Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:5579

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
C-04-127110 - HA ZA 13-364
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schorsing en ontslag van statutair directeur woningbouwvereniging omdat hij zijn plichten ingevolge de arbeidsovereenkomst grovelijk heeft veronachtzaamd en zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal en/of verduistering. Zowel de besluiten van de Raad van Toezicht tot schorsing en ontslag als het arbeidsrechtelijke ontslag op staande voet zijn rechtsgeldig. Geen schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/450
AR-Updates.nl 2014-0579
OR-Updates.nl 2014-0263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/04/127110 / HA ZA 13-364

Vonnis van 25 juni 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.J.L.J. Pfeil,

tegen

de stichting

STICHTING VITAAL WONEN,

gevestigd en kantoorhoudende te Limbricht, gemeente Sittard-Geleen, aan de Bornerweg 8,

gedaagde,

advocaat mr. P. Caris.

Partijen zullen hierna [eiser] en Stichting Vitaal Wonen genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

[eiser] heeft de zaak aanvankelijk aanhangig gemaakt bij de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Limburg, locatie Roermond. De zaak is aldaar geregistreerd onder zaaknummer [zaaknummer]. Ter zitting van 10 december 2013 heeft de kantonrechter partijen er op gewezen dat de zaak ten onrechte is aangebracht bij de kamer voor kantonzaken. Nu de schorsings- en ontslagbesluiten van [eiser] als statutair directeur van de stichting het onderwerp van geschil zijn, dient de zaak op grond van het bepaalde in artikel 2:241 BW te worden verwezen naar een andere kamer dan die voor kantonzaken. De kantonrechter heeft – met instemming van partijen – mondeling vonnis gewezen, zich onbevoegd verklaard en de zaak vervolgens verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de afdeling burgerlijk recht van de rechtbank Limburg, zittingslocatie Roermond.

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt voorts uit:

  • -

    de dagvaarding van 19 juli 2013 met 19 producties.

  • -

    de conclusie van antwoord met 30 producties.

  • -

    de rolbeslissing van 11 oktober 2013 waarbij een comparitie van partijen is bepaald.

  • -

    de op 3 december 2013 door [eiser] in het geding gebrachte productie 20.

  • -

    het proces-verbaal van comparitie tevens houdende mondeling vonnis van de kantonrechter d.d. 10 december 2013.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 1 januari 2005 bij Stichting Vitaal Wonen in dienst getreden. Op 1 juni 2007 is [eiser] aangesteld als statutair directeur van Stichting Vitaal Wonen. Op 23 oktober 2007 is een schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen opgemaakt.

2.2.

Stichting Vitaal Wonen opereerde vóór 1 november 2011 onder de naam Woningstichting Limbricht. Stichting Vitaal Wonen is een instelling als bedoeld in artikel 70 Woningwet.

2.3.

Het Bestuur van Stichting Vitaal Wonen wordt benoemd door de Raad van Toezicht van Stichting Vitaal Wonen. De Raad houdt toezicht op het beleid van het Bestuur en de algemene gang van zaken binnen de Stichting. Schorsing en ontslag zijn exclusieve bevoegdheden van de Raad van Toezicht. Artikel 9 van de statuten van Stichting Vitaal Wonen luidt als volgt:

“1. Bestuursleden kunnen worden ontslagen of geschorst bij een besluit van de raad van toezicht genomen met een meerderheid van tenminste twee/derde van de uitgebrachte geldige stemmen in een vergadering waarin alle leden van de raad van toezicht aanwezig zijn.

Blijkt ter vergadering dat niet alle leden van de raad van toezicht aanwezig zijn, dan wordt uiterlijk binnen twee weken een nieuwe vergadering bijeengeroepen. De alsdan aanwezige leden van de raad van toezicht kunnen ter vergadering een rechtsgeldig besluit tot schorsing of ontslag nemen met tenminste twee/derde van de uitgebrachte geldige stemmen.

2. Tot ontslag of schorsing kan slechts worden besloten indien de betrokkene(n) in de gelegenheid is (zijn) gesteld zich tegenover de raad van toezicht te verklaren.

3. Een schorsing van een bestuurslid, die niet binnen drie maanden wordt gevolgd door een ontslagbesluit, vervalt door het enkele verloop van die termijn.

4. Een geschorst bestuurslid is niet bevoegd de in deze statuten en in het huishoudelijk reglement aan bestuursleden toegekende bevoegdheden uit te oefenen”.

2.4.

Een publicatie in NRC Handelsblad van 28 augustus 2012 heeft er toe geleid dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Stichting Vitaal Wonen c.q. haar Raad van Toezicht heeft verzocht om een onafhankelijk forensisch onderzoek in te stellen naar alle feiten zoals weergegeven in het artikel in het NRC. Het artikel maakt melding van vermeende belangenverstrengeling bij vastgoedtransacties en van een weinig transparante en gebrekkig functionerende governancestructuur.

2.5.

[eiser] heeft op 30 augustus 2012 vernomen dat hij met ingang van 31 augustus 2012 door de Raad van Toezicht is geschorst. Dit is op 31 augustus 2012 schriftelijk aan [eiser] bevestigd (1e schorsingsbesluit). [eiser] heeft bij brief van 11 september 2012 aan de Raad van Toezicht stelling genomen tegen de beschuldigingen en bezwaar aangetekend tegen zijn schorsing.

2.6.

Begin september 2012 heeft de directeur ad interim van Stichting Vitaal Wonen opdracht gegeven aan Integis BV te Haarlem een onafhankelijk forensisch onderzoek te starten. [eiser] is in dat kader op 10 oktober 2012 door Integis gehoord.

2.7.

Bij een aan [eiser] bij exploot betekende brief van 30 november 2012 heeft de Raad van Toezicht [eiser] laten weten hem met ingang van 1 december 2012 opnieuw te schorsen (2e schorsingsbesluit). Redengevend daarvoor was dat het onderzoek nog niet was afgerond. [eiser] heeft bij brief van 4 december 2012 bezwaar gemaakt tegen de nieuwe schorsing.

2.8.

[eiser] is bij exploot van 18 januari 2013 opgeroepen voor een vergadering van de Raad van Toezicht op 21 januari 2013 teneinde hem te horen over het voornemen van de Raad van Toezicht hem te ontheffen uit zijn functie van bestuurder en hem te ontslaan.

2.9.

De vergadering van 21 januari 2013 heeft ondanks bezwaar daartegen van de zijde van [eiser] toch doorgang gevonden en [eiser] is ter vergadering op staande voet ontslagen, welk ontslag bij brief van 21 januari 2013 schriftelijk aan hem is bevestigd

(1e ontslagbesluit). In deze brief geeft de Raad van Toezicht [eiser] te kennen dat hij op staande voet is ontslagen omdat hij:

  1. zijn plichten uit hoofde van zijn functie ingevolge de arbeidsovereenkomst grovelijk zou hebben veronachtzaamd door na te laten de Raad van Toezicht te informeren over tegenstrijdige belangen en door misbruik te maken van statutaire bevoegdheden bij niet gefiatteerde salarisaanpassingen en

  2. zich schuldig zou hebben gemaakt aan diefstal en/of verduistering door loonsverhogingen, nabetalingen en reis- en kilometervergoedingen aan zich uit te betalen zonder toestemming van de Raad van Toezicht.

2.10.

Bij brief van 24 januari 2013 heeft [eiser] zowel de vernietigbaarheid van het besluit van 21 januari 2013 alsook de (ver)nietig(baar)heid van het arbeidsrechtelijke ontslag op staande voet ingeroepen.

2.11.

Bij brief van 15 maart 2013 is [eiser] door de Raad van Toezicht opnieuw opgeroepen voor een vergadering van de Raad op 27 maart 2013. Blijkens de brief wilde de Raad [eiser] opnieuw uit zijn functie ontheffen en op staande voet ontslaan, voor het geval het eerste besluit van 21 januari 2013 ongeldig geoordeeld moest worden. [eiser] heeft bij brief van 25 maart 2013 aangegeven aan de oproep geen gevolg te geven. In diezelfde brief heeft [eiser] zich het recht voorbehouden zijn werkzaamheden op te schorten wegens ernstige wanprestatie van zijn werkgever.

2.12.

Bij brief van 2 april 2013 heeft de Raad van Toezicht [eiser] opnieuw ontslag op staande voet aangezegd, voor het geval in rechte komt vast te staan dat het besluit van 21 januari 2013 niet rechtsgeldig is (2e ontslagbesluit). Als ontslagreden wordt aangevoerd dat de handelwijze van [eiser] in strijd zou zijn met zijn statutaire verplichtingen en de wet, doordat hij zou hebben gehandeld namens Stichting Vitaal Wonen zonder mededeling te doen van het bestaan van tegenstrijdige belangen en misbruik zou hebben gemaakt van zijn statutaire bevoegdheden bij niet gefiatteerde salarisaanpassingen. [eiser] heeft bij brief van 19 juni 2013 tegen dit ontslag en het daaraan ten grondslag liggende besluit bezwaar gemaakt.

2.13.

Op 3 mei 2013 heeft het UWV WERKbedrijf Eindhoven Stichting Vitaal Wonen desgevraagd toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [eiser] op te zeggen. De ontslagvergunning is verleend op grond van een verstoorde arbeidsrelatie. Bij brief van 14 mei 2013 heeft Stichting Vitaal Wonen de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd tegen 1 november 2013. [eiser] heeft bij brief van 19 juni 2013 zich alle rechten en weren terzake het ontslag voorbehouden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert in deze procedure, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij

voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat de in het lichaam van de dagvaarding nader aangeduide besluiten van (de Raad van Toezicht van) Stichting Vitaal Wonen, genomen op 30 respectievelijk 31 augustus 2012, 27 november 2012, 21 januari 2013 en 27 maart respectievelijk 2 april 2013, nietig zijn althans deze te vernietigen.

  2. te verklaren voor recht dat de door Stichting Vitaal Wonen aan [eiser] gegeven ontslagen op staande voet, gegeven op 21 januari 2013 en 27 maart of 2 april 2013, nietig zijn althans deze te vernietigen, met gelijktijdige veroordeling van Stichting Vitaal Wonen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] door c.q. uit te betalen diens bruto-loon, met bijbehorende onkostenvergoedingen, vanaf 21 januari 2013 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, zulks te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ter grootte van 50% over het per iedere op het ogenblik van het vonnis reeds verstreken maand verschuldigde bruto-loon c.a. alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over een en ander, telkens vanaf de eerste dag van de maand volgende op die waarin dat bruto-loon c.a. verschuldigd is geworden, tot de dag van betaling alsmede met gelijktijdige veroordeling van Stichting Vitaal Wonen tot betaling c.q. afdracht van de over diezelfde periode verschuldigde pensioenpremies en tenslotte vergoeding aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten, als door de Rechtbank c.q. Kantonrechter nader te bepalen.

  3. te verklaren voor recht dat Stichting Vitaal Wonen, door te handelen als in het lichaam van de dagvaarding aangegeven, jegens [eiser] toerekenbaar tekort geschoten is en deswege de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden, met veroordeling van Stichting Vitaal Wonen tot vergoeding aan [eiser] van de door deze daardoor geleden en nog te lijden schade, die schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf heden tot de dag van betaling.

Met veroordeling (eveneens voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad) van Stichting Vitaal Wonen in de kosten van het geding, met inbegrip van de nakosten zoals genoemd in artikel 237 lid 4 Rv, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het tijdstip dat Stichting Vitaal Wonen in verzuim is deze kosten te voldoen.

3.2.

Stichting Vitaal Wonen voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

De schorsingsbesluiten

4.2.

[eiser] stelt zich - samengevat - op het standpunt dat het schorsingsbesluit van 31 augustus 2012 nietig is op grond van artikel 2:14 BW dan wel vernietigbaar op grond van artikel 2:15 BW. Daartoe heeft [eiser] aangevoerd dat het besluit feitelijk al op 30 augustus 2012 is genomen (en dus) buiten de vergadering van de Raad van Toezicht. Voor zover het besluit wel geacht moet worden te zijn genomen tijdens de vergadering van 31 augustus 2012 dan is [eiser] in strijd met de Statuten niet tijdig voor die vergadering opgeroepen en heeft de Raad van Toezicht het in de Statuten verankerde beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Bovendien bestond er geen noodzaak om [eiser] te schorsen en is het besluit onvoldoende gemotiveerd. Het tweede schorsingsbesluit, genomen op 27 november 2012, bouwt voort op het eerste (nietige) schorsingsbesluit en is om die reden eveneens nietig dan wel vernietigbaar. Bovendien voorzien de Statuten niet in de mogelijkheid een schorsing te verlengen en is ook het tweede schorsingsbesluit ongemotiveerd en zonder toepassing van hoor en wederhoor genomen, aldus [eiser].

Stichting Vitaal Wonen heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat [eiser] geen belang (meer) heeft bij de gevorderde verklaring voor recht dat de schorsingsbesluiten nietig zijn c.q. bij de vernietiging van die besluiten, aangezien vaststaat dat de arbeidsrechtelijke relatie met [eiser] inmiddels hoe dan ook is geëindigd.

4.3.

De rechtbank is met Stichting Vitaal Wonen van oordeel dat [eiser] geen voldoende belang heeft gesteld bij zijn vorderingen voor zover deze zich richten tegen de beide schorsingsbesluiten. De gevolgen van die besluiten zijn immers naar hun aard niet ongedaan te maken en [eiser] heeft niet gesteld noch is anderszins gebleken dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de schorsing(en). Voor zover [eiser] tijdens de comparitie van partijen heeft gesteld dat hij is beschadigd en in zijn goede naam aangetast door de schorsingsbesluiten heeft hij die stelling in het geheel niet onderbouwd. Dat had wel op zijn weg gelegen aangezien niet is gebleken dat Stichting Vitaal Wonen externe ruchtbaarheid heeft gegeven aan de schorsing van [eiser] en de publicatie in NRC Handelsblad, die niet aan Stichting Vitaal Wonen valt toe te rekenen, reeds op 28 augustus 2012 heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal de vorderingen van [eiser], betrekking hebbende op de beide besluiten tot schorsing, dan ook afwijzen bij gebrek aan voldoende belang

Het ontslagbesluit van 21 januari 2013

4.4.

[eiser] heeft zich bij dagvaarding - samengevat - op het standpunt gesteld dat het ontslagbesluit van 21 januari 2013 nietig is op grond van artikel 2:14 BW, omdat [eiser] in strijd met de statuten slechts twee dagen tevoren was opgeroepen voor de vergadering van de Raad van Toezicht waarin het betreffende besluit is genomen én omdat bij die vergadering de voorzitter van de Raad van Toezicht niet aanwezig was, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 9.1 van de statuten. Bovendien is het ontslagbesluit genomen zonder hoor en wederhoor (op deugdelijke wijze) toe te passen en zijn de voor het ontslag aangevoerde redenen niet duidelijk.

4.5.

Stichting Vitaal Wonen erkent dat zij de oproeptermijn voor de vergadering niet in acht heeft genomen maar stelt onder verwijzing naar artikel 8.3 van de statuten dat desalniettemin rechtsgeldig besluiten genomen kunnen worden indien alle leden van de Raad van Toezicht in de vergadering aanwezig zijn, hetgeen op 21 januari 2013 het geval was. De voorzitter naar wie [eiser] verwijst was per 1 januari 2013 geen lid meer van de Raad van Toezicht en zijn aanwezigheid was dus niet vereist.

Door [eiser] is niet weersproken dat zolang in een vergadering alle in functie zijnde leden van de Raad van Toezicht aanwezig zijn, geldige besluiten genomen kunnen worden over alle aan de orde komende onderwerpen, ook al zijn de door de statuten gegeven voorschriften voor het oproepen en het houden van vergaderingen niet in acht genomen.

Voorts heeft [eiser] niet (nader) weersproken dat alle leden van de Raad van Toezicht aanwezig waren in de vergadering van 21 januari 2013. De rechtbank volgt [eiser] dan ook niet in zijn stelling dat het besluit tot ontslag nietig is op grond van schending van oproeptermijn noch op grond van het niet voltallig aanwezig zijn van de Raad van Toezicht.

4.6.

Voor zover [eiser] zich heeft beroepen op schending van het beginsel van hoor en wederhoor bij de totstandkoming van het ontslagbesluit overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 9.2 van de statuten bepaalt dat slechts tot ontslag van een bestuurslid kan worden besloten indien de betrokkene in de gelegenheid is gesteld zich tegenover de Raad van Toezicht te verklaren. Uit de brief van 21 januari 2013 volgt dat [eiser] in de vergadering van diezelfde datum in de gelegenheid is gesteld zich te verklaren omtrent het voornemen hem te ontslaan als bestuurder van Stichting Vitaal Wonen alsmede omtrent het voornemen de arbeidsovereenkomst met hem te beëindigen. In die vergadering heeft (de raadsman van) [eiser] aangegeven niet in staat te zijn op het voornemen inhoudelijk te reageren omdat er onvoldoende tijd was geweest het rapport van Integis te bestuderen. De rechtbank is van oordeel dat het verweer van [eiser], dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden doordat hem onvoldoende tijd is vergund om het rapport van Integis te bestuderen, geen doel treft. [eiser] is immers voorafgaand aan de totstandkoming van het rapport van Integis in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de voor hem relevante delen van het concept van dat rapport en heeft daarop uitvoerig kunnen reageren. Dat (de raadsman van) [eiser] er evenwel voor gekozen heeft om bij die gelegenheid de conceptrapportage in al zijn onderdelen (bloot) te betwisten zonder daarop inhoudelijk in te gaan doet daaraan niet af. Bovendien is [eiser] in de brief van de 18 januari 2013 door de Raad van Toezicht in kennis gesteld van het feit dat het definitieve rapport van Integis vrijwel niet verschilt van het conceptrapport, zodat [eiser] van de inhoud van het rapport op de hoogte was en naar het oordeel van de rechtbank voldoende in staat moet zijn geweest om op het voornemen van de Raad van Toezicht te reageren.

[eiser] heeft voorts aangevoerd dat er onduidelijke redenen aan het ontslagbesluit ten grondslag liggen en dat het ontslagbesluit niet onverwijld is genomen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat uit de statuten niet volgt dat er (vergelijkbaar met de hierna te bespreken situatie van ontslag op staande voet) gewichtige redenen aan het ontslagbesluit ten grondslag moeten liggen zoals dat blijkens artikel 20 van die statuten voor het ontslag van een lid van de Raad van Toezicht wel het geval is. Omtrent de redenen voor het ontslag van bestuursleden en de termijn waarbinnen dit plaats dient te vinden geven de statuten geen regeling. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het voor [eiser] voldoende duidelijk was welke de redenen voor zijn ontslag waren nu deze uitdrukkelijk zijn genoemd in de hiervoor genoemde brief van 21 januari 2013.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het ontslagbesluit van 21 januari 2013 in stand kan blijven. Daaruit volgt dat het (voorwaardelijke) ontslagbesluit van 27 maart 2013 geen bespreking behoeft.

Het (arbeidsrechtelijke) ontslag op staande voet van 21 januari 2013

4.7.

[eiser] stelt zich – samengevat – op het standpunt dat er geen sprake is van dringende redenen die een ontslag op staande voet rechtvaardigen, althans dat die redenen aan hem niet eenduidig noch onverwijld zijn medegedeeld. De rechtbank overweegt dienaangaand als volgt.

4.8.

Stichting Vitaal Wonen heeft aan het ontslag op staande voet de navolgende redenen ten grondslag gelegd. Stichting Vitaal Wonen verwijt [eiser] dat hij de op hem rustende plichten uit hoofde van zijn functie als statutair directeur van Stichting Vitaal Wonen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst grovelijk heeft veronachtzaamd. Daarnaast voert Stichting Vitaal Wonen aan dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal en/of verduistering van gelden toebehorend aan Stichting Vitaal Wonen, waardoor [eiser] het vertrouwen van Stichting Vitaal Wonen onwaardig is geworden. Stichting Vitaal Wonen stelt zich op het standpunt dat op grond van de bevindingen in het rapport van Integis [eiser] niet langer gehandhaafd kan worden als bestuurder van Stichting Vitaal Wonen en zij ziet daarin een dringende reden gelegen voor een ontslag op staande voet.

4.9.

In artikel 7:678 BW is bepaald dat als dringende redenen voor de werkgever worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het Integis-rapport maakt in veelvoud melding van een handelwijze van [eiser] die naadloos aansluit bij de hiervoor gegeven kwalificatie van de dringende reden uit artikel 7:678 BW. De rechtbank kan [eiser] niet volgen in zijn standpunt dat het ontslag op staande voet is gebaseerd op vage verwijten aan het adres van [eiser]. Aan de beslissing ligt immers een uitgebreid onderzoek en rapport ten grondslag. [eiser] heeft de totstandkoming van het Integis-rapport als zodanig niet ter discussie gesteld en de conclusies uit het rapport onvoldoende weten te weerleggen. Stichting Vitaal Wonen is naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht overgegaan tot het ontslag op staande voet.

4.10.

De rechtbank volgt [eiser] evenmin in de stelling dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Niet gebleken is dat Stichting Vitaal Wonen heeft gedraald met het geven van het ontslag op staande voet. Stichting Vitaal Wonen heeft op goede gronden het Integis-rapport afgewacht en zij heeft zo voorkomen dat er een overhaaste beslissing zou worden genomen. Dat met de totstandkoming van het rapport enige tijd was gemoeid moge duidelijk zijn. Het rapport is op 3 januari 2013 uitgebracht. Het spreekt voor zich dat Stichting Vitaal Wonen de tijd genomen heeft om het rapport te bestuderen en daar uit de gevolgtrekking te maken die haar geraden acht. Vervolgens gaat Stichting Vitaal Wonen op 21 januari 2013 over tot het ontslag op staande voet. De rechtbank acht een dergelijke tijdspanne - mede gelet op het complexe karakter van de zaak - niet dusdanig dat van onverwijldheid geen sprake meer is. Het verweer van [eiser] slaagt dan ook niet.

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:686 BW

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:686 BW geen enkel doel dient aangezien vast staat dat de arbeidsovereenkomst op 21 januari 2013 reeds is geëindigd. Voor een schadevergoeding ex artikel 7:686 BW is dan ook geen plaats. De vordering derhalve worden afgewezen.

4.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting Vitaal Wonen worden begroot op:

- explootkosten € 103,82

- griffierecht 589,00

- salaris advocaat 904,00 (20,0 × tarief € 452,00)

Totaal € 1.596,82

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af.

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Stichting Vitaal Wonen tot op heden begroot op € 1.596,82.

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2014.

typ: JS/PH

mlzr: