Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6242

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
2691909 CV EXPL 14-466
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijke opzegging van een arbeidsovereenkomst na dienstverband van ruim 21 jaar. Bedrijfseconomische problemen van een bedrijf in de (toeleverende kant van de) bouwsector hebben geleid tot ervaren noodzaak reductie personeelskosten en schrapping van de functie van betrokken werknemer (een van de drie werknemers in actieve dienst). Debat over valse of voorgewende opzeggingsreden naast discussie over disproportionaliteit van belang bij en gevolgen van opzegging. Betekenis Ontslagbesluit, dat ook voor kantonrechter beoordelingsmaatstaf is. Werknemer onderscheidt functie en werkzaamheden onvoldoende als hij de opzeggingsreden als vals (of voorgewend?) aanmerkt. Met de tweede voor kennelijke onredelijkheid aangevoerde rechtsgrond wordt (iets) meer succes geboekt. Daarvoor is in het licht van goed werkgeverschap mede betekenis toegekend aan oorspronkelijke opstelling werkgever tegenover vergoedingsvraag. Enige aspecten of gezichtspunten pleiten in voordeel standpunt werknemer, maar diens eigen gebrek aan verantwoordelijkheid voor behoud werk en bekorten werklosheidsduur reduceert zijn recht op schadevergoeding. Met name in de sfeer van schade in de pensioensfeer overschat werknemer zijn mogelijkheden om deze in dit kader op werkgever te verhalen. Toe te kennen bedrag aan schadevergoeding uiteindelijk beperkt tot € 10 000,00 bruto. Motivering kostencompensatie in rechte en afwijzing vergoeding incassokosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0650
AR 2014/529
AR 2014/530

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer 2691909 CV EXPL 14-466

Vonnis van de kantonrechter van 23 juli 2014

in de zaak

[eiser]

wonend te [woonplaats] aan het [adres]

verder ook te noemen: “[eiser]”

eisende partij

gemachtigde: mr. B.M.M. Custers, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Roermond

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MOONEN-WANDERS BOUWPRODUCTIE B.V.

gevestigd en kantoorhoudend te (6412 PJ) Heerlen aan de Wijngaardsweg 10

verder ook te noemen: “MBV”

gedaagde partij

in rechte verschenen bij haar directeur, M.A.Th. Moonen te Heerlen

De procedure

[eiser] heeft MBV bij exploot van dagvaarding d.d. 2 januari 2014 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in her exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee aan MBV zeventien producties betekend zijn.

MBV heeft ter eerst dienende datum schriftelijk geantwoord en verweer gevoerd onder het bijbrengen van zeven producties.

In tweede ronde hebben partijen achtereenvolgens voor repliek (met één extra productie onder nummer 18) respectievelijk dupliek (met elf producties) geconcludeerd.

Omdat [eiser] niet meer op de elf extra producties van MBV heeft kunnen reageren, kan aan de inhoud daarvan - voor zover deze al niet uit andere stukken bekend was - vooralsnog geen doorslaggevende betekenis gehecht worden.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader op vandaag gesteld is.

Het geschil

[eiser] vordert, naast een op zichzelf niet noodzakelijke verklaring van recht omtrent het rechtskarakter van de gedane opzegging, veroordeling van MBV - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van een als schadevergoeding (volgens [eiser] ‘vergoeding’) wegens kennelijk onredelijke opzegging aan te merken bedrag van primair € 129 970,47 bruto althans (subsidiair) een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot de voldoening, alsmede tot betaling van zowel ‘de’ buitengerechtelijke kosten (€ 2 074,70 volgens [eiser]) als de proceskosten.

[eiser], geboren op [geboortedatum], acht na een arbeidsverleden van ruim eenentwintig jaar de hem wegens bedrijfseconomische redenen (structurele omzetvermindering en noodzaak inkrimping personeelsbestand, vervallen van de vervulde functie van machineoperator) en met toestemming van het UWV WERKbedrijf door MBV tegen 1 maart 2013 gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk om twee redenen. [eiser] is allereerst van oordeel dat de (financiële) gevolgen van de opzegging voor hem onevenredig ernstig zijn en beschouwt in de tweede plaats de gehanteerde opzeggingsreden als vals doch ‘in ieder geval’ voorgewend (art. 7:681 lid 2 aanhef en sub b. respectievelijk sub a. BW).

  • -

    [eiser] heeft ‘meer dan 20 jaar immer naar tevredenheid’ zijn werkzaamheden bij MBV verricht en heeft ‘desondanks’ geen financiële tegemoetkoming ontvangen voor de ‘schade die hij leidt’ (lijdt) en die [eiser] op enig punt in het exploot ‘zeer ingrijpend alsmede bijna onoverkomelijk’ respectievelijk ‘desastreus’ noemt.

  • -

    Als relevante factoren voor het rechtens verschuldigd zijn van een dergelijke ‘tegemoetkoming’ noemt [eiser] in het exploot van 2 januari 2014 (in abstracte bewoordingen en deels in de toekomst gesitueerd ) ‘de’ leeftijd, ‘de’ duur van ‘het’ dienstverband, ‘het’ eenzijdige arbeidsverleden en ‘de’ economische situatie die het hem ‘zeer moeilijk zullen’ maken een nieuwe baan te vinden, zodat hij ‘lange tijd’ aangewezen ‘zal zijn’ op WW-uitkering.

  • -

    Ook maakt [eiser] melding van het ontbreken van reële inspanningen van MBV tot herplaatsing in een passende functie, eventueel bij een van de op hetzelfde adres gevestigde ‘andere vennootschappen’ (behoudens een training om zijn kennis up to date te houden), waarbij vrijstelling van werk onder het aanbod om eventueel in die periode van vrijstelling met behoud van loon elders te gaan werken, niet als ‘redelijke inspanning’ van de werkgever aan te merken is.

  • -

    ‘De volledige becijfering’ van de schade zegt [eiser] (zonder een exercitie op de site ‘hoelangwerkloos.nl en zonder opgave van te verwachten werkloosheidsduur) te geven in zijn productie 15; daar is de ‘inkomensschade’ tot en met augustus 2015 ‘berekend’ op € 28 569,69 komt de ‘totale pensioenschade’ uit op € 101 400,78 (klaarblijkelijk bruto, maar dit is niet vermeld).

  • -

    [eiser] is verder ‘van mening’ dat MBV ‘bewust een valse, doch in ieder geval een voorgewende reden aan het UWV WERKbedrijf heeft overlegd’ ( bedoeld zal zijn overgelegd of beter: ter beoordeling voorgelegd), ‘teneinde hiermee op een goedkope wijze afscheid te kunnen nemen van eiser’.

  • -

    Aan het UWV WERKbedrijf is toestemming gevraagd tot opzegging op de grond dat de financiële situatie MBV noodzaakte om ‘werkzaamheden’ zoals deze door [eiser] verricht werden, op projectbasis uit te besteden, maar uit contact met ex-collega’s heeft [eiser] ‘vernomen’ dat er nog met een omgebouwde én een nieuw aangeschafte ‘machine’ gewerkt wordt ‘zoals eiser dat jaren bij gedaagde gedaan heeft’. Van uitbesteding is volgens [eiser] geen sprake en daarom noemt hij de opzeggingsreden ‘vals’ (eigenlijk heeft hij het met zijn aldus weergegeven ‘mening’ over de opzegging in de processtukken over de ‘aanvraag ontslagvergunning’ die ‘onder valse reden’ gedaan zou zijn en over een ‘onder valse redenen verkregen ontslagvergunning’).

In voortgezet debat heeft [eiser] zijn stellingname gehandhaafd / bevestigd en een aantal uitdrukkelijke tegenwerpingen van MBV weersproken.

Een nauwelijks concrete verwijzing voor vervangend werk naar een verwante onderneming in de periode dat van een ontslagprocedure nog geen sprake was, was voor [eiser] geen serieuze optie; later is dit ‘aanbod’ niet meer aan de orde geweest en het komt [eiser] voor dat de gedane suggestie paste in de intentie om ‘op goedkope wijze van hem af te komen’.

