Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:6022

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-06-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
3171825 CV EXPL 14-7060
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding ex artikel 254 Rv, aanhangig gemaakt door de Bijzondere Ondernemingsraad (BOR). De BOR vordert schorsing van het besluit van de ondernemer waarbij het aantal zetels van de Ondernemingsraad op elf leden is bepaald (‘eerste onderdeel besluit’). Tevens vordert de BOR schorsing van het besluit van de ondernemer waarbij is bepaald dat het OR Zorgbedrijf Volwassenen vier vertegenwoordigers zal hebben binnen de Centrale Ondernemingsraad (‘tweede onderdeel besluit’). Advies- en bemiddelingspoging van Bedrijfscommissie Markt II heeft geen resultaat opgeleverd. Alhoewel de verkeerde procedure (dagvaardingsprocedure en geen verzoekschriftprocedure ex artikel 36 WOR) aanhangig is gemaakt, wordt er (na nog een ander ontvankelijkheidsverweer te hebben gepasseerd) door de kantonrechter toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling. Omdat er één dag na de mondelinge behandeling van dit kort geding OR-verkiezingen gepland staan, is het spoedeisend belang gegeven. Het eerste onderdeel van het besluit wordt geschorst, nu dit in strijd is met de (strekking van de) WOR en (de strekking van) het convenant dat door de voorzitters van de vijf afzonderlijke ondernemingsraden enerzijds en de directie van het zorgbedrijf anderzijds is ondertekend. Het tweede onderdeel van het besluit wordt eveneens geschorst. Hiervoor is van doorslaggevend belang dat de zetels binnen de COR (de Centrale Ondernemingsraad) evenwichtig verdeeld dienen te zijn en een representatieve afspiegeling van de organisatie moeten zijn. De door de ondernemer voorgestane zetelverdeling binnen de COR voldoet daaraan niet. De omstandigheid dat dit vonnis in kort geding zowel juridische als praktische complicaties met zich brengt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Er wordt in het dictum van het vonnis rekening gehouden met het feit dat de BOR een verkeerde procedure aanhangig heeft gemaaakt: de in het dictum uitgesproken schorsingen van de onderdelen van het besluit van de ondernemer (en het verbod aan de ondernemer om uitvoeringshandelingen van het besluit te verrichten) gelden totdat de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, alsnog op een ex artikel 36 WOR ingediend verzoekschrift heeft beslist.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 6
Wet op de ondernemingsraden 25
Wet op de ondernemingsraden 36
Wet op de ondernemingsraden 48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/645
ROR 2014/22
JAR 2014/203 met annotatie van mr. C. Nekeman
AR-Updates.nl 2014-0623
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 3171825 CV EXPL 14-7060

MD

Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 30 juni 2014

in de zaak van:

DE BIJZONDERE ONDERNEMINGSRAAD ZORGBEDRIJF VOLWASSENEN VAN STICHTING MONDRIAAN,

gevestigd te Heerlen,

eisende partij,

gemachtigde mr. S.A.J. van Riel,

tegen:

de stichting

STICHTING MONDRIAAN,

gevestigd te Heerlen,

gedaagde partij,

gemachtigde dr. mr. S.F.H. Jellinghaus.

Partijen zullen hierna de BOR en de ondernemer genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding met producties 1 tot en met 14;

- de aanvullende producties 15 en 16 zijdens de BOR;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 30 juni 2014;

- de pleitnota van de ondernemer.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. Het dictum van dit vonnis is op 30 juni 2014 na 16.00 uur telefonisch door de griffier aan de gemachtigden van beide partijen meegedeeld. De motivering van het vonnis is nadien op schrift gesteld.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, het volgende vast.

2.2.

Tot januari 2013 bestond de ondernemer uit acht divisies. Per januari 2013 zijn deze acht divisies overgegaan in een viertal zorgbedrijven, te weten Zorgbedrijf Volwassenen (voorheen divisies Mondriaan CFPZ, Mondriaan IZM, Mondriaan IZP, Mondriaan PSYQ en Mondriaan VZ), Zorgbedrijf Kinderen en Jeugdigen, Zorgbedrijf Ouderen en Zorgbedrijf Services. De vijf divisies die vanaf januari 2013 onder het Zorgbedrijf Volwassenen vallen, hadden ieder een eigen ondernemingsraad. Ook na januari 2013 hebben de vijf divisies ieder hun eigen ondernemingsraad behouden.

2.3.

