Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:5752

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-06-2014
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
3184936 CV EXPL 14-7234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding tot verbod van executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard bodemvonnis van de Nederlandse rechter, waartegen is geappelleerd onder het opwerpen van het incident tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De openbare verkoping van de beslagen roerende zaken in België is aanstaande. Daar heeft de executant (de bank) een exequatur op het Nederlandse vonnis verkregen, waartegen de geëxecuteerde verzet heeft ingesteld, dat geen schorsende werking heeft. Derden die rechten op een deel van de beslagen zaken pretenderen, hebben in België een vordering tot revindicatie aanhangig gemaakt. Naar Belgisch recht heeft dit jegens hen wel het recht van de bank op executie geschorst.

De vorderingen van de derden-eisers worden afgewezen. Ten aanzien van hen is de executie reeds geschorst (resp. kan deze geschorst worden) naar Belgisch recht, zodat zij geen recht op en spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening hebben. Uitsluitend de vordering van de eigenaren-eisers om de bank de openbare verkoping in België te verbieden totdat het hof heeft beslist in het incident, wordt toegewezen. Het terechte beroep van de bank op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse voorzieningenrechter aangaande een executie in België staat hier niet aan in de weg. Voortzetting van de executie hangende de beslissing van het hof op het incident betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, levert misbruik van bevoegdheid op omdat het in strijd is met het wettelijk systeem. De geëxecuteerde moet wel zekerheid stellen voor de mogelijkerwijs door de bank vergeefs gemaakte kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 3184936 CV EXPL 14-7234

Vonnis van de voorzieningenrechter van 27 juni 2014

in de zaak van

1 [eisende partij 1],

wonend [woonplaats],

2 [eisende partij 2],

wonend [woonplaats],

3 [eisende partij 3],

wonend [woonplaats],

4 [eisende partij 4],

wonend [woonplaats],

5 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HELVET INVESTMENTS B.V.,

statutair gevestigd te Maastricht, kantoorhoudend te Sittard-Geleen,

6 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MICHEYTON BEHEER B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudend te Sittard-Geleen,

7 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERIM ART GALLERY B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudend te Sittard-Geleen,

eisende partijen,

advocaat: mr. L.C. van Kasteren

tegen

de coöperatie DE COÖPERATIEVE RABOBANK WESTELIJKE MIJNSTREEK,

gevestigd en kantoorhoudend te Sittard-Geleen,

gedaagde partij,

advocaat: mr. R.J.M.C. Rosbeek.

Partijen zullen hierna (ook) [eisende partijen] en Rabobank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 juni 2014

  • -

    de op voorhand van de zijde van de Rabobank per fax ingezonden pleitnota met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 27 juni 2014.

1.2.

Ten slotte is door de voorzieningenrechter ter zitting van 27 juni 2014 mondeling vonnis gewezen, dat hierna wordt vastgelegd.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 30 oktober 2013 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, zaak- en rolnummer C/03/179102 HA ZA 13/130 zijn eisers sub 1 en sub 2 hoofdelijk veroordeeld tot betaling van diverse bedragen aan Rabobank. Voorts is in dat vonnis eiser sub 1 veroordeeld tot betaling van diverse bedragen aan Rabobank. Het vonnis is op die onderdelen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.2.

Tegen dat vonnis hebben eisers sub 1 en sub 2 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en daarbij tevens een incidente vordering ingediend. De incidentele vordering is gebaseerd op het bepaalde in art. 351 Rv juncto art. 223 Rv en strekt derhalve tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis. Rabobank heeft een incidentele conclusie van antwoord genomen. Vervolgens heeft het gerechtshof

’s-Hertogenbosch bepaald dat in het incident arrest zal worden gewezen op de rol van 29 juli 2014.

2.3.

Rabobank heeft bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Tongeren om een exequatur van het vonnis van 30 oktober 2013 verzocht. Bij beslissing van 25 februari 2014 is dat verzoek toegewezen. Eisers sub 1 en sub 2 hebben tegen die beslissing bij dagvaarding van 28 april 2014 verzet aangetekend. Er is tot op heden geen beslissing genomen op dit verzet.

2.4.

Op 22 mei 2014 heeft de Belgische deurwaarder executoriaal beslag gelegd op roerende zaken in en om het woonhuis van eisers sub 1 en sub 2. In de exploten wordt vermeldt dat de in beslag genomen goederen (zaken) openbaar en gerechtelijk zullen worden verkocht op zaterdag 28 juni 2014.

