en aan- en afvoer van watervoorziening. Eiseres geeft aan dat het een voormalige winkel betrof die is omgebouwd naar woonruimte en dat door de eigenaar destijds is verzuimd aparte nummers aan te vragen bij de gemeente. Eiseres verklaart naar eer en geweten te hebben gehandeld en niet het slachtoffer te willen worden van een verzuim van de overleden eigenaar.

3.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) wordt een huurtoeslag slechts toegekend voor de huur van een woning die een zelfstandige woonruimte of een onvrije etage is.

Voor de uitleg van het begrip zelfstandige woonruimte in de Wht dient aansluiting te worden gezocht bij de definitie ervan in artikel 7:234 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW). Daarin is bepaald dat onder zelfstandige woning wordt verstaan de woning die een eigen toegang heeft en die de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woning. Het vereiste dat er geen afhankelijkheid mag zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woning wil onder andere zeggen, zo blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1978/79, 14 249, nr. 6, p. 1-2), dat er een keuken, toilet en wasruimte moeten zijn. Het gebruik van deze voorzieningen moet exclusief aan de huurder toekomen.

4.

Verweerder mag er in beginsel van uitgaan dat op één GBA-adres één zelfstandige woning is gelegen en dat degenen die op hetzelfde adres zijn ingeschreven, met uitzondering van de onderhuurder en degenen die behoren tot diens huishouden, mogen worden aangemerkt als medebewoners die behoren tot hetzelfde huishouden als de aanvrager van huurtoeslag. Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat op één GBA-adres meerdere zelfstandige woningen zijn gelegen door bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat de gehuurde woning beschikt over een eigen toegang en wezenlijke voorzieningen die niet met andere bewoners op hetzelfde adres worden gedeeld.

5.

De rechtbank ziet zich geplaatst voor beantwoording van de vraag of eiseres voldoende heeft aangetoond dat de door haar bewoonde woonruimte voldeed aan de omschrijving van een zelfstandige woning.

Uit de verklaringen van de huidige -opvolgende- bewoonster, van de echtgenote en de dochter van de overleden eigenaar en van eiseres zelf volgt dat eiseres in de hier relevante periode een zelfstandige woonruimte in het pand aan het adres [straat/plaats] heeft bewoond. Die woning is volgens deze verklaringen voorzien van alle wezenlijke woonvoorzieningen voor uitsluitend gebruik door eiseres, en uitsluitend toegankelijk voor eiseres als huurster van die woning, met een eigen brievenbus, en fysiek gescheiden van de rest van het pand. Ter zitting heeft eiseres aanvullend met een foto op haar mobiele telefoon haar voordeur, de deur van de voormalige winkel, getoond en verklaard dat de huidige bewoonster om redenen van privacy niet heeft toegestaan dat er binnen in de woning foto’s worden gemaakt die zouden kunnen dienen als ondersteunend bewijs.

6.

De rechtbank ziet vanwege de consistentie van de zojuist genoemde verklaringen in het onderhavige geval geen aanleiding aan de inhoud ervan te twijfelen, wat er zij van het feit dat er verder weinig ondersteunend bewijs is. De mededeling van de kant van de gemeente inhoudende dat aldaar bekend zou zijn dat in het pand [straat/plaats] sprake zou zijn van “kamerbewoning”, legt naar het oordeel van de rechtbank te weinig gewicht in de schaal dat er daardoor twijfel ontstaat aan de consistente verklaringen over een zelfstandige woning. Het ontbreken van bouwtekeningen of een anderszins opgemaakte plattegrond van de woning leidt de rechtbank evenmin tot twijfel aan de inhoud van de verklaringen, nu dergelijke tekeningen niet altijd de feitelijke situatie weergeven en nu van de zijde van eiseres genoegzaam is uitgelegd waarom niet over dit materiaal is beschikt. De rechtbank stelt vast dat eiseres met deze consistente verklaringen van verschillende personen voldoende heeft aangetoond dat de door haar bewoonde woonruimte in de thans relevante periode aan het adres [straat/plaats] voldeed aan de omschrijving van een zelfstandige woning. Het betoog van eiseres slaagt op dit punt.

7.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, bestaande uit de reiskosten die zij en haar raadsman hebben gemaakt voor het bijwonen van de zitting. Deze kosten stelt de rechtbank, naar de kosten van openbaar vervoer tweede klas, vast op een bedrag van € 12,20 voor ieder van hen. Voor een veroordeling in andere proceskosten bestaat geen aanleiding nu niet is gebleken van daarvoor in aanmerking komende posten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,00 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 24,40.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Voncken, rechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2014.

w.g. J.N. Buddeke,

griffier

w.g. P.J. Voncken,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 16 juli 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.