Verder zijn wat prints van vacatures natuurlijk geen serieuze inspanning tot herplaatsing.

Een aanbod / voorstel tot vergoeding van € 4 500,00 in aansluiting op non-actiefstelling (‘vrijstelling van arbeid tegen de zin van eiser in’) blijft [eiser] zien als onvoldoende compensatie, zeker nu de voorziene schade realiteit geworden is.

[eiser] volhardt in zijn repliek bij het vorderen van een post pensioenschade en bij de ‘berekening’ daarvan (zij het dat hij - zonder zijn vordering als zodanig te verminderen - erkent dat daarop eigenlijk een bedrag van € 775,00 bruto, eenmalig van APG ontvangen ter aanvulling van de WW-uitkering, in mindering zou moeten komen). Zijn eerdere bereidheid om met lagere bedragen aan (schade)vergoeding genoegen te nemen, kan hem naar eigen zeggen thans niet door MBV tegengeworpen worden. Anders dan MBV meent, zegt [eiser] zich ‘al’ op 13 november 2013 als werkzoekende bij het UWV gemeld te hebben en daar ingeschreven te zijn. Ook heeft hij zich wel degelijk ingespannen om ander werk te vinden, tot de datum van de repliek evenwel zonder resultaat en zonder concreet vooruitzicht op een andere baan. [eiser] bestrijdt dat er bij MBV geen financiële ruimte zou zijn (geweest) voor een extra vergoeding. In dat verband vraagt hij aandacht voor de nieuwe investeringen in mensen en middelen waarvan volgens hem sprake is (geweest). Bovendien komt een en ander voor risico van MBV als dit al anders zou liggen. Tegenover het verweer van MBV in haar antwoord volhardt [eiser] bij zijn stelling dat ‘de werkzaamheden van eiser nimmer zijn komen te vervallen’. Hij voert daartoe aan dat deze ‘door andere collega’s’ uitgevoerd gingen worden en dat dit zou wijzen op ‘foutief toepassen van het afspiegelingsbeginsel’. Hij concludeert dat dit ‘handelen van gedaagde, in strijd met alle wet- en regelgeving gedaagde duur (dient) komen te staan’. Na beëindiging van de overeenkomst met [eiser] heeft MBV nog personen (intermitterend) in dienst genomen zonder [eiser] daarvoor te benaderen.

Het verweer van MBV heeft tot strekking dat haars inziens de feiten en omstandigheden erop wijzen dat van kennelijke onredelijkheid van de opzegging geen sprake is, laat staan dat er gronden zijn voor de bepleite schadevergoeding. [eiser] geeft een onjuist beeld door niet alle relevante stukken in te brengen (MBV heeft zelf enige ontbrekende stukken overgelegd). Het ontslag berustte op deugdelijke bedrijfseconomische gronden en MBV is - onder verwijzing naar de stukken - van oordeel in dezen correct gehandeld te hebben. MBV acht zich financieel nog steeds niet in staat [eiser] meer compensatie te bieden dan eerder bij brief van 25 september 2012 aangeboden is aan zijn toenmalige gemachtigde mr. Jacobs van DAS Rechtsbijstand. Zij trekt in twijfel of [eiser] het uiterste gedaan heeft om weer aan werk te komen, ook in het licht van inspanningen van MBV om hem bij een ‘concu-lega’ onder te brengen. Dat de beleidsbeslissing om op korte termijn werk uit te besteden herzien is, vindt zijn verklaring in de liquiditeitspositie van MBV en in de wens om aan de minimaal noodzakelijke ‘bezetting’ voor het in stand houden van de onderneming werk te kunnen blijven bieden. Daarvoor is onder meer gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ‘ver onder de prijs’ een tweedehands machine via een leaseconstructie te verwerven. MBV heeft zo lang mogelijk geprobeerd [eiser] voor ontslag te sparen, maar er zijn hem sinds 2001 wel ‘zo’n 50 collega’s’ voorgegaan. De schadeberekening van [eiser] kan MBV niet volgen. Zij acht het ‘opmerkelijk hoe de bedragen heen en weer vliegen’.

