Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6089

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
C/03/192556 / KG ZA 14-333
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij eerder kort geding vonnis is thans eiser verboden in strijd met het concurrentiebeding een arbeidsovereenkomst te sluiten met een in dit beding bedoelde onderneming, een en ander op straffe van het verbeuren van dwangsommen. Thans gedaagde heeft gesteld dat thans eiser in strijd met dat vonnis heeft gehandeld en eist betaling van verbeurde dwangsommen.

Thans eiser vordert nu thans gedaagde te veroordelen, onder het bepalen van een dwangsom, de executie van dit eerdere vonnis te staken, subsidiair de door thans eiser verbeurde dwangsommen te matigen tot nihil.

De beoordeling van het handelen van thans eiser leidt er toe dat thans eiser aldus niet heeft gehandeld in strijd met gemeld eerdere vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0723
AR 2014/598

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/192556 / KG ZA 14-333

Vonnis in kort geding van 10 juli 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaten mr. P.R.H. Demacker en mr. A.E. Thijssen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

F&F EUROPE B.V.,

gevestigd te Kerkrade,

gedaagde,

namens wie zijn verschenen [naam algemeen directeur] (algemeen directeur) en

drs. [naam HR manager] (HR manager).

Partijen zullen hierna [eiseres] en F&F worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de (fax)brief zijdens F&F van 2 juli 2014

  • -

    de mondelinge behandeling ter terechtzitting van 3 juli 2014

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van F&F.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

F&F is een bedrijf dat verse champignons verwerkt en bewerkt om deze vervolgens in te vriezen en te verpakken.

2.2.

[eiseres] was vanaf 1 mei 2003 in dienst van F&F in de functie van Accountmanager. In de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en F&F is een

concurrentiebeding opgenomen dat als volgt luidt:

“Werknemer zal gedurende een periode van 1 jaar na het eindigen van de dienstbetrekking zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever geen activiteiten ondernemen binnen de landen waarnaar of waarin de werkgever en/of met de werkgever gelieerde ondernemingen tijdens de dienstbetrekking producten verhandelen en/of fabriceren en/of diensten verlenen, op welke wijze en in welke vorm dan ook, hetzij op eigen naam, hetzij door middel van en/of in samenwerking met, dan wel in dienstbetrekking bij andere natuurlijke of rechtspersonen, welke gelijk of gelijksoortig zijn aan de activiteiten van de werkgever of met de werkgever gelieerde ondernemingen. Hieronder is begrepen het al of niet op eigen naam, verwerven of bezitten van aandelen in gelijke of gelijksoortige ondernemingen als de werkgever of met de werkgever gelieerde ondernemingen, anders dan in ter beurze officieel genoteerde fondsen.”

2.3.

[eiseres] heeft met ingang van 1 september 2013 de arbeidsovereenkomst met F&F opgezegd.

2.4.

Tussen [eiseres] en F&F zijn twee eerdere kortgedingprocedures gevoerd betreffende het voornoemde concurrentiebeding, die hebben geresulteerd in een vonnis van kantonrechter van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Heerlen, respectievelijk van

23 augustus 2013 (zaaknummer: 2261593 CV EXPL 13-6823) en van 13 november 2013 (zaaknummer: 2422877 CV EXPL 13-8769).

2.4.1.

Bij vonnis van 23 augustus 2013 heeft de kantonrechter (voor zover thans van belang) het volgende beslist:

“(...) Gebiedt [eiseres] om het met F&F overeengekomen concurrentiebeding na te leven en

verbiedt [eiseres] om een arbeidsovereenkomst met Lutece B.V. of een onderneming gelijk, gelijksoortig dan wel aanverwant aan F&F aan te gaan en/of deze gestand te doen, dit totdat het tijdvak zoals opgenomen in het concurrentiebeding is verstreken of totdat F&F [eiseres] geheel of gedeeltelijk heeft ontheven van het concurrentiebeding, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 ineens en aangevuld met een dwangsom van € 1.500,00 per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt. (...)

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. (...)”

2.5.

Bij brief van 11 september 2013 heeft Lutèce (voor zover thans van belang) het volgende aan [eiseres] laten weten:

“(...) Naar aanleiding van de uitspraak van de kantonrechter betreffende het kort geding d.d. 23 augustus 2013 delen wij u mede dat, de arbeidsovereenkomst d.d. 29 juli 2013, niet geëffectueerd kan worden. (...)”

2.6.

Bij brief van 25 november 2013 heeft Lutèce (voor zover thans van belang) het volgende aan [eiseres] laten weten:

“(...) Omdat jij nog geen ander werk hebt gevonden en ook niet kunt terugvallen op een uitkering, voelen wij ons verplicht jou financieel tegemoet te komen. Wij voelen ons namelijk mede verantwoordelijk voor de situatie, omdat deze mede is ontstaan doordat jij het advies hebt opgevolgd van een deskundige die wij hebben ingeschakeld. Op grond van dat advies heb jij je dienstverband met F&F immers opgezegd en meende jij de overstap eerst naar Lutèce en daarna CNC Grondstoffen te kunnen maken. Wij vinden dit heel vervelend. Om het acuut wegvallen van jouw inkomen te compenseren, zijn wij bereid jou maandelijks een bedrag van

€ 3.899,00 (dit is een bruto bedrag, omdat fiscaal gezien waarschijnlijk sprake is van loon) uit te betalen. Jij mag hiervoor geen werkzaamheden verrichten en de betaling stopt direct op het moment dat jij alsnog een baan hebt gevonden. Wij gaan er vanuit dat jij er ook alles aan doet om een baan te vinden.

Niettemin willen we jou vanaf 1 september 2014 alsnog een arbeidsovereenkomst aanbieden bij Lutèce. Jij bent dan niet meer gebonden aan het met F&F overeengekomen concurrentiebeding. (...)”

2.7.

Op 10 april 2014 heeft F&F het vonnis van 23 augustus 2013 aan [eiseres] laten betekenen.

2.8.

Op 9 mei 2014 heeft [eiseres] een bevel tot betaling van de deurwaarder ontvangen, waarin staat dat [eiseres] tot 9 mei 2014 een bedrag van € 92.108,65 (+ PM) aan dwangsommen en kosten had verbeurd.

2.9.

Op 16 mei 2014 zijn partijen een ‘wapenstilstand’ overeengekomen gedurende welke periode geen (executie)maatregelen zouden worden getroffen en partijen een poging zouden doen om de zaak minnelijk op te lossen.

2.10.

Op 2 juni 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen partijen en hun gemachtigden.

2.11.

Op 5 juni 2014 ontving de (toenmalige) advocaat van [eiseres], mr. E.H.J. van

Gerven, een e-mail van de gemachtigde van F&F, drs. [naam HR manager], waarin (onder meer) het volgende stond:

“(...) Naar aanleiding van ons gesprek maandag j.l. het volgende

De intentie van het gesprek tussen cliënten was om uw cliënte de kans te geven om F&F te overtuigen, dat in weerwil van de UWV informatie, zij niet werkzaam is geweest voor een bedrijf zoals bedoeld in het concurrentiebeding en/of het vonnis.

Naar aanleiding van het gesprek is het wantrouwen bij F&F enkel groter geworden en ook het aanbieden van een schikkingsbedrag maakt het dat F&F weinig vertrouwen heeft in de verklaringen van uw cliënte.

F&F zal dan ook de deurwaarder opdracht geven zijn executiemaatregelen te hervatten.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

primair en subsidiair

(1) F&F op de primaire grond (dat [eiseres] niet in strijd handelt met het vonnis en/of het concurrentiebeding) althans op de subsidiaire grond (misbruik van executiebevoegdheid door F&F) te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis de executie van het vonnis van de kantonrechter van 23 augustus 2013 (en 13 november 2013) te staken en gestaakt te houden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.500,00 per dag dat F&F daarmee in gebreke blijft,

meer subsidiair

(2) het bedrag van door [eiseres] verbeurde dwangsommen te matigen tot nihil, althans tot

een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen geldbedrag,

primair, subsidiair en meer subsidiair

(3) F&F te veroordelen in de kosten van dit geding, het salaris van gemachtigde daaronder begrepen, alsmede eventiele nakosten,

(4) F&F te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten op basis van het rapport Voorwerk II.

3.2.

F&F voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beslissingsmaatstaf die de “executierechter” ex artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hanteert de volgende is. Het gaat binnen dit kader om de vraag of de veroordeelde (i.c. [eiseres]) dwangsommen heeft verbeurd en, zo ja, of de crediteur (i.c. F&F) misbruik maakt van haar executiebevoegdheid de verbeurde dwangsommen te innen. Bij de beoordeling van de eerste vraag (te weten: heeft [eiseres] dwangsommen verbeurd?) moet de executierechter onderzoeken of de door de dwangsomrechter verlangde prestatie waaraan de dwangsom is verbonden (i.e. de hoofdveroordeling) is verricht. De executierechter heeft niet tot taak de door de dwangsomrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. Hij dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling (zoals die door uitleg moet worden vastgesteld). Daarbij moeten doel en strekking van de veroordeling tot richtsnoer worden genomen, aldus dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (vgl. HR 15 november 2002, NJ 2004/410 en HR 19 januari 2007, NJ 2007/59).

4.3.

De voorzieningenrechter stelt (onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.1 is geciteerd) vast dat het dictum van het vonnis van 23 augustus 2013 zowel een gebod als een verbod bevat. Onder verwijzing naar het voornoemde arrest van de Hoge Raad van

19 januari 2007, waarin (hoewel in een andere context) is geoordeeld dat wil er sprake zijn van een overtreding van een gebod en/of verbod, er aan de door de Hoge Raad gehanteerde maatstaf dient te zijn voldaan, te weten dat evident dient te zijn (“in ernst niet kan worden betwijfeld”) dat niet aan het gebod en/of verbod is voldaan. De voorzieningenrechter stelt voorop dat deze maatstaf ook in de onderhavige zaak zal worden gehanteerd bij de vraag of [eiseres] al dan niet het haar opgelegde gebod dan wel verbod heeft overtreden.

4.4.

Hoewel [eiseres] de schijn tegen heeft, hetgeen zijdens haar ter zitting is erkend, nu (i) de grondslag van de vergoedingen van Lutèce aan [eiseres] vanuit fiscaal oogpunt en door de UWV zijn gekwalificeerd als ‘arbeidsovereenkomst’ en (ii) deze vergoedingen hoger liggen dan het laatstelijk door [eiseres] bij F&F genoten loon, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet evident dat reeds hierom het opgelegde verbod is geschonden in de zin dat [eiseres] een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW met Lutèce, CNC Grondstoffen B.V., C4C Holding B.V. en/of een daaraan gelieerde onderneming is aangegaan. Artikel 7:610 BW definieert een arbeidsovereenkomst als een overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. In dat artikel wordt een drietal (dwingendrechtelijke) elementen gegeven, waaraan moet zijn voldaan wil er sprake zijn van een (arbeidsrechtelijke) arbeidsovereenkomst, te weten (kort gezegd) arbeid, loon en gezag. De door [eiseres] overgelegde brieven (zie sub 2.5. en 2.6.), mede bezien in het licht van de zijdens haar ter terechtzitting gegeven nadere toelichting - hierbij is uitdrukkelijk verklaard dat (i) [eiseres] geen arbeidsovereenkomst in arbeidsrechtelijke zin heeft (gehad) met en geen arbeid (heeft) verricht voor Lutèce, CNC Grondstoffen B.V., C4C Holding B.V. en/of een daaraan gelieerde onderneming, (ii) de door Lutèce aan [eiseres] betaalde vergoeding geen loon betreft, maar een maandelijkse uitkering die voortvloeit uit de morele verplichting die Lutèce voelt om [eiseres] enigszins te compenseren voor de ontstane situatie, (iii) er geen gezagsverhouding bestaat tussen [eiseres] enerzijds en Lutèce, CNC Grondstoffen B.V., C4C Holding B.V. en/of een daaraan gelieerde onderneming anderzijds - sluiten immers niet de door [eiseres] gestelde fiscale constructie voortvloeiend uit een natuurlijke verbintenis van Lutèce jegens haar uit. De door F&F aangevoerde stelling dat uit de bewoordingen van de uitdraai van het UWV (te weten: ‘arbeidsovereenkomst’ en ‘loon’) zou blijken dat [eiseres] een arbeidsrechtelijke arbeidsovereenkomst is aangegaan met CNC Grondstoffen B.V. geeft in deze context blijkt van een té beperkte uitleg van de doel en de strekking van het door de kantonrechter bij vonnis opgelegde gebod en/of verbod. Anders dan F&F voorstaat, kan uit de brief van 25 november 2013 (zie sub 2.6.) niet worden afgeleid dat er tussen Lutèce/CNC Grondstoffen B.V. en [eiseres] een aanbod en aanvaarding ex artikel 6:217 BW over de voorwaarden van de arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden, waarbij [eiseres] tot 1 september 2014 wordt vrijgesteld van werkzaamheden en CNC Grondstoffen B.V. haar maandelijks loon betaalt. Hieraan doet niet af de intentie van [eiseres] en Lutèce om per 1 september 2014 wél een arbeidsrechtelijke arbeidsovereenkomst aan te willen gaan. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan hetgeen F&F overigens naar voren heeft gebracht, nu dat ofwel voortborduurt op de door haar onjuiste (want te beperkte) uitleg van de bewoordingen ‘arbeidsovereenkomst’ en ‘loon’ ofwel speculatief is.

4.5.

Gelet op het vooroverwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet evident is gebleken dat [eiseres] in strijd met het in het vonnis van 23 augustus 2013 en/of in het concurrentiebeding neergelegde gebod en/of verbod heeft gehandeld. Het door [eiseres] primair gevorderde zal dan ook worden toegewezen. Het overige behoeft geen beoordeling. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de door [eiseres] gevorderde dwangsom te maximeren zoals onder 5.1. is vermeld.

4.6.

De hoogte van het door [eiseres] gevorderde bedrag met betrekking tot de buitengerechtelijk kosten is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en worden geacht redelijk te zijn. Dit deel van de vordering is daarom toewijsbaar.

4.7.

F&F zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 102,27 (kosten exploot), € 282,00 (griffierecht) en € 816,00 (salaris advocaat). De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals onder 5.3. is vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt F&F op de primaire grond (dat [eiseres] niet in strijd handelt met het vonnis en/of het concurrentiebeding) om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de executie van het vonnis van de kantonrechter van 23 augustus 2013 (en 13 november 2013) te staken en gestaakt te houden, en bepaalt dat er geen dwangsommen zijn verbeurd, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,00 per dag met een totaalmaximum van € 90.000,00 dat F&F daarmee in gebreke blijft,

5.2.

veroordeelt F&F in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.200,27,

5.3.

veroordeelt F&F in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 199,00 aan salaris advocaat,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.W. Huinen en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2014.1

1 type: JC