Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6217

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-07-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
C/03/191802 / KG ZA 14-289
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van € 10.000,-- afgewezen. De grondslag van de vordering, primair een overeenkomst van geldlening, subsidiair onverschuldigde betaling althans ongerechtvaardigde verrijking is door gedaagde betwist en zonder bewijslevering, waartoe een kort geding zich niet leent, onvoldoende zeker. Van een eigen spoedeisend belang van eiseres is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/191802 / KG ZA 14-289

Vonnis in kort geding van 14 juli 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EVER RICH INTERNATIONAL B.V.,

statutair zetelend te Leiden,

eiseres,

advocaat mr. C. Luijt te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonend te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. drs. G.W.J. Rietra te Heerlen (toevoeging).

Partijen zullen hierna ERI en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de door ERI inzonden producties 1 t/m 6

  • -

    de pleitnotitie van [gedaagde]

  • -

    de akte houdende voorwaardelijke eisvermindering van ERI

  • -

    de mondelinge behandeling op 7 juli 2014, waar ERI bij en [gedaagde] met zijn advocaat zijn verschenen

  • -

    de pleitaantekeningen van ERI.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

ERI stelt aan [gedaagde] € 10.000,00 te hebben geleend, welk bedrag op 14 december 2011 op de bankrekening van [gedaagde] is bijgeschreven. Partijen hebben afgesproken dat zij de lening zouden vastleggen in een schriftelijke overeenkomst. [gedaagde] heeft deze afspraak in zijn e-mailbericht van 13 december 2011 bevestigd. Bij e-mailbericht van 8 januari 2013 heeft ERI de leningovereenkomst in concept aan [gedaagde] doen toekomen met het verzoek deze te ondertekenen. Ondanks een herhaalde, bij deurwaardersexploot betekende, sommatie, heeft [gedaagde] dat niet gedaan.

2.2.

ERI vordert [gedaagde] bij vonnis te veroordelen om € 10.000,00 aan haar te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 december 2011.

2.3.

Na kennis te hebben genomen van de pleitnotitie van [gedaagde] heeft ERI haar vordering gewijzigd aldus dat, voor het geval de primair aan de vordering ten grondslag gelegde overeenkomst van geldlening niet wordt aangenomen, subsidiair € 10.000 (zonder rente) wordt gevorderd op de grondslag dat dit onverschuldigd is betaald althans dat [gedaagde] door die betaling ongerechtvaardigd is verrijkt.

2.4.

[gedaagde] stelt primair dat de zaak zich niet leent voor beoordeling in kort geding. Alleen al omdat hij betwist dat aan de betaling door ERI aan hem van € 10.000 - die hij overigens erkent - een overeenkomst van geldlening ten grondslag lag, kan dit niet worden aangenomen met zodanige zekerheid dat een voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Ook ontbreekt daarbij het vereiste spoedeisend belang van ERI, aldus [gedaagde].

2.5.

Als verweer tegen de subsidiaire (grondslag van de) vordering stelt [gedaagde] dat partijen een samenwerking beoogden en dat hij daarop vooruitlopend werkzaamheden heeft verricht die aan ERI ten goede zijn gekomen, hetgeen hij te zijner tijd in een bodemprocedure - hij kan nu niet bij de benodigde stukken - kan bewijzen. De betaling vormde een vergoeding voor die werkzaamheden en de daaraan bestede tijd en was dus niet onverschuldigd, noch is hij daardoor ongerechtvaardigd verrijkt, aldus [gedaagde].

2.6.

ERI heeft tegenover deze verweren gesteld dat reeds uit haar omschrijving bij de betaling van € 10.000 (“Lening Everrich aan [gedaagde]”) en uit de e-mail van [gedaagde] aan haar directeur (“De leningovereenkomst ontvang ik ook graag zo spoedig mogelijk”) volgt dat het karakter van de betaling, een geldlening, vaststaat althans dat [gedaagde] de betaling zonder wederdienst derhalve zonder dat ERI een schuld aan hem had, heeft ontvangen.

3 De beoordeling

3.1.

Een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, bestaande in de veroordeling van gedaagde tot betaling van een geldsom, dient de voorzieningenrechter terughoudend te beoordelen. Voor toewijzing dienen niet alleen feiten en omstandigheden te worden gesteld en aangenomen die meebrengen dat “een onmiddellijke voorziening wordt vereist” (het zogenoemde spoedeisend belang), ook dient zodanig aannemelijk te zijn dat een (ongeveer) gelijkluidende vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen dat het gerechtvaardigd is om daarop - met mogelijkerwijs niet ongedaan te maken gevolgen - vooruit te lopen. De vordering van ERI doorstaat deze toetsen niet.

3.2.

Voor wat betreft het spoedeisend belang stelt ERI slechts dat [gedaagde] een onbetrouwbare debiteur met financiële problemen is, wiens deconfiture zij vreest. Een eigen spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening, dat wil zeggen bij onmiddellijke ontvangst van € 10.000 van [gedaagde], heeft ERI niet gesteld. Nu het met name dit laatste belang is waarop art. 254 Rv doelt, dient de gevorderde voorziening reeds te worden geweigerd wegens het ontbreken van (voldoende gesteld) spoedeisend belang van ERI daarbij.

3.3.

Zowel de primaire (een overeenkomst van geldlening) als de subsidiaire/voorwaardelijke (onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking) grondslag van de vordering zijn door [gedaagde] gemotiveerd betwist. Aannemelijk is daarom dat in een bodemprocedure niet zonder bewijslevering - in het midden latend op wie de bewijslast van het rechtskarakter van de betaling zou worden gelegd - kan worden beslist. De omschrijving die ERI bij de betaling heeft gegeven en het verzoek van [gedaagde] om hem de leningovereenkomst toe te sturen, vormen er weliswaar aanwijzingen voor dat de betaling ten titel van geldlening heeft plaatsgevonden, maar niet zodanig sterke aanwijzingen dat dit karakter thans reeds met voldoende zekerheid kan worden aangenomen. Komt het leningskarakter van de betaling niet vast te staan, dan is voorts niet zonder meer aannemelijk dat de vordering op de subsidiaire grondslag zal worden toegewezen, gelet op de stelling van [gedaagde] dat hij kan bewijzen dat hij tegenover de betaling werkzaamheden heeft verricht en tijd heeft geïnvesteerd die aan ECI ten goede zijn gekomen. Voor (verdere) bewijslevering leent het kort geding zich niet.

3.4.

ERI zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 77,00

- salaris 816,00

Totaal € 893,00

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

weigert de gevorderde voorziening,

4.2.

veroordeelt ERI in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 893,00,

4.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2014.1

1 type: JoScoll: