Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6155

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-07-2014
Datum publicatie
28-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_3881u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Een functiebeschrijvingssysteem als hier aan de orde en het daarbij behorende functieboek en functiewaarderingen zijn te kwalificeren als een algemeen verbindend voorschrift. Bij algemeen verbindende voorschriften is het aan de materiële wetgever voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen. De rechtbank moet het resultaat daarvan in beginsel respecteren. Dit is slechts anders indien aan de inhoud of wijze van totstandkoming van dat algemeen verbindend voorschrift zodanig ernstig feilen kleeft, dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Dat is hier niet het geval.

Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of de inpassing van eiser in de functie Medewerker handhaving IV onhoudbaar is in die zin dat de door hem uitgevoerde werkzaamheden dermate afwijken van deze functie dat hij in een ander functieprofiel geplaatst had moeten worden, dan wel dat verweerder bij gebrek aan geschikte functieprofielen een lokale functiebeschrijving had moeten opstellen.

Als uitgangspunt voor de inpassing in de nieuwe functie is de functiebeschrijving behorende bij de functie Toezichthouder/BOA gebruikt. Deze functiebeschrijving verschaft een voldoende concreet inzicht in de omvang en de reikwijdte van de aan eiser opgedragen taken om als basis te kunnen dienen voor de inpassing. Hetgeen eiser naar voren heeft gebracht omtrent de wijze waarop hij feitelijk zijn functie uitvoert is van verminderd belang voor de onderhavige procedure, zolang er geen sprake is van elementen die van wezenlijk belang zijn voor de functie maar die niet zijn beschreven in de organieke functiebeschrijving die als uitgangspunt dient voor de inpassing.

Het uitgangspunt bij de inpassing was de horizontale verplaatsing naar een functie die het beste aansluit bij de oude functie. Daarbij kan in bepaalde mate worden geabstraheerd van individuele aspecten. Het is geen vereiste dat het functieprofiel de functie volledig dekt.

Gelet op het bovenstaande is de inpassing in de functie Medewerker Handhaving IV niet onhoudbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13 / 3881

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], te Nederweert, eiser

(gemachtigde: mr. [naam gemachtigde]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, verweerder

(gemachtigde: mr. V.L.S. van Cruijningen).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de functiebeschrijving van eiser als Toezichthouder/BOA geconverteerd naar de (generieke) functie van Medewerker handhaving IV in het nieuw ingevoerde functiebeschrijvings en
–waarderingssysteem HR21.

Bij besluit van 15 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het beroep is ter zitting gevoegd behandeld met de zaken geregistreerd onder de zaaknummers AWB 13 / 3883, AWB 13 / 3884 en AWB 13 / 3885. Na de zitting zijn de gevoegde zaken gesplitst, in die zin dat in elke zaak afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

1.

Op 14 juni 2011 heeft verweerder ingestemd met de keuze van HR21 als nieuw functiebeschrijvings en –waarderingssysteem, ter vervanging van het ODRP-systeem. Op 31 augustus 2011 heeft de ondernemingsraad ingestemd met de keuze voor de invoering van HR21. Na instemming van het georganiseerd overleg op 31 oktober 2011 heeft verweerder op deze datum de “Regels Implementatie HR21” (implementatieregels) en de “Procedureregeling functiebeschrijving en –waardering gemeente Roermond 2012” (procedureregeling) vastgesteld. Op 1 januari 2012 is de procedureregeling in werking getreden. Op 8 januari 2013 heeft verweerder de lokale- en normfunctiebeschrijvingen en
–waarderingen bij algemeen verbindend voorschrift vastgesteld. Na instemming van het georganiseerd overleg op 21 december 2013 heeft verweerder op 12 maart 2013 de conversietabel vastgesteld.

2.

Bij schrijven van 19 maart 2013 heeft verweerder aan eiser, destijds werkzaam in de functie Toezichthouder/BOA, salarisschaal 6, het voornemen kenbaar gemaakt hem in te delen in de generieke HR21 functiebeschrijving Medewerker handhaving IV, met schaal 6 als de functionele schaal. Eiser heeft op 26 april 2013 zijn zienswijze bij dit voornemen ingediend.