Op 29 januari 2013 hebben de directie van het Zorgbedrijf Volwassenen enerzijds en de voorzitters van de vijf afzonderlijke ondernemingsraden van voornoemde divisies anderzijds, een “Convenant Bijzondere ondernemingsraad Zorgbedrijf Volwassenen Mondriaan” (hierna: convenant) ondertekend. In dit convenant zijn afspraken vastgelegd betreffende de oprichting, het mandaat en de werkwijze van de BOR.

Die inhoud van het convenant is, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

Mandaat van de BOR en bevoegdheden ondernemingsraden en COR
Uitgaande van het beginsel dat de medezeggenschap de zeggenschap volgt, heeft de BOR het mandaat om namens de ondernemingsraden het overleg te voeren over alle aangelegenheden die het Zorgbedrijf Volwassenen betreffen. De ondernemingsraden dragen met betrekking tot deze aangelegenheden al hun rechten en bevoegdheden over aan de BOR. Het formele overleg wordt gevoerd door de directie van het Zorgbedrijf Volwassenen en de BOR.

(…)

Hoewel de samenstelling van de COR niet verandert, gedurende de lopende zittingstermijn, geldt voor de bevoegdheden van de COR dat het Zorgbedrijf Volwassenen wordt beschouwd als één onderneming. Voor zover het gaat om aangelegenheden die uitsluitend Zorgbedrijf Volwassenen betreffen komt hierdoor de bevoegdheid niet toe aan de COR maar aan de BOR.

Samenstelling en taakverdeling

De BOR bestaat uit 15 vertegenwoordigers welke drie vertegenwoordigers verkozen uit en door de vijf ondernemingsraden. Daarnaast zal per ondernemingsraad 1 vervangend lid worden verkozen. De leden van de BOR benoemen uit hun midden een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter en een secretaris. (…)

(…)

Opheffing BOR

De ondernemingsraden kunnen na overleg met de bestuurders de BOR opheffen. Als de ondernemingsraden het mandaat intrekken zonder de BOR op te heffen, zullen de ondernemingsraden een besluit nemen over de status en voortbestaan van de BOR. De BOR neemt op enig moment in overleg met directie van het Zorgbedrijf Volwassenen het initiatief tot het inrichten van de nieuwe medezeggenschapsstructuur en draagt zorg voor het tot stand komen daarvan en organiseert de verkiezingen voor de nieuwe ondernemingsraad. De verkiezingen worden gehouden 1 maand voor afloop van de zittingstermijn van de zittende ondernemingsraden (30 juni 2014).

(…)

Looptijd

Dit convenant gaat in vanaf het moment van ondertekening en loopt af zodra de nieuwe ondernemingsraad voor het Zorgbedrijf Volwassenen is verkozen.

(…)”.

2.4.

Vervolgens is er een werkgroep toekomstige medezeggenschapsstructuur (ook wel “werkgroep 1”) ingesteld. Naar aanleiding van een plan/advies van werkgroep 1 d.d. 21 november 2013 over de hervorming van de medezeggenschapsstructuur binnen de ondernemer, heeft de ondernemer besloten om ook een werkgroep 2 in te stellen. Op 26 februari 2014 heeft werkgroep 2 een plan/advies uitgebracht.

2.5.

Op 13 maart 2014 heeft de Raad van Bestuur van de ondernemer de voorzitters van de ondernemingsraden en de voorzitter van de BOR van een “voorgenomen besluit tot (hervorming van de) medezeggenschapsstructuur per 1 juli 2014” op de hoogte gebracht. Op 7 april 2014 heeft de ondernemer het “Concept Reglement OR Zorgbedrijf Volwassenen April 2014” en het “Concept Reglement Centrale Ondernemingsraad Mondriaan April 2014” aan de BOR gezonden. Op 9 april 2014 hebben de vijf voorzitters van de afzonderlijke ondernemingsraden van de vijf divisies binnen het Zorgbedrijf Volwassenen bezwaar aangetekend tegen het voorgenomen besluit d.d. 13 maart 2014 van de Raad van Bestuur van de ondernemer. De Raad van Bestuur van de ondernemer heeft op 11 april 2014 schriftelijk gereageerd op dit bezwaar, waarop de vijf OR-voorzitters op 17 april 2014 weer schriftelijk hebben geantwoord.

2.6.

Het zorgbedrijf Volwassenen kent per 15 april 2014 een omvang van 1.132 fte, het zorgbedrijf Kinderen en Jeugdigen 235 fte, het Zorgbedrijf Ouderen 287 fte en het Zorgbedrijf Services 257 fte.

2.7.

Op 22 april 2014 heeft de Raad van Bestuur van de ondernemer een definitief besluit genomen over de hervorming van de medezeggenschap (hierna: het besluit). Dit besluit luidt, voor zover hier van belang:

Besluit

De medezeggenschap in Mondriaan is per 1 juli 2014 gebaseerd op het uitgangspunt deze laag in de organisatie en zo dicht mogelijk bij de medewerkers te organiseren. Dit vergt aanpassing en intensivering van de niet wettelijk geregelde medezeggenschap c.q. de (interactieve) participatie van medewerkers in combinatie met een op de ontwikkelingen aansluitende wettelijk geregelde medezeggenschap.

Wettelijk geregelde medezeggenschap

Op concernniveau wordt een Centrale Ondernemingsraad (COR) ingesteld. Dit orgaan richt zich vooral op thema’s die het gehele concern aangaan c.q. betreffen. De COR overlegt met de RvB, maar kan zich ook laten informeren door leden van het Concernteam (CT). In de COR zullen vertegenwoordigers vanuit de ondernemingsraden van de (zorg)bedrijven zitting nemen. De COR telt 10 leden. Mondriaan Services en de zorgbedrijven Kinderen en Jeugdigen en Ouderen leveren ieder 2 en zorgbedrijf Volwassenen 4 vertegenwoordigers.

Op (zorg)bedrijfsniveau worden ondernemingsraden ingesteld. De OR richt zich vooral op zaken die het (zorg)bedrijf betreffen. De ondernemingsraden van Mondriaan Services en de zorgbedrijven Kinderen en Jeugdigen en Ouderen bestaan uit 5 leden en de ondernemingsraad van Zorgbedrijf Volwassenen uit 11 leden. Uitgangspunt is het aantal mogelijke zetels minus 4.

(…)

Niet wettelijk geregelde medezeggenschap

Naast de hiervoor omschreven wettelijke medezeggenschap zal stevig worden geïnvesteerd in het verbeteren van de kwaliteit van de (interactieve) participatie van medewerkers in de gehele organisatie. Hiermee willen we de medezeggenschap zo dicht mogelijk bij de medewerkers organiseren.

(…)

Wij verzoeken u de organisatie van de verkiezingen, gebaseerd op dit besluit, spoedig ter hand te nemen.

(…)”.

2.8.

De BOR heeft vervolgens aan de Raad van Bestuur van de ondernemer verzocht om de op 2 juli 2014 geplande verkiezingen uit te stellen. De Raad van Bestuur van de ondernemer heeft dit afgewezen, hetgeen zij per e-mail van 30 april 21014 schriftelijk aan de voorzitter van de BOR ([naam voorzitter BOR]) heeft bevestigd. Vervolgens heeft de gemachtigde van de BOR op 12 mei 2014 een brief gericht aan de Raad van Bestuur van de ondernemer. De Raad van Bestuur van de ondernemer heeft hierop bij brief van 19 mei 2014 gereageerd.

2.9.

Op 27 mei 2014 is door de BOR een verzoekschrift bij de Bedrijfscommissie Markt II (hierna: Bedrijfscommissie) ingediend. De Raad van Bestuur van de ondernemer heeft op 6 juni 2014 een verweerschrift ingediend. Op 13 juni 2014 heeft een bemiddelingszitting van de geschillencommissie van de Bedrijfscommissie plaatsgevonden. Tijdens die zitting is gebleken dat partijen niet nader tot elkaar zijn gekomen. De commissie heeft, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, in haar verslag van bevindingen en advies d.d. 23 juni 2014 als volgt overwogen:

“(…)

Naar het de commissie voorkomt is er geen sprake van een geheel nieuwe onderneming waarvoor de medezeggenschap opnieuw zou dienen te worden ingesteld, zoals dit door en namens de bestuurder is beargumenteerd. Zorgbedrijf Volwassenen kan naar het oordeel van de commissie gezien worden als een (gezamenlijk) voortzetting van enkele onderdelen, de vijf voormalige divisies (CFPZ, IZM, IZP, PSYQ en VZ), binnen de organisatie, waarbij tevens sprake is van een (gebundelde) voortzetting van de medezeggenschap.

(…)

De commissie wil de BOR dan ook het advies meegeven op zo kort mogelijke termijn over te gaan tot het opstellen van een nieuw reglement dat voldoet aan de WOR. Ervan uitgaande dat het niet de wens van de BOR is om tot een lager zetelaantal te komen dan de WOR in eerste aanleg voorschrijft, betekent dit dat voor de nieuwe OR wordt uitgegaan van een zeteltal van 15.