In voortgezet debat heeft MBV opnieuw en nu uitvoeriger geadstrueerd dat / hoe [eiser] een reële kans negeerde om aansluitend werk te vinden bij Reyn Stone Mortel of Reyn Design in Born. [eiser] heeft nooit direct of indirect (via zijn gemachtigde) zelfs maar contact gezocht of een afspraak gemaakt, terwijl men in Born een werknemer van zijn kaliber goed dacht te kunnen gebruiken. Volgens MBV stelde [eiser] zich tegenover ‘een opgelegde kans’ zo op omdat hij ‘willens en wetens op jacht (was) naar het grote geld’.

Waar nuttig en nodig - en voor zover al niet tot uitdrukking komend in de opsomming onder de feiten die zijn komen vast te staan - zullen specifiekere en/of meer in detail tredende stellingen van partijen aan de orde komen en gewogen worden bij de beoordeling.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast.

  • -

    [eiser], geboren [geboortedatum], is van 21 oktober 1991 tot 1 maart 2013 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van MBV geweest, waar hij laatstelijk werkzaam was in de functie ‘machineoperator CNC en Computer’ tegen een maandelijks bruto loon van € 2 558,98 exclusief 8% vakantiebijslag.

  • -

    Bij aangetekend verzonden brief d.d. 11 september 2012 heeft MBV [eiser] ter bevestiging van een die dag gevoerd gesprek laten weten uit bedrijfseconomische noodzaak te streven naar beëindiging van de overeenkomst, bij voorkeur door het treffen van een regeling (waarvoor een voorstel bijgevoegd was) en anders door opzegging (waartoe de eerste formele stap bij het UWV WERKbedrijf gezet was).

  • -

    Aan [eiser] is gevraagd binnen veertien dagen te laten weten naar welke van de twee opties zijn voorkeur uitging.

  • -

    Nadat mr. Jacobs (DAS Rechtsbijstand) namens [eiser] aan MBV in reactie op deze aankondiging had laten weten dat een regeling slechts denkbaar was bij minimale beschikbaarstelling van een vergoeding ad € 25 000,00, is door MBV geantwoord dat een dergelijk bedrag ‘niet tot onze draagkracht behoort’ en is de inmiddels in gang gezette procedure bij het UWV op de voet van art. 6 BBA voortgezet en uiteindelijk op 6 november 2012 met een toestemmingsbeslissing afgerond.

  • -

    Op 6 november 2012 heeft het UWV WERKbedrijf conform het unanieme advies van de Ontslagadviescommissie aan MBV toestemming tot opzegging verleend in een negen pagina’s omvattende gemotiveerde beschikking.

  • -

    De toetsende instantie had met inachtneming van het Ontslagbesluit de door MBV beschikbaar gestelde cijfermatige en bedrijfsmatige gegevens (waaronder stukken van de accountant) voldoende geacht om uit te kunnen gaan van de aannemelijkheid van de ernst van de actuele ‘financiële / bedrijfsmatige situatie’ van de onderneming en van de noodzaak deswege arbeidsplaatsen te doen vervallen om personeelskosten terug te dringen, waarmee de bedrijfseconomische noodzaak van opzegging in voldoende mate was komen vast te staan. Tevens respecteerde UWV WERKbedrijf wegens de aan de ondernemer toekomende beleidsvrijheid de keuze van MBV om daartoe de arbeidsplaats van [eiser] te laten vervallen.

  • -

    Omdat de door [eiser] vervulde functie (‘machineoperator CNC en computer’ met enige aanvullende werkzaamheden) binnen de onderneming van MBV uniek en niet (wederzijds) uitwisselbaar geacht kon worden met andere functies (zelfs bij door [eiser] in zijn verweer aan de orde gestelde vennootschappen waarmee MBV enigerlei financiële of bestuurlijke dwarsverbinding onderhield), kwam het afspiegelingsbeginsel niet aan bod (of leidde correcte afspiegeling tot een keuze voor [eiser] als de persoon wiens arbeidsovereenkomst zou moeten eindigen).