3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de functie van eiser met terugwerkende kracht per 1 januari 2012 geconverteerd naar de functie Medewerker handhaving IV, salarisschaal 6. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief van 22 augustus 2013. Op 7 oktober 2013 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat betrekking had op het in de functiebeschrijving vermelde indicatieve werk- en denkniveau en op de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden in het kader van de Drank & Horecawet. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

5.

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en betoogt daartoe – samengevat weergegeven – het volgende.
Eiser is allereerst van mening dat verweerder bij de implementatie van HR21 en de inpassing van zijn functie in dit systeem in strijd met artikel 2, derde lid, en artikel 6, tweede lid, van de procedureregeling heeft gehandeld. Immers, zowel artikel 2, derde lid en artikel 6, tweede lid, van de procedureregeling zijn van toepassing in het geval van een organisatiebrede functiebeschrijvingsronde of indien sprake is van een organisatorische verandering. De invoering van HR21 valt hieronder. Zodoende is er sprake van procedurele fouten en heeft verweerder in strijd met de zorgvuldigheid gehandeld.
Voorts is eiser van mening dat de functiebeschrijving onvoldoende gemotiveerd als functiekenmerk vermeldt: ‘verricht handhavingswerkzaamheden op een afgebakend beleidsterrein’. Daarmee gaat verweerder voorbij aan het feit dat eiser naast het werk binnen het beleidsterrein veiligheid ook taken moet uitvoeren binnen andere beleidsterreinen zoals verkeer, milieu, openbare orde, welzijn (jeugd) en infrastructuur. Niet alles dat een Toezichthouder/BOA doet houdt verband met veiligheid. Indien ‘Veiligheid’ volgens de in de Leeswijzer functiebeschrijven HR21 (leeswijzer) gebruikte terminologie als het breed terrein zou moeten worden beschouwd en ‘Handhaving’ als het afgebakende terrein gaat verweerder eraan voorbij dat eiser binnen het terrein Veiligheid ook taken moet uitvoeren op het gebied van opsporing en toezicht. Daarbij is de functiebeschrijving onvolledig nu daar niet in wordt vermeld dat eiser rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid en aansturing van de officier van justitie valt als hij bezig is met opsporingswerkzaamheden. Ook wordt in de functiebeschrijving geen rekening gehouden met de taken van eiser als centralist, praktijkopleider, verkeersregelaar en voorlichter. Het werkveld omvat meerdere op zichzelf staande onderdelen en is daardoor minder duidelijk begrensd. Ook in zoverre is er sprake van een ‘breed terrein’.
Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat de functiebeschrijving ten onrechte als functiekenmerk vermeldt dat er sprake is van een ‘zeer beperkte interpretatieruimte in de toetsing en de beoordeling’. In de dagelijkse praktijk is niet altijd voldoende duidelijk of er sprake is van een situatie die wettelijk wel of niet mag, waardoor het aankomt op de interpretatie en analyse van eiser. Dit is onder meer het geval indien eiser pas ter plaatse is nadat het gemelde feit reeds heeft plaatsgevonden.

6.

De rechtbank overweegt als volgt.

7.

De systematiek van HR21 gaat uit van het generiek beschrijven van functies. In deze generieke beschrijving van functies zijn niet zozeer de feitelijke werkzaamheden of specifieke taken en producten genoemd, maar ligt de nadruk op de aard van de functie en de complexiteit en soort taken die bij de functie horen. Dit betekent concreet dat er altijd wel onderdelen zullen zijn die niet, deels of anders in de HR21 functiebeschrijving zijn terug te vinden, of zelfs te vinden zijn bij een andere HR21 functiebeschrijving, maar dat betekent, op zichzelf, nog niet dat de conversie onjuist is. Verweerder heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat met de implementatie van HR21 en de daaraan gekoppelde functieconversie een horizontale overplaatsing is beoogd, met behoud van rechtspositie.

8.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (Raad) komt verweerder bij de vergelijking van de inhoud van de opgedragen functie met de beschrijvingen van de functiegroepen en de daarin opgenomen functies beoordelingsruimte toe. Zodoende dient de rechterlijke toetsing terughoudend te zijn. Die toetsing is, naast de overigens in aanmerking komende toetsing aan regels van geschreven en ongeschreven recht, beperkt tot de vraag of de inpassing op voldoende gronden berust. Dit betekent dat pas tot vernietiging van het bestreden besluit kan worden overgegaan als deze inpassing als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend de enkele omstandigheid dat inpassing in een ander (hoger gewaardeerd) functieprofiel op zichzelf denkbaar en verdedigbaar is. Een vergelijking van de opgedragen functie met de functiebeschrijvingen binnen het generieke functiebeschrijvings en -waarderingssysteem dient wel te berusten op een voldoende feitelijke en verifieerbare grondslag. Er moet een voldoende concreet inzicht zijn geboden in de omvang en reikwijdte van de aan eiser opgedragen taken om op basis daarvan te kunnen kiezen voor indeling in een functiegroep en meer in het bijzonder in een functieprofiel. Daarbij komt dat bij de implementatie van een nieuw functiebeschrijvings en
-waarderingssysteem, zoals in de onderhavige zaak het geval is, in het algemeen aan het uitgangspunt van horizontale overplaatsing wel betekenis mag worden toegekend, maar dat dit niet met zich brengt dat met dat uitgangspunt ook koppelingen van functies kunnen worden gerechtvaardigd die inhoudelijk, bij vergelijking van de niveaubepalende elementen uit beide functies, evident niet de meest passende zijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Raad van 4 januari 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6768) en 8 oktober 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK0628) en 2 augustus 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012: BX3543).

9.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat het betoog van eiser, inhoudende dat verweerder ten onrechte niet de in de procedureregeling neergelegde procedure heeft gevolgd, niet slaagt. Hoewel eiser terecht stelt dat uit de procedureregeling zelf niet kan worden opgemaakt dat deze enkel ziet op procedures ná de implementatie van HR21 en deze regeling ook reeds in werking was getreden ten tijde van de conversie van de functie van eiser, blijkt uit de totstandkoming van deze regeling voldoende duidelijk dat deze niet ziet op de implementatie van HR21, maar op zogenaamd ‘regulier gebruik’ van het functiebeschrijvings en -waarderingssysteem. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit reeds worden opgemaakt uit het feit dat gelijktijdig met de vaststelling van de procedureregeling de implementatieregels zijn vastgesteld, waarin duidelijk en met waarborgen omgeven het implementatietraject van HR21 uiteen wordt gezet. Uit andere omstandigheden blijkt eveneens dat de procedureregeling niet ziet op het implementatietraject van HR21. Zo wordt in het voorstel tot vaststelling van de procedureregeling de zinsnede gebezigd: “Het bijgevoegde concept “Procedureregeling functiebeschrijving en –waardering gemeente Roermond” ziet op de procedures vanaf 1 januari 2012 (regulier gebruik)”. Ter zitting heeft eiser desgevraagd gesteld dat hij in zijn belangen is geschaad doordat artikel 2, derde lid, van de procedureregeling verder gaat dan de implementatieregels, in zoverre dat daarin is opgenomen dat de ondernemingsraad in de gelegenheid wordt gesteld advies uit te brengen ten aanzien van de voorgenomen vaststelling van de functiebeschrijvingen. Eiser merkt dit terecht op nu volgens de implementatieregels ‘slechts’ nodig is dat het resultaat van de functieconversie ter informatie wordt besproken met de ondernemingsraad. De rechtbank ziet in deze omstandigheid echter geen reden voor het oordeel dat eiser in zijn belangen zou zijn geschaad. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder heeft aangegeven dat twee leden van de ondernemingsraad zijn opgenomen in de projectgroep HR21 en dat zij vanuit deze rol onder meer betrokken zijn geweest bij de inpassing van de functies van de medewerkers in de nieuwe systematiek. Bovendien heeft de ondernemingsraad kennelijk berust in de vaststelling van de functiebeschrijvingen zonder eerst een advies uit te brengen.

10.