(…)

COR

De commissie meent dat het van belang is voor de gehele organisatie en haar personeel dat het nieuwe reglement voor de COR wordt gedragen door alle daarbij betrokken partijen. Hoewel de commissie de concrete invulling hiervan wil overlaten aan partijen, geeft zij partijen wel dringend in overweging daarbij te komen tot een evenwichtige verhouding in de zetelverdeling. Het reglement zoals dat nu door de bestuurder is opgesteld, met een vermindering van 10 naar 4 zetels voor het Zorgbedrijf Volwassenen en een vermeerdering van (in totaal) 4 naar 6 zetels voor de andere drie zorgbedrijven, voldoet naar het oordeel van de commissie in ieder geval niet aan het uitgangspunt van een evenwichtige verhouding, nu niet is gebleken van substantiële wijzingen in de personeelsverhoudingen.

(…)”.

2.10.

Het advies van de Bedrijfscommissie heeft partijen (ook) niet nader tot elkaar gebracht.

3 Het geschil

3.1.

Ter zitting heeft de BOR haar eis verminderd door geen aanspraak meer te maken op dwangsommen, nu [naam voorzitter Raad van Bestuur] (voorzitter van de Raad van Bestuur van de ondernemer) ter zitting heeft verklaard het in dezen te wijzen vonnis in acht te nemen.

3.2.

De BOR vordert, na deze vermindering van eis en mede tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover mogelijk uiterlijk 2 juli 2014:

het besluit van de ondernemer d.d. 22 april 2014 te schorsen en de ondernemer te verbieden verdere uitvoeringshandelingen in het kader van dit besluit uit te voeren totdat in de hoofdzaak is beslist en al hetgeen tot op heden is uitgevoerd terug te draaien, voor wat betreft het onderdeel van het besluit dat het aantal zetels in de Ondernemingsraad voor Zorgbedrijf Volwassenen uit elf leden zal bestaan, alsmede het onderdeel van het besluit waaruit blijkt dat de OR Zorgbedrijf Volwassenen vier vertegenwoordigers zal hebben binnen de Centrale Ondernemingsraad, althans een zodanige voorziening te treffen die de kantonrechter noodzakelijk acht.

3.3.

De BOR heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het besluit om het aantal zetels van de Ondernemingsraad Zorgbedrijf Volwassenen op elf vast te stellen in strijd is met het bepaalde in artikel 6 lid 1 WOR. Deze ondernemingsraad dient namelijk, gelet op de omvang van het Zorgbedrijf Volwassenen, uit vijftien leden te bestaan. De wet voorziet niet in de mogelijkheid voor de ondernemer om dit aantal leden eenzijdig (zonder dat de Ondernemingsraad zelf met toestemming van de ondernemer in zijn reglement een afwijkend aantal leden heeft vastgesteld) terug te schroeven.

Ten tweede is het besluit van de ondernemer om de zetels van de COR te verdelen in Mondriaan Services 2 zetels, Zorgbedrijf Kinderen en Jeugdigen 2 zetels, Zorgbedrijf Ouderen 2 zetels en Zorgbedrijf Volwassenen 4 zetels, niet houdbaar. Gezien het aantal werkzame personen en het aantal fte’s binnen de verschillende zorgbedrijven van de ondernemer, is de zetelverdeling binnen de COR geen representatieve afspiegeling van de organisatie, aldus de BOR.

3.4.

De ondernemer voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

Juiste procedure?

4.1.

Ingevolge artikel 36 WOR dienen verzoeken op de voet van dit artikel bij verzoekschrift te worden ingediend. Een dagvaarding is dus niet de geëigende weg om een geschil ex artikel 36 WOR aan de kantonrechter voor te leggen. Ter zitting heeft de kantonrechter partijen hiermee geconfronteerd. De BOR heeft ter zitting gesteld dat vanwege de zeer korte termijn waarop de verkiezingen gepland staan (2 juli 2014), er voor is gekozen om een kort geding aanhangig te maken. Bij de BOR bestond de vrees dat, indien een verzoekschrift zou worden ingediend, niet vóór de verkiezingen op dat verzoek zou worden beschikt. Nu de ondernemer zich voor wat betreft de gevolgen van de onjuist ingeleide procedure heeft gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter en voldoende aannemelijk is dat de BOR een spoedeisend belang (waarop hierna nog nader zal worden ingegaan) heeft bij haar vorderingen, staat het vorenstaande een inhoudelijke beoordeling niet in de weg.