  • -

    Tevens achtte het UWV WERKbedrijf in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat herplaatsing van [eiser] bij MBV of bij een van de andere genoemde ondernemingen niet mogelijk was en werden alle door de werknemer en zijn gemachtigde aangevoerde contra-argumenten verworpen (of werd - waar het een eventuele vergoedingsplicht betreft - voor het verkrijgen van een oordeel ter zake verwezen naar de mogelijkheid voor [eiser] de civiele rechter te adiëren).

  • -

    Bij brief van 15 november 2012 heeft MBV de arbeidsovereenkomst opgezegd ‘per 28 februari 2012’ (later gecorrigeerd in ‘per 28 februari 2013’, waar kennelijk bedoeld was tegen 1 maart 2013, teneinde de overeenkomst te laten eindigen op 28 februari 2013 aan het einde van de reguliere werktijd).

  • -

    Via een protestbrief van 26 november 2012 is [eiser] door tussenkomst van DAS Rechtsbijstand gaan opponeren tegen de opzegging waarvan de financiële gevolgen naar zijn opvatting onevenredig groot waren, hetgeen in zijn visie tot een ‘financieel voorstel’ diende te leiden en bij gebreke daarvan diende uit te monden in een procedure ter verkrijging van schadevergoeding.

  • -

    Na afwijzing van die niet in een concrete vordering uitgedrukte claim bij brief van MBV d.d. 27 november 2012 heeft [eiser] de draad opgepakt op 1 mei 2013, toen zich (alsof het een nieuwe zaak betrof) namens hem mr. Custers per brief bij MBV meldde met de boodschap dat [eiser] de gedane opzegging wegens haar gevolgen kennelijk onredelijk achtte.

  • -

    Op een afwijzende reactie d.d. 15 mei 2013 van de kant van MBV heeft mr. Custers vervolgens op 14 augustus 2013 weer van zich doen horen in een brief waarin met name mededeling gedaan is van de wens tot stuiting van de lopende verjaring van de rechtsvordering met verwijzing naar de artikelen 3:316 en 317 BW.

  • -

    Vervolgens is MBV op 2 januari 2014 namens [eiser] gedagvaard.

De beoordeling

Het onderhavige dossier geeft er geen blijk van dat [eiser] er veel aan gelegen was om snel na de voor hem vervelende boodschap van 11 september 2012 met MBV tot zaken te komen en, als dat niet lukte, tot processuele actie over te gaan. Evenmin kan uit de door hem verschafte informatie afgeleid worden dat [eiser] alles gedaan heeft wat redelijkerwijs van hem verwacht had mogen worden om werkloosheid als gevolg van (te verwachten of inmiddels werkelijkheid geworden) verlies van zijn baan bij MBV te voorkomen althans de duur daarvan te bekorten. Alleen al het tot 13 november 2012 uitblijven van inschrijving van [eiser] als werkzoekende bij het UWV - ruim twee maanden nadat hij door de beslissing van 11 september 2012 op non-actief was komen te staan (volgens MBV in de brief van die dag in de vorm van ‘vrijstelling van werk’ conform de ‘vaste procedure binnen ons bedrijf’) - werkt sterk in zijn nadeel. [eiser] was toen immers, hoewel niet WW-gerechtigd wegens de voortdurende loonverplichting van MBV, door de non-activiteit al twee maanden werkloos in de zin van de wet en dus verplicht tot zoeken van ander werk, althans tot actieve oriëntatie op arbeid elders. In het navolgende zal hierop nog teruggekomen worden.

Mede omdat MBV zich niet op verjaring van de rechtsvordering van [eiser] op de voet van art. 7:681 BW iuncto art. 7:683 lid 1 BW beroept, mogelijk mede ingegeven door de aankondiging van stuiting in de brief d.d. 14 augustus 2013 van mr. Custers, moet [eiser] wel ontvankelijk geacht worden in zijn op art. 7:681 BW stoelende vordering.

Opmerkelijk is verder dat [eiser] (althans zijn gemachtigde) in de presentatie van stukken ter onderbouwing van zijn vordering zeer selectief gewinkeld heeft in het beschikbare schriftelijke materiaal en ook geen woord wijdt aan zijn bij MBV vervulde functie in relatie tot (die van) andere werknemers bij MBV. In zijn kritiek op MBV en indirect op het UWV WERKbedrijf dat zich door MBV zou hebben laten misleiden (hoewel niet de beslissing van 6 november 2012 tot het verlenen van toestemming tot opzegging, doch die opzegging zelf in deze procedure ter toetsing voorligt), heeft [eiser] het ten onrechte ook steeds over zijn ‘werkzaamheden’, terwijl de functie (of het vervallen daarvan) centraal moet staan. Een groot deel van de argumentatie van [eiser] ten aanzien van het beweerdelijk valse of voorgewende karakter van de opzegging (hij maakt zelfs geen duidelijk onderscheid tussen die twee van elkaar te onderscheiden categorieën) lijkt uit te gaan van de misvatting dat relevant zou zijn of alle ‘werkzaamheden’ die voorheen door [eiser] verricht zijn, na 28 februari 2013 bij MBV verdwenen zijn. [eiser] legt er nogal de nadruk op dat deze - al dan niet tijdelijk of aangepast, maar in ieder geval opgesplitst - door een of meer anderen bij MBV uitgevoerd zijn. Bij toetsing van een (voornemen tot) opzegging, zowel in de toestemmingsprocedure ex art. 6 BBA als - maar dan achteraf - in een procedure ex art. 7:681 BW, impliceert toepassing van het Ontslagbesluit echter dat niet naar uitwisselbare werkzaamheden doch naar over en weer uitwisselbare functies gekeken wordt als een of meer functies door de werkgever geschrapt wordt / worden. In casu staat op grond van het door [eiser] op dit aspect niet betwiste toestemmingsverzoek van MBV- kenbaar omdat MBV dit inbracht - vast dat in september 2012 (nog) slechts drie werknemers actief waren. Van deze drie was uitsluitend [eiser] werkzaam in de functie operator (‘Machineoperator CNC en Computer’). De andere twee, de heren [naam 1] en [naam 2], waren respectievelijk als vrachtwagenchauffeur / algemeen en aankomend meewerkend voorman in dienst en dan ook nog eens op basis van een (aflopende) overeenkomst voor bepaalde duur.

Er viel dus in wezen niets te kiezen of af te spiegelen toen MBV er om bedrijfseconomische redenen voor geopteerd had de functie ‘operator’ te schrappen: slechts [eiser] kwam om die reden voor opzegging van zijn arbeidsovereenkomst in aanmerking. Het UWV noch de kantonrechter kon / kan treden in de bedrijfseconomische wenselijkheid of noodzaak van die schrapping. Ook enige door [eiser] slechts vaag beschreven latere ontwikkelingen - zoals handhaving van werkzaamheden in een zekere omvang voor al dan niet tijdelijke werknemers in plaats van volledige uitbesteding alsmede vervanging van een van de ‘machines’ door een geavanceerder exemplaar - brengen het aangevoerde opzeggingsmotief niet in diskrediet. Het bepalende motief was immers schrapping van [eiser]’s functie om bezuinigingsredenen. In ieder geval niet gebleken dat dit motief als ‘vals’ (dat wil zeggen onwaar / in werkelijkheid niet bestaand) beschouwd moet / zou kunnen worden. Dat de gehanteerde opzeggingsreden ‘voorgewend’ was, wat wil zeggen dat de reden weliswaar feitelijk klopte, maar gehanteerd was om de werkelijke reden te verhullen, is door [eiser] zelfs in het geheel niet beargumenteerd. In een van de overgelegde brieven, maar verder niet in enig processtuk besproken, verwees [eiser]’s gemachtigde naar een aan het verzoek om UWV-toestemming voorafgegane ‘officiële waarschuwing’, maar dit is nergens uitgewerkt.

De hiervoor uitgewerkte verwerping van de door [eiser] bepleite kennelijke onredelijkheid op de voet van art. 7:681 lid 2 aanhef en sub a. BW (via de in de opzeggingsreden gelegen argumentatie), sluit niet uit dat er wel sprake geweest is van evidente onevenredigheid van belangen bij en gevolgen van de bewuste opzegging (art. 7:681 lid 2 aanhef en sub b. BW). [eiser]’s argumenten te dien aanzien zullen dus nader moeten worden gewogen.

In ieder geval zijn de gevolgen hier niet zo schrikbarend disproportioneel als [eiser] wil doen voorkomen. Hij overwaardeert de mogelijkheden van MBV om het onheil van opzegging voor hem te voorkomen of te verzachten en onderwaardeert zijn eigen ‘bijdrage’ aan het werkelijkheid worden van een aantal door hem als ‘desastreus’ aangemerkte verwachte gevolgen. Uit de opstelling van MBV zelf ten tijde van de aanzegging d.d. 11 september 2012 en in de loop van of kort na de toestemmingsprocedure ex art. 6 BBA blijkt echter dat ook zij wel inziet dat opzegging zonder enige compenserende voorziening naast inachtneming van de (forfaitair bekorte) opzegtermijn de werknemer al te zeer benadeelt. Haar beleving van het goed werkgeverschap was dus eerder enigszins afwijkend van hetgeen MBV in deze procedure verdedigt, waarin het lijkt alsof zij tot niets meer bereid is. Hoezeer de werknemer ook een eigen verantwoordelijkheid heeft voor het nemen van initiatief in de richting van behoud van werk, zeker in de vitale eerste periode van non-activiteit ([eiser] ondernam toen geen actie in de richting van Reyn Stone en liet in de aanloopperiode zelfs inschrijving als werkzoekende en daarmee corresponderende activiteiten op de arbeidsmarkt achterwege), dat doet niet af aan het feit dat [eiser] na 21 jaar arbeid voor dezelfde werkgever een steuntje in de rug nodig had. Dit laatste is aanvankelijk ook door MBV onderkend, maar lijkt nu voor haar geen rol meer te spelen. Het had op de weg van MBV gelegen om in de vorm van een meer of minder bescheiden sociaal fonds voor personeel dat zij in verband met het slechte bedrijfseconomische tij niet in dienst kon houden (naar eigen zeggen betrof dit in de loop van een aantal jaren liefst ‘zo’n 50 collega’s’), iets te doen aan verzachting van de financiële gevolgen van ontslag, maar ook aan gestructureerde activiteiten ter zake van mobiliteit en transitie (bevordering overgang van werk naar werk). Als [eiser] in het kader van zo’n structurele aanpak veel eerder dan nu het geval was, voorbereid was op de noodzaak van mobiliteit, eventueel met aanvullende scholing en oriëntatie op de arbeidsmarkt buiten MBV, had hij zich allicht najaar 2012 minder verzet tegen eventuele overgang in dienst van Reyn Stone (volgens zijn gemachtigde handelde [eiser] immers zo vanuit het idee dat er - met het mes van de BBA-procedure op de keel - ‘een vooropgezet plan om op goedkope wijze van eiser af te komen’ uitgevoerd werd).