2.5.

Eisende partijen sub 3 en sub 6 hebben bij dagvaardingen van 23 juni 2014 ieder voor zich een kort geding geëntameerd bij de beslagrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg Tongeren, strekkende tot revindicatie van die in beslag genomen zaken die, naar zij stellen, hun eigendom zijn.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partijen] vorderen bij wijze van onmiddellijke voorziening bij voorraad:

  1. Rabobank te verbieden de executoriale verkoop in België op 29 juni 2014 of enige andere datum van de eigendommen van eisers sub 1 en/of sub 2 te verbieden zolang er geen in kracht van gewijsde uitspraak van de Nederlandse rechtspraak gewezen is, zulks op straffe van het negeren van het verbod een direct te verbeuren dwangsom van € 10.000,00 per dag of dagdeel dat Rabobank niet geheel of gedeeltelijk opvolging geeft aan het verbod;

  2. Rabobank te verbieden de executoriale verkoop op 29 juni 2014 of enige andere datum van de eigendommen van gedaagde partijen sub 3 tot en met 7, een en ander zoals blijkt uit de door hen individueel gegeven specificaties, zolang er geen in kracht van gewijsde uitspraak van de Nederlandse rechtspraak voorhanden is, welke bepaalt dat de inbeslaggenomen goederen/zaken niet in eigendom aan de eiser toebehoren, zulks op straffe van het negeren van het verbod een direct te verbeuren dwangsom van € 25.000,00 per goed of zaak;

  3. Rabobank te gebieden tot onverwijlde opheffing van de gelegde executoriale beslagen in België op eigendommen of bezittingen van eisers sub 3 tot en met 7, zulks op straffe van het negeren van het gebod een direct te verbeuren dwangsom van € 25.000,00 per dag of dagdeel dat Rabobank niet geheel of gedeeltelijk opvolging geeft aan het gebod;

  4. Rabobank te verbieden conservatoir beslag te leggen op goederen en zaken toebehorend in eigendom of bezit aan eisers sub 3 tot en met 7, zulks op straffe van het negeren van het verbod een direct te verbeuren dwangsom van € 25.000,00 per goed of zaak;

  5. Rabobank te verbieden goederen of zaken af te voeren of te laten afvoeren toebehorend in eigendom aan eisers sub 3 tot en met 7, zulks op straffe van het negeren van het verbod een direct te verbeuren dwangsom van € 25.000,00 per goed of zaak verschuldigd is aan de eiser wiens eigendom c.q. bezit het betreft;

  6. Rabobank te gebieden om onverwijld na het doen van de uitspraak van de Voorzieningenrechter, mondeling dan wel schriftelijk, de advocaat-correspondent in België, mr. Panis of enig ander op dat moment voor Rabobank optredende advocaat of gemachtigde, alsmede de door Rabobank geïnstrueerde (kandidaat)deurwaarders in kennis te stellen van de geboden en verboden en te gebieden dat Rabobank dezen instrueert conform het vonnis zonder dat daartoe betekening zijdens eiser(s) behoeft te worden gedaan, zulks op straffe van het negeren van het gebod een direct te verbeuren dwangsom van € 10.000,00 per dag of dagdeel verschuldigd wordt aan ieder der eisers zolang Rabobank niet geheel en tijdig opvolging geeft aan het gebod en daarbij te bepalen dat de dwangsommen cumulatief zijn indien de geboden en verboden worden genegeerd, althans dat geen uitvoering wordt gegeven aan de individuele onderdelen van het vonnis;

  7. Rabobank te veroordelen in de kosten, alsmede de nakosten van dit geding.

3.2.

Ter onderbouwing van hun vordering voeren eisende partijen (samengevat) het volgende aan.