In het dictum – waarop hierna in rechtsoverweging 4.11 en 4.12 nader zal worden ingegaan – zal overigens wel rekening worden gehouden met de omstandigheid dat niet de juiste procedure is gevolgd. Indien een verzoekschriftprocedure aanhangig was gemaakt, waren immers alle belanghebbenden (in casu: alle voorzitters van de ondernemingsraden die door de BOR worden vertegenwoordigd plus de voorzitters van de Ondernemingsraden van de overige Zorgbedrijven van de ondernemer), opgeroepen om ter zitting te verschijnen. Doordat dat niet is gebeurd, heeft de kantonrechter in deze procedure geen rekening kunnen houden met de standpunten van die belanghebbenden. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn deze belanghebbenden door de wijze waarop het dictum is ingekleed niet in hun belangen geschaad. De kantonrechter merkt in dit kader nog op dat het zeer wel mogelijk is als hierom wordt verzocht een verzoekschrift met de nodige voortvarendheid te behandelen.

Voorzitter BOR?

4.2.

De ondernemer heeft aangevoerd dat de BOR niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat op grond van artikel 7 WOR de voorzitter de ondernemingsraad (die immers geen rechtspersoonlijkheid heeft) in rechte vertegenwoordigt. De voorzitter van de BOR moet dus de dagvaarding laten uitbrengen. Dat is niet gebeurd, zo stelt de ondernemer en dus is de BOR niet-ontvankelijk.

Dit verweer wordt gepasseerd. Uit rechtsoverweging 2.3., waarin delen van het convenant zijn geciteerd, volgt dat de BOR het mandaat heeft om namens de ondernemingsraden (van de vijf divisies die met ingang van januari 2013 zijn ondergebracht in het Zorgbedrijf Volwassenen) het overleg te voeren over alle aangelegenheden die het Zorgbedrijf Volwassenen betreffen. De ondernemingsraden hebben met betrekking tot al deze aangelegenheden hun rechten en bevoegdheden overgedragen aan de BOR. Een redelijke uitleg van deze overweging in het convenant, brengt mee dat ook de bevoegdheid om in rechte op te treden door de ondernemingsraden aan de BOR is overgedragen. Voorts is de voorzitter van de BOR, [naam voorzitter BOR], bijgestaan door zijn gemachtigde, ter zitting verschenen.

Spoedeisendheid

4.3.

Nu er op 2 juli 2014 OR-verkiezingen staan gepland, is de spoedeisendheid genoegzaam gebleken. De omstandigheid dat de BOR wel naar de Bedrijfscommissie is gestapt, terwijl dit op grond van het met ingang van 19 juli 2013 gewijzigde artikel 36 WOR als ontvankelijkheidseis voor het indienen van een verzoekschrift bij de kantonrechter is komen te vervallen, kan niet aan de BOR worden tegengeworpen. De mogelijkheid om zich rechtstreeks tot de kantonrechter te wenden, betekent immers niet dat niet eerst (onverplicht) advies bij de Bedrijfscommissie kan worden ingewonnen.

De kantonrechter komt toe aan een inhoudelijke beoordeling.

Elf zetels Zorgbedrijf Volwassenen

4.4.

De ondernemer heeft uitvoerig betoogd dat Zorgbedrijf Volwassenen een nieuwe onderneming is (de eerdere ondernemingen zijn in de visie van de ondernemer dus opgehouden te bestaan). Op grond van artikel 2 WOR dient er dan een nieuwe ondernemingsraad te worden ingesteld. Ingevolge artikel 48 WOR ligt het op de weg van de ondernemer om een voorlopig reglement op te stellen en verkiezingen te organiseren. Alle bevoegdheden ter zake van het opstellen van het voorlopig reglement zijn overgedragen aan de ondernemer, waaronder dus ook het vaststellen van het aantal zetels. Het gaat dan om de bevoegdheid zoals verwoordt in artikel 6 lid 1, laatste alinea, WOR: “de ondernemingsraad kan met toestemming van de ondernemer in zijn reglement zowel een afwijkend aantal leden vaststellen, als (…)”.

De BOR heeft deze redenering gemotiveerd betwist. Er is volgens de BOR namelijk sprake van een “reshuffle” van de bestaande onderneming. Van een nieuwe onderneming is geen sprake. Van een artikel 48 WOR-situatie is evenmin sprake. Indien dat wel het geval is, is niet aan de vereisten van artikel 48 WOR voldaan.

4.5.