De rechtbank constateert voorts dat eiser ter zitting heeft gesproken over de verantwoordelijkheden, keuzemogelijkheden en afbreukrisico’s waarmee een
Toezichthouder/BOA in de dagelijkse uitvoering van zijn werkzaamheden wordt geconfronteerd en over het algehele niveau en de zwaarte van deze functie. Daarnaast is er gesproken over de onnauwkeurigheid van het HR21 functiebeschrijvings en
–waarderingssysteem en het feit dat voor sommige functies taken worden uitgeoefend die niet binnen dit systeem ‘passen’. Voor zover eiser hiermee heeft beoogd het bij de functiebeschrijving Medewerker handhaving IV bijgesloten waarderingsrapport en het systeem HR21 als zodanig aan te vechten, verwijst de rechtbank (wellicht ten overvloede) naar de vaste jurisprudentie van de Raad dat een functiebeschrijvingssysteem als hier aan de orde en het daarbij behorende functieboek en functiewaarderingen, te kwalificeren zijn als een algemeen verbindend voorschrift. In het kader van bezwaar en beroep tegen de inpassing in een bepaalde functie kan ook de waardering van die functie en het functiebeschrijvingssysteem als zodanig aan de orde worden gesteld. Dit betreft dan de houdbaarheid van een onderdeel van een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Het is bij het tot stand brengen van algemeen verbindende voorschriften in beginsel aan de materiële wetgever voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen. De rechtbank moet het resultaat daarvan in beginsel respecteren. Dit uitgangspunt lijdt slechts uitzondering als aan de inhoud of wijze van totstandkoming van dat algemeen verbindend voorschrift zodanig ernstig feilen kleeft, dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Met inachtneming van deze, zeer terughoudende, toetsingsmaatstaf ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de manier van functiebeschrijven en -waarderen zoals deze wordt gebezigd onder HR21, dan wel de waardering van de generieke functie Medewerker handhaving IV, onhoudbaar moet worden geacht. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van 13 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY6084).

11.

Gelet op het bovenstaande spitst het geschil zich toe op de vraag of de inpassing van eiser in de functie Medewerker handhaving IV onhoudbaar is in die zin dat de door hem uitgevoerde werkzaamheden dermate afwijken van deze functie dat hij in een ander (wellicht hoger) functieprofiel geplaatst had moeten worden, dan wel dat verweerder bij gebrek aan geschikte functieprofielen binnen het functieboek van HR21 voor eiser een lokale functiebeschrijving had moeten opstellen.

12.

De rechtbank stelt vast dat door verweerder als uitgangspunt voor de inpassing in de nieuwe functie in het kader van de implementatie van HR21 de functiebeschrijving behorende bij de functie Toezichthouder/BOA is gebruikt, zoals die gold in maart 2012. Door eiser is niet betwist dat deze functiebeschrijving een accurate weergave geeft (op hoofdlijnen) van de aan hem opgedragen werkzaamheden. Naar het oordeel van de rechtbank verschaft deze functiebeschrijving dan ook een voldoende concreet inzicht in de omvang en de reikwijdte van de aan eiser opgedragen taken om als basis te kunnen dienen voor de inpassing. Hierbij merkt de rechtbank op dat hetgeen eiser naar voren heeft gebracht omtrent de wijze waarop hij feitelijk zijn functie uitvoert van verminderd belang is voor de onderhavige procedure, zolang er geen sprake is van elementen die van wezenlijk belang zijn voor de functie maar die niet zijn beschreven in de organieke functiebeschrijving die als uitgangspunt dient voor de inpassing. Immers, in dat geval zou niet zijn voldaan aan het vereiste dat de inpassing berust op een voldoende feitelijke en verifieerbare grondslag. Daar is, zoals overwogen, echter niet van gebleken. Ten overvloede constateert de rechtbank dat in de functiebeschrijving Toezichthouder/BOA de uitkomst van de tot aan de Raad gevoerde procedure over de beschrijving van deze functie, inhoudende dat in de beschrijving zou worden opgenomen dat hij fungeert als praktijkopleider, is verwerkt.

13.

De rechtbank constateert voorts dat de functie Medewerker handhaving IV volgens de functiebeschrijving valt onder de functiereeks Beleid en daarbinnen onder de functiegroep Handhaving. Als overwegende functiekenmerken worden genoemd:

 verricht handhavingswerkzaamheden op een afgebakend beleidsterrein

 kent een zeer beperkte interpretatieruimte in de toetsing en de beoordeling.

14.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het standpunt van verweerder, dat de handhavingswerkzaamheden die eiser verricht betrekking hebben op een afgebakend beleidsterrein, niet onhoudbaar worden geacht. De leeswijzer definieert een afgebakend terrein als een “(in meer of mindere mate) op zichzelf staand onderdeel van het brede terrein”. Verweerder stelt in dit verband dat eiser functioneert binnen de veiligheidsketen (het brede terrein) en dat hij daarbinnen een afgebakende taak vervult als handhaver. De rechtbank kan dit standpunt niet voor onhoudbaar houden nu de werkzaamheden van eiser reeds worden afgebakend door zijn functie als bijzonder opsporingsambtenaar. Eiser is geen algemeen opsporingsambtenaar en heeft enkel de bevoegdheden, opgesomd onder Domein 1 (Openbare Ruimte) in de Domeinlijst bij de circulaire BOA. Als toezichthouder worden eisers bevoegdheden afgebakend door de algemene plaatselijke verordening waarin hij is aangewezen. De enkele omstandigheid dat eiser taken uitvoert op meerdere gebieden, zoals de gebieden verkeer, milieu, openbare orde, welzijn en infrastructuur maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij zijn werkzaamheden niet op een afgebakend terrein verricht. Immers, zijn bevoegdheden worden op deze verschillende terreinen telkens weer begrensd door de hierboven genoemde regelgeving. Ook is de rechtbank van oordeel dat de hierboven genoemde gebieden hoofdzakelijk vallen te passen binnen het ‘brede terrein’ van de veiligheidsketen. Hierbij merkt de rechtbank op dat zelfs wanneer enkele van deze gebieden buiten de veiligheidsketen zouden vallen verweerder daar bij de inpassing geen doorslaggevende betekenis aan hoefde toe te kennen. Het uitgangspunt was, zoals gebleken onder overweging 7, de horizontale verplaatsing naar een functie die het beste aansluit bij de oude functie. Daarbij kan in bepaalde mate worden geabstraheerd van individuele aspecten. Het is met andere woorden geen vereiste dat het functieprofiel de functie volledig dekt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van 2 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013: BZ9471).

15.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het standpunt van verweerder dat de werkzaamheden van eiser worden gekenmerkt door een zeer beperkte interpretatieruimte in de toetsing en de beoordeling, niet onhoudbaar is. Ook hier acht de rechtbank van belang dat de mogelijkheden en bevoegdheden die eiser heeft in de uitvoering van zijn werkzaamheden worden beperkt door de wet- en regelgeving op grond waarvan aan eiser deze bevoegdheden zijn verleend. Verweerder heeft kunnen stellen dat de interpretatieruimte die eiser heeft bij het uitoefenen van zijn handhavingswerkzaamheden in hoofdlijnen neerkomt op de keuze tussen wel en niet handhaven. Het betoog van eiser dat niet altijd duidelijk is of er sprake is van een situatie die wel of niet is toegestaan en dat het zodoende aankomt op de interpretatie en analyse van eiser, doet hier niet aan af. Ter zitting heeft eiser dit betoog geïllustreerd aan de hand van het voorbeeld dat hij als hij op straat loopt wordt geconfronteerd met allerlei situaties waarbij hij een keuze moet maken in welk geval hij moet handhaven. Hierbij moet hij zich continue afvragen of hij in dit verband bevoegd is en of hij wel of niet moet ingrijpen. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit echter niet met zich dat eiser bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op zich interpretatieruimte heeft. Zodra eiser immers geconfronteerd wordt met een situatie waarin hij in beginsel handhavend moet optreden, is de interpretatieruimte en –vrijheid zeer beperkt.

16.

Ten slotte kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn betoog dat de inpassing in de functie Medewerker handhaving IV onhoudbaar is omdat in de toepasselijke functiebeschrijving niet wordt vermeld dat sommige van zijn werkzaamheden onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie vallen en dat er geen rekening zou zijn gehouden met zijn taken als centralist, praktijkopleider, verkeersregelaar en voorlichter. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

17.

De rechtbank constateert dat de functiebeschrijving Toezichthouder/BOA als (hoofd)taken vermeldt: het houden van toezicht, het opsporen van strafbare feiten/overtredingen, het fungeren als centralist en het uitvoeren van overige werkzaamheden, waaronder het fungeren als praktijkopleider, het geven van voorlichting aan derden en het optreden als verkeersregelaar.

18.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de taken van eiser als toezichthouder en bijzonder opsporingsambtenaar in de functiebeschrijving Medewerker handhaving IV terugkomen onder “Resultaatgebied 1: Toezicht en handhaving”. De omstandigheid dat in dit verband niet is opgenomen dat eiser voor een deel van zijn werkzaamheden onder de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie valt, maakt gelet op het toepasselijke toetsingskader niet dat de functiebeschrijving onvolledig of onhoudbaar is. Het is mogelijk dat er elementen van de taakoefening ontbreken, terwijl die wel in de voorgaande organieke functiebescherming zijn beschreven. Bovendien acht de rechtbank voor de vraag welke werkzaamheden eiser uitvoert en of deze voldoende worden beschreven van ondergeschikt belang onder wiens verantwoordelijkheid deze werkzaamheden worden uitgevoerd.

19.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de taak van eiser als centralist voldoende terugkomt in de functiebeschrijving Medewerker handhaving IV. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat deze taak terugkomt in de functiebeschrijving onder “Resultaatgebied 2: Informatie en administratie”. De rechtbank acht dit standpunt niet onhoudbaar en constateert dat de toelichting bij resultaatgebied 2, en dan met name de zinsneden “verstrekt informatie en aanwijzingen aan publiek en belanghebbenden” en “rapporteert over de bevindingen en verzorgt de administratief procedurele afhandeling van handhavingszaken”, op hoofdlijnen overeenkomt met de activiteiten die in het kader van de taak centralist genoemd worden in de functiebeschrijving Toezichthouder/BOA. In beide toelichtingen wordt gesproken over de administratieve afhandeling van (handhavings)zaken en de werkzaamheden van eiser bij het bedienen van de centraalpost, waaronder het opvolgen van meldingen en het optreden als ‘host’ namens de afdeling/gemeente, komen in hoofdlijnen (voldoende) overeen met het verstrekken van informatie en aanwijzingen aan publiek en belanghebbenden.

20.

Ten slotte leidt de omstandigheid dat eisers ‘overige werkzaamheden’ als praktijkopleider, verkeersregelaar en voorlichter niet met naam en toenaam in de functiebeschrijving Medewerker handhaving IV genoemd worden eveneens niet tot het oordeel dat deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Voor zover al geoordeeld zou moeten worden dat deze werkzaamheden niet in hoofdlijnen overeenkomen met de onder resultaatgebied 2 genoemde taak: “geeft voorlichting, verstrekt informatie en aanwijzingen aan publiek en belanghebbenden”, behoren deze niet tot de hoofdelementen van eisers taakuitoefening. Dit kan reeds worden afgeleid uit de omstandigheid dat ze in de functiebeschrijving Toezichthouder/BOA onder de taak ‘overige werkzaamheden’ worden genoemd. Dit geldt temeer nu in de (door eiser geambieerde) hogere functie van Medewerker handhaving III deze taken evenmin genoemd worden. Het verschil tussen deze werkzaamheden en de wel beschreven taken is in ieder geval niet dusdanig dat de rechtbank aanleiding ziet voor het oordeel dat verweerder een lokale functiebeschrijving had moeten opstellen voor eiser (en zijn collega’s). Zoals reeds overwogen kan volgens vaste jurisprudentie bij de inpassing van een functie in een systeem van generieke functiebeschrijving en –waardering, zoals hier aan de orde, in bepaalde mate worden geabstraheerd van individuele elementen en is het geen vereiste dat het functieprofiel de uitgevoerde werkzaamheden volledig dekt. De rechtbank verwijst in dit verband wederom naar de uitspraak van de Raad van 2 mei 2013.

21.

Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep van eiser ongegrond.

22.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.V.L. Heuts, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Diem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2014.

w.g. A.J.M. van Diem,

griffier

w.g. Heuts,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 juli 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.