Rabobank maakt inbreuk op de eigendomsrechten van eisende partijen sub 3 tot en met 7 aangezien een deel van de in beslag genomen zaken eigendom van deze partijen zijn. Voorts stellen zij dat bij de afweging van de belangen in aanmerking dient te worden genomen dat Rabobank geen redelijk belang heeft bij de voorgenomen executoriale verkoop van de in beslag genomen voorwerpen aangezien die zaken weinig waarde vertegenwoordigen terwijl die zaken (inboedel) voor eisers sub 1 en 2 voorzien in een eerste materiële levensbehoefte. Eisende partijen stellen dat het faillissement van eisende partij sub 1 aangevraagd is en dat de executie de paritas creditorum doorbreekt alsmede paulianeus is. De executie is in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt en/of vormt een inbreuk op een recht van eisende partijen. Zij voeren voorts aan dat Rabobank misbruik van recht maakt. Zij wijzen in dat verband erop dat in hoger beroep nog een beslissing dient te worden genomen op het door eisers sub 1 en 2 opgeworpen incident inzake de gevorderde schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis van 30 oktober 2013. Eisende partijen 3 tot en met 7 verwachten, indien Rabobank een verbod opgelegd krijg de executie door te voeren, althans een bevel krijgt het executoriaal beslag te doen opheffen, dat Rabobank dan onverwijld conservatoir beslag in België gaat leggen. Om die reden vorderen zij het onder 4. vermelde.

3.3.

Rabobank voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van eisers sub 1 en 2 bij de gevorderde voorzieningen vloeit voort uit de aard daarvan: het voorkomen van de zeer aanstaande openbare verkoping van hun zaken. Dat eisers eerder (andere) mogelijkheden tot voorkoming hebben gehad en die onvoldoende hebben benut, doet, indien al juist, aan de aanwezigheid van dat spoedeisend belang op dit moment niet af.

4.2.

De Nederlandse voorzieningenrechter heeft, zoals de Rabobank terecht en onder verwijzing naar artikel 22 lid 5 EEX-verordening heeft aangevoerd, niet de rechtsmacht om te beslissen in een geschil betreffende de executie van een (ook al is het: Nederlands) vonnis in België, met name omdat hij daarbij de aan de Belgische rechter voorbehouden toetsing van de executie aan de regelingen die deze beheersen, zou moeten uitvoeren. Dat zal de voorzieningenrechter in dit vonnis dan ook niet doen. Hier staat tegenover dat de Nederlandse voorzieningenrechter wel de rechtsmacht heeft om te beslissen in hoeverre de Rabobank, door de executie van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde Nederlandse vonnis (ook al is het: in België) niet op te schorten, een Nederlandse rechtsregel schendt. Is daarvan sprake, dan heeft de voorzieningenrechter ook de rechtsmacht en bevoegdheid om de Rabobank die schending te verbieden op straffe van een dwangsom. Dit is hier aan de orde.

4.3.

Het systeem van art. 233 en 234 juncto 351 Rv brengt mee dat de houder van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde maar nog niet in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de Nederlandse rechter gehouden is om de executie daarvan (ook in enig buitenland) op te schorten totdat de Nederlandse rechter (in dit geval: het Hof) heeft beslist in het incident ex art. 351 Rv juncto art. 223 Rv tot ontnemen van de uitvoerbaarheid bij voorraad aan die uitspraak. Is de Nederlandse executant (de Rabobank) daartoe niet bereid, dan maakt hij in zoverre misbruik van bevoegdheid. De vordering onder 1. zal derhalve worden toegewezen, echter met de beperking dat van de Rabobank niet gevergd kan worden te wachten totdat er een in kracht van gewijsde gegaan arrest is over de uitvoerbaarheid bij voorraad, maar slechts op dat arrest in het incident zelf. Krijgen eisers sub 1 en 2 in het incident gelijk dan is de executie in België ten aanzien van hen (in elk geval voorlopig) van de baan; krijgen zij ongelijk dan staat het Rabobank vrij om die executie verder ter hand te nemen. Omdat dit laatste resultaat bepaald niet uitgesloten is en Rabobank in dat geval tevergeefs kosten zal hebben gemaakt voor de executie morgen, welke zij dan immers voor verkoop op een latere datum opnieuw zal moeten maken, wordt aan de werking van het verbod op straffe van een dwangsom dat jegens Rabobank wordt uitgesproken, de voorwaarde verbonden dat eisers sub 1 en 2 zekerheid stellen voor die kosten ten bedrage van € 1.500,00, te voldoen aan (de advocaat van) Rabobank heden voor 16:00 uur. De dwangsom wordt slechts op de eenmalige overtreding van het verbod gesteld en - in overeenstemming met het standpunt van eisers sub 1 en 2 over de waarde van hun zaken die door het beslag worden geraakt en onderwerp zijn van het verbod - bepaald op € 10.000.

4.4.