In de WOR wordt in artikel 1 lid 1 aanhef en onder c bepaald dat onder onderneming wordt verstaan: “elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht”. Het onderdeel waarvoor een afzonderlijke ondernemingsraad is ingesteld, wordt op grond van artikel 4 lid 2 WOR beschouwd als een onderneming in de zin van de wet. Vast staat dat de vijf divisies vóór 1 januari 2013 (dus voordat zij werden samengevoegd in het bedrijf Zorgbedrijf Volwassenen) als ondernemingen in de zin van de WOR moeten worden aangemerkt en deze vijf divisies ieder een eigen ondernemingsraad hadden. Bij het convenant is van 29 januari 2013 is de BOR opgericht. De vijf afzonderlijke ondernemingsraden zijn blijven voortbestaan, alhoewel zij de BOR hebben gemandateerd om overleg te voeren over alle aangelegenheden die het Zorgbedrijf Volwassenen betreffen. In dit convenant is ook bepaald dat “hoewel de samenstelling van de COR niet verandert, gedurende de lopende zittingstermijn, geldt voor de bevoegdheden van de COR dat het Zorgbedrijf Volwassenen wordt beschouwd als één onderneming(onderstreping kantonrechter). Onder de kop opheffing BOR is in het convenant opgenomen: “de BOR neemt op enig moment in overleg met directie van het Zorgbedrijf Volwassenen het initiatief tot het inrichten van de nieuwe medezeggenschapsstructuur en draagt zorg voor het tot stand komen daarvan en organiseert de verkiezingen voor de nieuwe ondernemingsraad”(onderstrepingen kantonrechter). Gelet op deze geciteerde passages uit het convenant, in samenhang bezien met het feit dat de vijf divisies zijn samengevoegd in één zorgbedrijf én de door de WOR gegeven definitie van onderneming, is voldoende aannemelijk dat het Zorgbedrijf Volwassenen als nieuwe onderneming (in de zin van de WOR) moet worden aangemerkt. Vervolgens dient beoordeeld te worden of de ondernemer zich met succes op het bepaalde in artikel 48 WOR kan beroepen.

4.6.

Lid 1 van artikel 48 WOR luidt: “de ondernemer op wie de verplichting tot het instellen van een ondernemingsraad rust, treft bij voorlopig reglement, voor zover nodig, de voorzieningen die tot de bevoegdheid van de ondernemingsraad behoren, totdat de ondernemingsraad zelf die bevoegdheid uitoefent. De vereniging of verenigingen van werknemers, bedoeld in artikel 9, tweede lid onder a, worden over het voorlopige reglement gehoord”.

4.6.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat er voor de ondernemer op grond van artikel 2 van de WOR de verplichting bestaat om een nieuwe ondernemingsraad in te stellen. Gelet op de inhoud van het “Concept Reglement OR Zorgbedrijf Volwassenen April 2014”, dat op 7 april aan de BOR is toegezonden, is voldoende aannemelijk dat dit concept moet worden aangemerkt als een voorlopig reglement in de zin van artikel 48 lid 1 WOR.

4.6.2.

Volgens de stelling van de ondernemer zijn alle bevoegdheden ter zake van het opstellen van het reglement overgedragen aan de ondernemer, waaronder dus ook het vaststellen van het aantal zetels. Deze stelling miskent evenwel de strekking van artikel 48 lid 1 WOR. Uit dat artikel volgt namelijk niet dat de ondernemer eenzijdig bij voorlopig reglement kan afwijken van hetgeen in artikel 6 lid 1 WOR als aantal leden van de ondernemingsraad wordt voorgeschreven. Vooral ook nu de ondernemingsraad blijkens datzelfde artikel 6 lid 1 WOR slechts met toestemming van de ondernemer in zijn reglement zowel een afwijkend aantal leden kan vaststellen, als bepalen dat voor een of meer leden van de ondernemingsraad een plaatsvervanger wordt gekozen. In het kader van de medezeggenschap in het algemeen en in het licht van artikel 6 lid 1 WOR in het bijzonder had de ondernemer in het onderhavige geval alleen met instemming van de BOR een afwijkend aantal leden kunnen vaststellen.

4.6.3.

