Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:5378

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-06-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
03/700658-13 en 03/873353-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging doodslag en poging zware mishandeling; veroordeling voor mishandeling; gevangenisstraf van een maand; gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

parketnummers: 03/700658-13 en 03/873353-11 (VTVV)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 juni 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Raadsvrouw is mr. S.G.E. Koumans, advocaat te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 11 februari, 15 april en 27 mei 2014. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden, dan wel heeft geprobeerd haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 2: [slachtoffer] heeft mishandeld.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde heeft zij vrijspraak gevorderd.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde, nu nergens uit blijkt dat aangeefster in levensgevaar is geweest en verdachte ook geen opzet had op de dood van aangeefster. Ten aanzien van de onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1

Op 8 november 2013 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van mishandeling door verdachte. Zij heeft verklaard dat hij haar bij de keel greep en deze met zijn duimen dicht drukte, waardoor zij geen lucht meer kreeg. Dat heeft volgens aangeefster minder dan twee minuten geduurd en hij liet op een gegeven moment vanzelf los. Hierdoor zijn krassen en striemen in haar nek ontstaan, hetgeen ook door verbalisanten is waargenomen.

Verdachte heeft verklaard dat hij zijn vriendin wilde tegenhouden en haar toen met beide handen om de nek vast pakte. Hij heeft daarbij niet hard geknepen.

Buren hebben verklaard dat zij die avond lawaai hoorden in de woning van verdachte en aangeefster, onder andere bestaande uit gesmeek van aangeefster.

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag te komen. Zij zal verdachte dan ook van het onder 1 primair tenlastegelegde vrijspreken.

Vervolgens is de vraag aan de orde of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster.

De rechtbank overweegt dat het gedurende langere tijd met kracht dichtknijpen van iemands keel een aanmerkelijke kans kan opleveren dat ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Immers op die plaats bevinden zich kwetsbare en vitale delen van het menselijk lichaam, zoals de luchtpijp. Gebrek aan zuurstof gedurende langere tijd zou tot een hersenbeschadiging kunnen leiden. In het onderhavige geval volgt echter noch uit de verklaringen van aangeefster en verdachte, noch uit het geconstateerde letsel – enkele krassen en striemen in de nek – noch uit de verklaringen van de getuigen, dat verdachte de keel van aangeefster langdurig en met veel kracht heeft dichtgeknepen. De stem van aangeefster was tijdens de ruzie immers goed hoorbaar voor de buren en toen de politie ter plaatse kwam had zij geen moeite met praten. Bovendien had zij geen noemenswaardig letsel aan haar hals.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er geen bewijs is dat het dichtknijpen van de keel van aangeefster door verdachte met voldoende intensiteit is geschied om een poging tot zware mishandeling op te leveren. Zij acht daarom ook het onder 1 subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte ook hiervan vrijspreken.

Feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] op

8 november 2013 heeft mishandeld door haar meerdere keren te slaan, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte2;

- de aangifte van [slachtoffer]3;

- de verklaring van [slachtoffer] en de waarnemingen van de verbalisant dat zij letsel heeft opgelopen4.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

op 8 november 2013 te Hoensbroek, in elk geval in de gemeente Heerlen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1

De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

feit 2: mishandeling, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

4.2

De strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de verdachte is door drs. M. van Heteren, GZ-psycholoog, een onderzoek naar de geestesvermogens van verdachte ingesteld. Van dit onderzoek heeft genoemde psycholoog een rapport opgemaakt, gedateerd 1 mei 2014. Dit rapport vermeldt als conclusie dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten lijdende was aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van afhankelijkheid van verschillende middelen (XTC, speed en alcohol). Verder heeft betrokkene niet het vermogen zijn eigen problemen in te schatten of zijn impulsieve en paranoïde gedachten te onderdrukken of te verhelpen. Hierdoor reageert hij ondoordacht en wordt hij wantrouwend. De tenlastegelegde feiten kunnen hem - indien bewezen - in verminderde mate worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

Verdachte is echter wel strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met de oriëntatiepunten en met het oog daarop een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. Verder heeft zij verzocht aan een eventueel op te leggen voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarde te verbinden van een opname in FPA De Woenselse Poort, zoals door de reclassering is geadviseerd.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zijn (toenmalige) vriendin, [slachtoffer], mishandeld door haar meermalen tegen het hoofd en het gezicht te slaan. Het slachtoffer heeft hierdoor pijn ondervonden. De mishandeling vond plaats in de woning van verdachte en aangeefster, waar ook hun jonge zoontje aanwezig was. Tevens weegt de rechtbank mee dat verdachte een uitgebreid strafblad heeft en dat het feit hem in verminderde mate is toe te rekenen.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van een maand, met aftrek van het voorarrest, een passende straf. De rechtbank heeft ook acht geslagen op de adviezen van de reclassering. De rechtbank zal deze adviezen echter niet overnemen. Zij ziet geen ruimte om naast de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook nog een deels voorwaardelijke straf op te leggen, nu het voorarrest van verdachte deze onvoorwaardelijke straf al ruimschoots overstijgt.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 562,71 ter zake van beide tenlastegelegde feiten, bestaande uit € 12,71 materiële schade en € 550,- immateriële schade. De benadeelde partij heeft verzocht genoemd bedrag te verhogen met de wettelijke rente en tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie heeft gevorderd deze vordering geheel toe te wijzen, het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de vordering voor wat betreft de immateriële schade dient te worden afgewezen, nu de benadeelde partij zich niet onder doktersbehandeling heeft hoeven stellen, er geen sprake was van aanzienlijk letsel en zij geen psycholoog heeft bezocht.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het gevorderde bedrag van € 550,- te matigen.

Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De vordering is voor wat betreft de materiële schade ad € 12,71 naar het oordeel van de rechtbank toewijsbaar. De benadeelde partij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij reiskosten heeft moeten maken.

De gevorderde immateriële schade ad € 550,- acht de rechtbank deels toewijsbaar.

De rechtbank overweegt, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en het dossier, dat voldoende vast staat dat [slachtoffer] immateriële schade heeft geleden. Verdachte heeft haar immers meerdere malen geslagen, waardoor zij letsel heeft opgelopen. Dit letsel bestond uit een snee in het oor. Ook had zij pijn aan haar hoofd en gezicht. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade echter matigen en naar billijkheid toewijzen tot een bedrag van € 200,-. De vordering is immers alleen toewijsbaar ten aanzien van het letsel waarvan vast staat dat [slachtoffer] dat door het handelen van verdachte heeft opgelopen. Nu verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken, zal het letsel aan de keel van [slachtoffer] niet bij de beoordeling van de vordering worden betrokken.

De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij daarnaast ook de psychische gevolgen van de mishandeling en de negatieve gevoelens die zij daaraan heeft overgehouden graag op de dader zou willen verhalen. De wet stelt echter strenge eisen aan het verhalen (op daders) van deze negatieve gevoelens. Verhaal is alleen dan mogelijk als er sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake indien het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Gevoelens van angst, schrik, onzekerheid en nervositeit vallen niet onder het bereik van het wetsartikel. Eventuele ernstigere psychische schade is op basis van de door genoemde benadeelde partij aangevoerde gegevens onvoldoende aangevoerd. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] derhalve toe tot een totaalbedrag van € 212,71 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 november 2013 tot aan de dag van volledige voldoening. Zij zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Voor het overige is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Maastricht d.d. 1 augustus 2012 aan verdachte opgelegde voorwaardelijke werkstraf van 50 uren.

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering af te wijzen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij vonnis van de politierechter te Maastricht d.d. 1 augustus 2012 met parketnummer 03/873353-11 is veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 50 uren met een proeftijd van twee jaren. Nu verdachte in deze proeftijd wederom een strafbaar feit heeft gepleegd, heeft hij zich niet gehouden aan een van de voorwaarden die bij voornoemd vonnis werden bepaald. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van tenuitvoerlegging. De rechtbank zal dan ook de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 50 uren bevelen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezen verklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4.1 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van een maand;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

  • -

    veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer], [adres slachtoffer] te betalen een bedrag van € 212,71 (tweehonderdtwaalf euro en eenenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 2013 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] € 212,71 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2013;

  • -

    bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer] vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 1 augustus 2012 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 03/873353-11 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een taakstraf van 50 uren, bij niet verrichten te vervangen door 25 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J.M.E. Kessels en

mr. S.V. Pelsser, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Mahovic, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 juni 2014.

1 Voor zover de in het vonnis vermelde feiten en omstandigheden door de rechtbank redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde, wordt hierna in de voetnoten verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de rechtbank deze feiten en omstandigheden ontleent. Tenzij anders aangegeven, maken deze bewijsmiddelen deel uit van het eindproces-verbaal met registratienummer PL 2432 2013122169 van de politie Regio Limburg-Zuid, Inspecteur van dienst, dat is doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 42 en in de wettelijke vorm is opgemaakt.

2 De processen-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 35 en 39.

3 Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer], pagina 10, met als bijlagen foto’s van het letsel, pagina’s 12 en 13.

4 Het proces-verbaal verhoor aangeefster, pagina 15.