Nu [eiser] naliet met hulp van het rekenmodel op de website ‘www.hoelangwerkloos.nl’ een statistische benadering te presenteren van de in zijn situatie ten tijde van opzegging te verwachten werkloosheidsduur, moet thans een inschatting gemaakt worden op basis van de zijnerzijds wel beschikbaar gestelde gegevens, hoe mager die ook zijn. De kantonrechter acht aannemelijk dat de combinatie van een zekere psychische terugval en een daaropvolgende periode van werk zoeken - naar verwachting ten tijde van opzegging - een jaar of daaromtrent zou kunnen vergen, maar zeker niet de omtrent 2½ jaar die [eiser] kennelijk als uitgangspunt voor zijn schadeberekening neemt. Bepalend is ook niet hoe de feitelijke ontwikkeling na 15 november 2012 of sedert 1 maart 2013 was (hoogstens kan die een indicatie leveren), doch wat in zijn situatie begin 2013 redelijkerwijs te verwachten viel. Relevante gezichtspunten waren een niet zonder meer ongeschikte leeftijd in relatie tot betrekkelijk goede kwalificaties, tegenover een door het lange dienstverband bij één werkgever ontstaan gebrek aan bredere professionele werkervaring. Niet of minder van belang is of [eiser] wel of niet - ook nog in het najaar van 2012 - de verwachting gekoesterd heeft dat hij een baan van grote bestendigheid had. Het was immers voor [eiser] zaak geweest om vanaf het moment dat hij wist dat zijn baan op het spel stond, alles in het werk te stellen om zich op een andere arbeidstoekomst te oriënteren. Door dit niet te doen, althans daarvan geen blijk te geven, en door zich volledig en uitsluitend te richten op (ernstig overschatte) mogelijkheden tot financiële compensatie van de kant van MBV, heeft [eiser] een verkeerde keuze gemaakt, die ten dele voor eigen rekening en risico moet komen.

Dat geldt in ieder geval voor de buitenproportioneel te achten post ‘pensioenschade’ die hij ‘berekent’ op basis van de veronderstelling dat hij nog tot de pensioenleeftijd in dienst van MBV zou zijn gebleven, in plaats van ermee te volstaan kosten van vrijwillige voortzetting van pensioenopbouw voor eigen rekening gedurende een aanzienlijk kortere termijn te (doen) bepalen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter, min of meer aanhakend bij de berekening van [eiser] waarvan de uitgangspunten door MBV als zodanig niet bestreden zijn, de schade in de vorm van direct inkomensverlies per maand begroot op een bedrag dat zich globaal tussen € 800,00 en € 1 000,00 bruto beweegt en daarop een beperkte aanvulling redelijk acht ter compensatie van dreigende schade in de pensioenopbouw bij werkloosheid. Al met al wordt voor een periode die in het licht van het voorgaande korter is dan een jaar, een bedrag van in totaal € 10 000,00 bruto (plus rente als gevorderd) aan reëel te achten schadevergoeding voor rekening van MBV gebracht.

Omdat dit bedrag weliswaar naar boven afwijkt van hetgeen waartoe MBV buiten rechte bereid geweest is, maar anderszins aanmerkelijk lager uitvalt dan het minimum waartoe [eiser] MBV buiten rechte gehouden achtte (€ 25 000 bruto) en a fortiori dan de bedragen die in rechte gevorderd zijn, komt het de kantonrechter aanvaardbaar voor de proceskosten in het geheel te compenseren.

Voor toewijzing van een afzonderlijk bedrag aan vergoeding van buitengerechtelijke kosten ontbreekt een redelijke grond. De beweerde kosten aan de zijde van de gemachtigde van [eiser] hadden klaarblijkelijk in het bijzonder betrekking op enerzijds het verweer in de UWV-procedure (en dus niet op deze vordering) en anderzijds de noodzaak van stuiten van verjaring. Als [eiser] niet zo lang getalmd had met uitvoering geven aan de op 1 mei 2013 gedane aankondiging van processuele actie tegen de opzegging, was een stuitingshandeling niet nodig geweest. Van reële actie tot incasso was van stonde af aan ook daarom geen sprake omdat MBV zich na de opzegging duidelijk uitgesproken had tegen de volgens haar ongerechtvaardigde verlangens van [eiser] en een impasse over de schadevergoedingsvraag eventueel slechts in rechte doorbroken kon worden.

De beslissing

De kantonrechter komt aldus tot het navolgende oordeel:

MBV wordt veroordeeld om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting € 10 000,00 bruto te voldoen ten titel van schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2014.

De proceskosten worden aldus gecompenseerd, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: h.s.