De BOR heeft tevens gesteld dat de vereniging of verenigingen van werknemers (als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder a WOR) niet over het voorlopig reglement zijn gehoord. De BOR heeft tevens gesteld dat de ondernemer ook geen exemplaar van het voorlopige reglement (hetgeen artikel 48 lid 2 WOR voorschrijft) aan de Bedrijfscommissie heeft gezonden. Deze stellingen zijn niet door de ondernemer betwist, zodat vaststaat dat de vereniging of verenigingen van werknemers niet over het voorlopig reglement zijn gehoord en dat er geen exemplaar van het voorlopige reglement door de ondernemer aan de Bedrijfscommissie is gezonden, alhoewel de ondernemer daartoe op grond van de WOR wel gehouden was.

4.6.4.

Bovendien heeft de BOR terecht betoogd dat ook uit het convenant – waarvan de looptijd overigens wel degelijk nauwkeurig is bepaald – volgt dat de BOR op enig moment in overleg met de directie van het Zorgbedrijf Volwassenen het initiatief tot het inrichten van de nieuwe medezeggenschapsstructuur neemt en zorg draagt voor het tot stand komen daarvan en het organiseren van de verkiezingen voor de nieuwe ondernemingsraad. Deze bepalingen in het convenant verhouden zich niet met standpunt van de ondernemer dat de ondernemer zelf het initiatief moest nemen voor het voor het eenzijdig inrichten van de nieuwe medezeggenschapsstructuur door het opstellen van een voorlopig reglement.

4.6.5.

De conclusie uit het vorenstaande is dat voorshands wordt geoordeeld dat het besluit om het aantal zetels van het OR Zorgbedrijf Volwassenen op elf vast te stellen in strijd is met de (strekking van de) WOR en (de strekking van) het convenant. Dit brengt mee dat dit besluit van de ondernemer, voor wat betreft het onderdeel dat het aantal zetels in de Ondernemingsraad voor Zorgbedrijf Volwassenen uit elf leden zal bestaan, zal worden geschorst.

Zetelverdeling COR

4.7.

De ondernemer wijst erop dat de wet geen vereisten stelt inzake de verdeling van de zetels. Het aantal medewerkers dat door de individuele ondernemingsraden wordt vertegenwoordigd, is slechts één gezichtspunt bij de zetelverdeling c.q. stemverhouding. Er zijn namelijk ook andere gezichtspunten, zo stelt de ondernemer. De ondernemer heeft, onder verwijzing naar artikel 33 lid 1 WOR, aangevoerd dat een belangrijke voorwaarde voor het instellen van de COR is dat dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR ten aanzien van deze ondernemingen. Het toekennen van een meerderheid aan een ondernemingsraad (in casu aan het Zorgbedrijf Volwassenen) vloeit dus niet voort uit de WOR. De ondernemer wijst erop dat een afspiegeling van het personeelbestand niet automatisch ertoe leidt dat een ondernemingsraad met veel werknemers beschikt over de meerderheid van stemmen. De ondernemer concludeert dan ook dat de zetelaantallen in lijn met de vereisten van de WOR en jurisprudentie zijn, rekening houdend met de gedachte achter het oprichten van de COR. Daarbij moet ook bedacht worden dat het idee achter de nieuwe medezeggenschapsstructuur is om de medezeggenschap zo laag mogelijk in de organisatie vorm te geven.

De BOR betwist dat de andere gezichtspunten van doorslaggevend belang zijn en stelt dat het gezichtspunt van representatieve afspiegeling dit in casu wel is. Voorts is het Zorgbedrijf Volwassenen het Zorgbedrijf dat de meeste omzet genereert, aldus de BOR. Ook dat is een (belangrijk) gezichtspunt.

4.8.

Over de vraag wat het exacte aantal zetels binnen de COR moet zijn, behoeft in deze procedure (waarin immers slechts schorsing van het besluit wordt gevorderd) geen oordeel te worden gegeven. Ter zitting is door de kantonrechter aan partijen gevraagd of er in het voortraject is gesproken over een zetelverdeling binnen de COR waarbij aan Zorgbedrijf Volwassenen vijf zetels worden toegekend en vijf zetels voor de andere Zorgbedrijven.

Partijen verschillen van mening over de vraag of deze variant in het voortraject is besproken. Wat hier verder ook van zij, vaststaat dat het Zorgbedrijf Volwassenen 1.132 fte heeft, het Zorgbedrijf Kinderen en Jeugdigen 235 fte, het Zorgbedrijf Ouderen 287 fte en het Zorgbedrijf Services 257 fte. Ook staat vast dat de huidige COR 16 leden kent. De zetelverdeling binnen die COR is als volgt: 10 zetels voor de ondernemingsraden die thans onder het Zorgbedrijf Volwassenen vallen en 6 zetels voor de overige ondernemingsraden. De nieuw in te stellen COR gaat blijkens het besluit van de ondernemer uit van 10 leden. Voor de kantonrechter is van doorslaggevend belang dat de zetels binnen de COR evenwichtig verdeeld zijn en een representatieve afspiegeling van de organisatie zijn. Gelet op de omvang van de Zorgbedrijven in fte, is de door de ondernemer vastgestelde zetelverdeling geen representatieve afspiegeling van de organisatie. Dit klemt eens te meer, nu de ondernemer in zijn besluit ook geen rekening heeft gehouden met de huidige zetelverdeling binnen de COR. Weliswaar is het totaal aantal leden van de huidige COR 16 en het beoogde aantal leden van de COR 10, maar niet kan worden ingezien waarom de overige drie zorgbedrijven (die in fte gerekend veel kleiner zijn dan het Zorgbedrijf Volwassenen) van vier naar zes zetels binnen de COR gaan en dus samen de meerderheid kunnen vormen. Het feit dat de samenstelling van de (huidige) COR niet tot problemen heeft geleid en de onderlinge samenwerking goed is, doet niet aan het vorenstaande af.

4.9.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het besluit van de ondernemer dat de Ondernemingsraad van Zorgbedrijf Volwassenen vier vertegenwoordigers binnen de COR zal hebben, eveneens zal worden geschorst.

Praktische / juridische complicaties

4.10.

De kantonrechter beseft dat zijn oordeel praktische problemen (uitstel verkiezingen van andere ondernemingsraden om het scheef lopen van zittingstermijnen te voorkomen) met zich brengt. Ook de juridische complicaties die de ondernemer ter zitting heeft geschetst, kunnen echter niet tot een ander oordeel leiden. Het is uiteindelijk aan het besluit van Raad van Bestuur van de ondernemer te wijten dat, ondanks de bemiddelingspoging bij de Bedrijfscommissie, de BOR zich tot de kantonrechter heeft moeten wenden. Nu hiervoor is geoordeeld dat dit besluit op de hier voorgelegde onderdelen zal worden geschorst, kunnen die complicaties ook bezwaarlijk aan de BOR worden tegengeworpen.

Gevolg verkeerde ingeleide procedure voor dictum

4.11.

Beide besluiten van de ondernemer worden dus geschorst. In beide gevallen zal aan die schorsing een eindmoment worden gekoppeld: namelijk het moment waarop door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht op grond van een ex artikel 36 WOR ingediend verzoek is beslist. Zoals in rechtsoverweging 4.1. reeds is overwogen is dit ingegeven doordat deze procedure bij dagvaarding is ingeleid, maar de BOR belang heeft bij een beslissing vóórdat de verkiezingen plaatsvinden. Het is dus aan partijen om alsnog tot een vergelijk te komen of aan een van partijen om alsnog een verzoekschrift ex artikel 36 WOR bij de kantonrechter van deze rechtbank in te dienen.

4.12.

De ondernemer zal ten slotte, zoals door de BOR is gevorderd, worden verboden om verder uitvoeringshandelingen in het kader van zijn besluit d.d. 22 april 2014 te verrichten. Ook aan dit verbod wordt een eindmoment gekoppeld, namelijk totdat de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, op grond van een ex artikel 36 WOR ingediend verzoek heeft beslist.

Proceskosten

4.13.

De ondernemer dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de BOR worden begroot op:

- explootkosten € 99,80

- griffierecht 115,00

- salaris gemachtigde 400,00 (2 punten x tarief € 200,00)

totaal € 614,80

5 De beslissing

De kantonrechter in kort geding,

5.1.

schorst het besluit van de ondernemer d.d. 22 april 2014 voor wat betreft het onderdeel van het besluit dat het aantal zetels in de Ondernemingsraad voor Zorgbedrijf Volwassenen uit elf leden zal bestaan en voor wat betreft het onderdeel van het besluit dat de Ondernemingsraad Zorgbedrijf Volwassenen vier vertegenwoordigers zal hebben binnen de Centrale Ondernemingsraad, in beide gevallen totdat er door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, op grond van een ex artikel 36 WOR ingediend verzoek is beslist,

5.2.

verbiedt de ondernemer verdere uitvoeringshandelingen in het kader van zijn besluit d.d. 22 april 2014 te verrichten totdat er door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, op grond van een ex artikel 36 WOR ingediend verzoek is beslist,

5.3.

veroordeelt de ondernemer in de proceskosten aan de zijde van BOR tot op heden begroot op een bedrag van € 614,80,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Henzen en in het openbaar uitgesproken.