De vorderingen onder 2. t/m 6. worden afgewezen. Deze strekken alle tot de uitvaardiging van een gebod of verbod jegens de Rabobank dat verder strekt dan hetgeen waarop eisers thans recht hebben en waarbij zij een spoedeisend belang hebben, te weten het voorkomen dat openbare verkoping van hun zaken plaatsvindt voordat het hof in het incident heeft beslist. Bovendien zou de voorzieningenrechter zich om op deze vorderingen te beslissen moeten begeven in een geschil over tenuitvoerlegging naar Belgisch recht, waartoe hij gelijk hiervoor overwogen de rechtsmacht ontbeert.

4.5.

Hiermee zijn eisers sub 1 en 2 en de Rabobank over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld, reden waarom de voorzieningenrechter de proceskosten zal compenseren aldus dat elk de eigen kosten draagt.

4.6.

De vorderingen van eisers sub 3 t/m 7 worden afgewezen. Vast staat dat de door eisers sub 3 en 6 op 23 juni 2014 in België aanhangig gemaakte vorderingen tot revindicatie van hun (gepretendeerde) eigendommen waarop de Rabobank beslag heeft gelegd, naar Belgisch recht hebben geleid tot schorsing van de executiebevoegdheid van de Rabobank ten aanzien van die eigendommen. Vast staat voorts dat eisers sub 4, 5 en 7 dit resultaat - als zij dit al niet hebben bereikt in onderhandelingen met de Rabobank, zoals zij stellen en de Rabobank ter zitting bij gebrek aan wetenschap heeft betwist - kunnen bereiken door, zoals zij hebben aangekondigd te zullen doen, nog heden ook namens die laatste eisers de dagvaardingen tot revindicatie uit te brengen. Bij deze stand van zaken hebben eisers sub 3 t/m 7 op de door hen gevorderde voorzieningen geen recht en daarbij geen spoedeisend belang.

4.7.

Eisers sub 3 t/m 7 worden, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten van de Rabobank die tot de uitspraak van dit vonnis worden begroot op

€ 200,00 aan salaris advocaat.

4.8.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat de verder door eisers gekozen grondslagen voor hun vorderingen deze niet kunnen dragen en zich overigens niet lenen voor beoordeling in dit kort geding. Voor afweging tussen het naar verwachting voor de Rabobank met de executie gediende (financiële) belang tegen dat van eisers bij voorkoming daarvan, is geen plaats tenzij die afweging tot het oordeel zou kunnen leiden dat Rabobank misbruik van bevoegdheid maakt als bedoeld in het arrest HR 22 april 1983, NJ 1984/145. Dit is (voldoende gemotiveerd) gesteld noch gebleken. De belangen van overige schuldeisers van eisers sub 1 en 2 kunnen in de beoordeling van deze zaak evenmin een rol spelen, alleen al omdat het eisers niet past die belangen aan te voeren om hun eigen belang te dienen.

4.9.

De bodem- en/of voorzieningenrechter, in Nederland en/of in België, in eerste aanleg en/of in hoger beroep, zal aangaande hetgeen partijen naast de voorgenomen openbare verkoping morgen verdeeld houdt ongetwijfeld te zijner tijd de nodige beslissingen nemen. Het past deze voorzieningenrechter niet, daarop thans verder vooruit te lopen dan door slechts de voorziening te geven die noodzakelijk is om de op korte termijn dreigende schending van het recht van eisers - om van verkoping van hun zaken verschoond te blijven in elk geval totdat door het Hof in het incident over de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis waarop die bevoegdheid van de Rabobank berust is beslist - te voorkomen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt Rabobank over te gaan tot de executoriale verkoop in België van de aan eisers sub 1 en 2 toebehorende zaken op 28 juni 2014 of op enige andere datum voordat door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch arrest is gewezen over de aldaar door eisers sub 1 en 2 ingediende incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van 30 oktober 2013, onder de voorwaarde dat eisers sub 1 en 2 heden voor 16:00 uur zekerheid stellen als vermeld in rechtsoverweging 4.3 ten bedrage van in totaal € 1.500,00, te voldoen aan (de advocaat van) Rabobank,

5.2.

bepaalt dat Rabobank, indien zij het onder 5.1. uitgesproken verbod overtreedt, aan eisers sub 1 en 2 een dwangsom van € 10.000,00 verbeurt,

5.3.

compenseert de proceskosten tussen enerzijds eisers sub 1 en 2 en anderzijds Rabobank, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

veroordeelt eisende partijen sub 3 tot en met 7 tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op € 200,00,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen, voorzieningenrechter, en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW.