Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:5467

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
03/661258-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld wegens het plegen van ontuchtige handelingen met zijn minderjarige buurmeisje. De rechtbank heeft bij de strafoplegging in het bijzonder rekening gehouden met het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en het slachtoffer alsmede de manipulatieve en slinkse wijze waarop verdachte contact met het slachtoffer heeft gelegd en heeft gehouden, alsmede de wijze waarop hij misbruik heeft gemaakt van zijn overwicht als volwassene. Weinig inzicht bij verdachte in het ontoelaatbare van zijn handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03/661258-13

Datum uitspraak : 25 juni 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman is mr. J. Guzik, advocaat te Echt.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 11 juni 2014.

De rechtbank heeft op 11 juni 2014 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 25 augustus 2009 tot en met 24 augustus 2010 in de gemeente Roermond, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer];

2.

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 25 augustus 2009 tot en met 24 augustus 2010 in de gemeente Roermond, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens) ontuchtig:

- door hem, verdachte, strelen en/of likken van de vagina van die [slachtoffer], en/of

- door hem, verdachte, strelen van de borst(en) en/of billen en/of rug van die [slachtoffer], en/of

- door hem, verdachte, kussen op/aan het lichaam van die [slachtoffer], en/of

- door die [slachtoffer] aan zijn, verdachtes, penis laten trekken en/of likken, in elk geval laten vastpakken van zijn, verdachtes penis.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding.

De verdediging heeft aangegeven dat de dagvaarding niet aan de verdachte is uitgereikt, maar dat de verdachte zich niet zal beroepen op de nietigheid van de dagvaarding.

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen akte van uitreiking bevindt. De rechtbank is van oordeel dat, nu de verdachte is verschenen en heeft aangegeven zich niet te beroepen op de nietigheid van de dagvaarding, de dagvaarding geldig is.

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat beide tenlastegelegde feiten zullen worden bewezen verklaard. De officier van justitie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er geslachtsgemeenschap tussen verdachte en het slachtoffer heeft plaatsgevonden. De officier van justitie heeft daarnaast gesteld dat het oraal bevredigen van verdachte door het slachtoffer, hetgeen verdachte heeft bekend, ook onder seksueel binnendringen valt.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft benadrukt dat verdachte steeds heeft verklaard dat geslachtsgemeenschap pas heeft plaatsgevonden nadat het slachtoffer zestien jaar oud was geworden. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat, voor zover andere seksuele handelingen hebben plaatsgevonden toen het slachtoffer vijftien jaar oud was, deze handelingen in tijd en aantal beperkt zijn gebleven.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 1 en feit 2 overweegt de rechtbank het volgende.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

[slachtoffer] heeft aangifte gedaan.2 Zij heeft – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt verklaard:

“Ik ben geestelijk en fysiek misbruikt door [verdachte]. Het misbruik heeft geduurd tot voor kort, tot ongeveer 2 a 3 maanden terug. Ik ben geboren op [geboortedatum 2]. [voornaam verdachte] woont in Roermond. Ik denk dat ik al 15 jaar oud was toen ik de eerste keer bij [voornaam verdachte] kwam. Een paar weken daarna kreeg ik een kus van [voornaam verdachte] op mijn mond. Dit was in de keuken bij [voornaam verdachte]. Ik denk ongeveer een week na die kus ben ik weer naar hem toe gegaan en hebben we voor de eerste keer seks gehad. [voornaam verdachte] trok toen mijn kleren uit, heel geleidelijk in zijn slaapkamer. We hebben seks op de zolder gehad. We hebben geslachtsgemeenschap gehad. Ik bedoel daarmee dat hij met zijn penis in mijn vagina naar binnen ging. Ik lag met mijn rug op de grond en [voornaam verdachte] lag boven op mij. Hij ging met zijn penis naar binnen en naar buiten totdat hij klaar kwam. Tijdens het penetreren kuste hij mij op de mond en met de tong in mijn mond. Ik weet dat ik 15 jaar oud was toen ik de eerste keer seks had met [voornaam verdachte]. Dit weet ik omdat je pas vanaf je 16e seks mocht hebben en ik weet dat ik dat dacht omdat ik iets had gedaan wat niet mocht.

[voornaam verdachte] en ik hebben met elkaar gekust met de tong. Ook hadden we gemeenschap op de zolder waarbij hij zijn penis in mijn vagina heen en weer bewoog. Dit gebeurde ook in zijn woning op de keukentafel. Ik schat dat dit wel minstens 100 keer is gebeurd. [voornaam verdachte] wilde altijd wel seks met mij. [voornaam verdachte] vingerde mij in de auto. Ik moest [voornaam verdachte] ook pijpen in de auto. Ik heb [voornaam verdachte] ook gepijpt bij hem thuis, in de woonkamer, op zolder, in de keuken, op de badkamer, op de computerkamer. Jullie vragen mij of ik [voornaam verdachte] ook heb afgetrokken. Ja, dat gebeurde ook op de genoemde plekken. Jullie vragen mij of ik door [voornaam verdachte] gebeft ben. Ja, dat gebeurde op de slaapkamer, tegelijkertijd in standje negenenzestig.”

Verdachte heeft ter terechtzitting3 – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt verklaard:

“Op een gegeven moment kwam [slachtoffer] bij mij thuis. Mijn gevoelens voor [voornaam slachtoffer] begonnen te versterken. Het waren gevoelens van interesse en genegenheid, maar ook seksuele gevoelens. Ze was al een aantal keren bij mij thuis geweest toen die zoen kwam. Ik wist toen hoe oud ze was. Toen was ze 15 jaar oud. Op een gegeven moment is het verder gegaan. Het is verder gegroeid naar strelen en knuffelen. Er vond pijpen, strelen en beffen en zo plaats. Het pijpen was voor haar zestiende. Volgens mij was het laatste contact in mei 2012. Het gebeurde wel vaker dat we samen onder de douche gingen toen ze nog vijftien was. Dat was overal strelen en naakt bij elkaar zijn. We hebben bij elkaar gelegen, gekust en elkaars intieme delen gekust. Toen [voornaam slachtoffer] vijftien was, waren de gevoelens en de fantasie er en er was een relatie. Aftrekken en vingeren waren ook toen aan de orde. Mijn echtgenote was niet op de hoogte van de seksuele handelingen tussen mij en [voornaam slachtoffer].”

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ontuchtige handelingen met [slachtoffer] heeft gepleegd toen zij nog geen zestien jaar was en dat deze handelingen mede hebben bestaan uit zowel pijpen als het hebben van geslachtsgemeenschap.

Op 21 april 2011 - [slachtoffer] is dan 16 jaar - vertelt [voornaam slachtoffer] de politie dat zij al een jaar een relatie heeft met verdachte en dat zij 15 jaar was toen de seks met verdachte begon. Als [voornaam slachtoffer] op 30 augustus 2012 aangifte doet vertelt zij eveneens dat ze 15 jaar was toen ze (voor het eerst) geslachtsgemeenschap had met verdachte. Dat is haar bij gebleven omdat ze toen dacht dat ze iets had gedaan wat niet mocht, namelijk het hebben van seks vóór haar zestiende. [voornaam slachtoffer] verklaart aldus stellig en noemt haar redenen van wetenschap.

Verdachte daarentegen verklaarde bij de politie nog dat volgens hem [voornaam slachtoffer] 16 was toen hij de eerste keer seks met haar had. Tegelijkertijd heeft hij in het ene politieverhoor verklaard dat [voornaam slachtoffer] 15 was toen hij met haar "een relatie" kreeg terwijl in het andere verhoor verklaarde dat hij dacht dat zij toen 16 was. Hij heeft ook bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat er iets mis is met zijn geheugen.

Onder de bovengenoemde omstandigheden hecht de rechtbank meer waarde aan de verklaring van [voornaam slachtoffer] en stelt zij de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij zeker weet dat [voornaam slachtoffer] 16 was toen hij voor het eerst geslachtsgemeenschap met haar had, terzijde.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij meermalen in de periode van 25 augustus 2009 tot en met 24 augustus 2010 in de gemeente Roermond, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die telkens mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer];

2.

hij meermalen in de periode van 25 augustus 2009 tot en met 24 augustus 2010 in de gemeente Roermond, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het telkens ontuchtig:

- door hem, verdachte, strelen en/of likken van de vagina van die [slachtoffer], en/of

- door hem, verdachte, strelen van de borst(en) en/of billen en/of rug van die [slachtoffer], en/of

- door hem, verdachte, kussen op het lichaam van die [slachtoffer], en/of

- door die [slachtoffer] aan zijn, verdachtes, penis laten trekken en/of likken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt buiten echt ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezen verklaarde. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

7 De oplegging van straf en/of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde de aanwijzingen van de reclassering opvolgen, ook als dat inhoudt een behandeling bij FPP De Horst dan wel enige andere door de reclassering aan te wijzen instelling.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om vooral geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Verdachte is graag bereid tot het uitvoeren van een taakstraf. De verdediging heeft verzocht om aan de proeftijd bijzondere voorwaarden te koppelen, waaronder behandeling bij FPP De Horst. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering te brengen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn minderjarige buurmeisje [slachtoffer]. Verdachte heeft daarmee een grote inbreuk op de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt, zoals is gebleken uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer].

Uit het dossier moet worden geconcludeerd dat verdachte zeer berekenend te werk is gegaan bij het verleiden van de vijftienjarige [slachtoffer]. Hij heeft eerst onder een andere naam ([naam]) contact met haar gelegd en gepeild of haar interesse in hem kon worden opgewekt. Toen dat het geval bleek, heeft hij direct contact met haar gezocht en zich over haar ontfermd. Het was hem als achterbuurman bekend dat de thuissituatie van [slachtoffer] problematisch was en dat zij behoefte had en gevoelig was voor de steun die hij als volwassene kon bieden. In die omstandigheden heeft hij vervolgens zijn eigen behoeften aan bevestiging en seksueel contact voorrang gegeven boven het hem bekende feit dat het een jong en kwetsbaar meisje was. Gebleken is dat de complicaties van deze ongelijke verhouding een grote last op het slachtoffer hebben gelegd. Daarbij is gebleken dat verdachte zeer ver ging in het manipuleren van [slachtoffer] teneinde zijn behoefte aan (voortzetting) van het contact maar zeker te stellen. De manipulatieve houding van verdachte heeft zich ook voortgezet na haar zestiende verjaardag. Verdachte is er bijvoorbeeld niet voor teruggedeinsd [voornaam slachtoffer] te dreigen tot openbaarmaking van door hem van haar gemaakte seksueel getinte afbeeldingen.

Op de terechtzitting is voorts gebleken dat verdachte het onjuiste van zijn handelen nog steeds niet inziet. Hij blijft in zijn uitlatingen uitgaan van het bestaan van een gelijkwaardige relatie. Daarmee miskent hij zijn verantwoordelijkheid als volwassene om bij kinderen onder de zestien jaar pertinent af te zien van seksueel contact, zelfs al zou de minderjarige tot een bepaalde mate daarmee instemmen. Door dit gebrek aan inzicht bestaat er een gevaar op herhaling van seksueel contact met een minderjarige onder de zestien jaar; die kan hem kennelijk de bevestiging en bevrediging schenken die hij in zijn eigen relatie ontbeerde (ontbeert). Vastgesteld moet worden dat verdachte na zijn aanhouding niet serieus heeft gezocht om voor dit afwijkend seksueel gedrag een behandeling te ondergaan. Ook op de zitting is (door gebrek aan inzicht) niet gebleken van echte motivatie om op dit vlak aan zichzelf te werken.

Het voorgaande rechtvaardigt dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Hoewel verdachte een blanco strafblad heeft, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een taakstraf of een andere of lagere straf dan een gevangenisstraf van langere duur, waarvan een gedeelte voorwaardelijk.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is bovendien gebleken dat verdachte zich nog aan een ander strafbaar feit schuldig heeft gemaakt. Dit ad informandum gevoegd feit staat vermeld op de tenlastelegging met parketnummer 04/860506-12. Dit feit, dat ter terechtzitting door verdachte is erkend als door hem begaan, heeft de rechtbank meegewogen in de op te leggen straf en dit feit is daarmee afgedaan.

De rechtbank zal, alles overwegende, aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank zal daarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht opleggen, ook als dat inhoudt een behandeling binnen FPP De Horst, dan wel enige andere door de reclassering aan te wijzen instelling, gelijk de verdediging heeft verzocht.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van een proeftijd van twee jaar de algemene voorwaarden of de bijzondere voorwaarde heeft overtreden;

  • -

    stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en,

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte

  • -

    zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland – ook als dat inhoudt deelname aan verder onderzoek en aan een daaruit geïndiceerde behandeling binnen FPP De Horst, dan wel enige andere door de reclassering aan te wijzen instelling, gedurende maximaal de periode van de proeftijd;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Goessen, voorzitter, mr. H.H. Dethmers en

mr. P.M.S. Dijks, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 juni 2014.

Buiten staat

Mr. H.H. Dethmers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg Noord, regionale recherche, Jeugd-/Slachtofferzorg en Zedenzaken opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL 2379 2011027816 d.d. 19 november 2013 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 30 augustus 2012, pagina’s 122-134.

3 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 11 juni 2014.