Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:5297

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-06-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_1661u
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkenheid bij c.q. de bekendheid met de verzending van grote hoeveelheden aangiftebiljetten en dergelijke aan de partner van leidinggevende. Het (tegen betaling) verrichten van niet toegestane nevenwerkzaamheden. Bewust onjuist invullen van aangiftes.

Doen van onjuiste (eigen) aangifte Inkomstenbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB ROE 13 / 1661

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juni 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.P.L.C. Dijkgraaf),

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. B.E. Lamberti),

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser onvoorwaardelijk strafontslag aangezegd. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 april 2013 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2014.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser was sedert 1985 werkzaam bij de Belastingdienst/Belastingtelefoon. Na eiser het voornemen daartoe te hebben bekendgemaakt, waarop deze zijn zienswijze heeft gegeven, heeft verweerder eiser bij het primaire besluit onvoorwaardelijk strafontslag aangezegd. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat:

(1) eiser weet heeft gehad van en hulp geboden heeft bij het daadwerkelijk (door de heer [de V.], hierna: [de V.]) uitgevoerde plan ongevraagd een zeer groot aantal belastingformulieren met enveloppen aan de echtgenoot van hun leidinggevende ([naam]) te versturen;

(2) eiser verboden werkzaamheden heeft verricht in de zin van het voor derden, al dan niet tegen betaling, verrichten van fiscale werkzaamheden (het verzorgen van aangiftes Inkomstenbetaling);

(3) eiser bewust aangiften onjuist heeft ingevuld (met vaak gefingeerde aftrekposten m.b.t. ziektekosten, giften, buitengewone lasten en studiekosten) en

(4) eiser de aangifte Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2008 onjuist heeft ingevuld (o.m. niet opgeven van neveninkomsten uit voornoemde werkzaamheden, het ten onrechte opvoeren van scholingsuitgaven, afschrijvingskosten op computers en ziektekosten, waaronder de aftrek van zonnebrillen en een deel van de reisverzekering dat niet ziet op ziektekosten).

Volgens verweerder is de opgelegde straf evenredig aan de verweten gedragingen. Eiser heeft onvoldoende besef (getoond) van zijn maatschappelijke positie als belastingambtenaar en het belang van een integere uitstraling naar de burger. Bij de afweging zijn het lange dienstverband, alsmede het feit dat eiser nimmer bestraft is, meegenomen.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder het plaatsen van de ongevraagde bestellingen niet kan bewijzen. Eiser is slechts één keer achteraf door [de V.] geïnformeerd over het feit dat deze ongevraagd post had verzonden. Eiser heeft zich niet schuldig gemaakt aan verboden fiscale nevenactiviteiten en heeft dientengevolge ook geen inkomsten hieruit gegenereerd. Eiser bestrijdt derden te hebben aangezet tot het doen van een onjuiste aangifte, alsmede de onrechtmatigheid van zijn eigen aangifte.

2.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.1

Met betrekking tot de betrokkenheid bij c.q. de bekendheid met de verzending van grote hoeveelheden aangiftebiljetten en dergelijke aan de partner van zijn leidinggevende.

Voor de rechtbank is op basis van de zich bij de stukken bevindende transcriptie van een telefoongesprek tussen eiser en [de V.] afdoende komen vaststaan dat eiser in ieder geval kennis heeft gehad van het verzenden door [de V.] van grote hoeveelheden aangiftebiljetten en dergelijke aan de partner van hun leidinggevende. Ook indien die transcriptie gecorrigeerd wordt met de door eiser daarover gemaakte opmerkingen, biedt die voldoende houvast voor de conclusie dat eiser kennis heeft gedragen van de activiteiten van [de V.]. Dat eiser de opname van het gewraakte telefoongesprek, zoals hij stelt, onder embargo aan de heer [D.] zou hebben verstrekt is, gelet op de verklaring van [D.] in diens email van 10 februari 2014, niet aannemelijk. Maar ook indien dat anders zou zijn, baat dat eiser niet. Verweerder heeft in dat verband terecht verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 januari 2004, LJN AO3220. Daarnaast staat vast dat eiser over deze verzendingen aan verweerder geen openheid van zaken heeft gegeven. Dit had wel van hem mogen worden verwacht.

2.2

Met betrekking tot het (tegen betaling) verrichten van niet toegestane nevenwerkzaamheden.

Verweerder heeft zijn standpunt in dezen onderbouwd door middel van een rapport van zijn opsporingsambtenaren [R.] en [A.]. Aan dat rapport zijn verklaringen toegevoegd van personen die hebben aangegeven dat eiser (en niet alleen eisers echtgenote) belastingaangiftes voor hen heeft verzorgd. Eiser heeft verklaringen van een aantal andere personen overgelegd, die aangeven dat de voor hen verrichte fiscale werkzaamheden uitsluitend door eisers echtgenote zijn verricht en die (deels) ook verklaren dat ook zij benaderd zijn door de voornoemde opsporingsambtenaren en dat zij door deze onder druk zijn gezet.

De door eiser gegeven en overgelegde verklaringen zijn voor de rechtbank onvoldoende om de conclusies in het rapport van [R.] en [A.] opzij te zetten. Een groot aantal personen maakt melding van directe betrokkenheid van eiser, waarbij met name de verklaringen van eisers collega’s [de V.] en [W.] gedetailleerd aangeven wat diens rol is geweest. Dat [A.] en [R.] hun bevoegdheden zouden hebben misbruikt door personen onder druk te zetten is de rechtbank niet gebleken.

2.3

Met betrekking tot het bewust onjuist invullen van aangiftes.

Op grond van de hiervoor genoemde verklaringen van [de V.] en [W.], alsmede op grond van de –eveneens onvoldoende gemotiveerd weersproken– verklaringen van de in de stukken als mevrouw F en mevrouw M aangeduide personen, is voor de rechtbank afdoende komen vaststaan dat eiser actief betrokken is geweest bij het doen van aangiftes met gefingeerde aftrekposten m.b.t. ziektekosten, giften, buitengewone lasten en studiekosten.

2.4

Met betrekking tot het doen van een onjuiste (eigen) aangifte Inkomstenbelasting over het jaar 2008.

Ook al is het beroep tegen de op die aangifte gevolgde aanslag thans nog onder de (belasting)rechter, op grond van het hiervoor onder 2.2 en 2.3 overwogene zal het ervoor gehouden moeten worden dat eiser in ieder geval neveninkomsten heeft verzwegen. Voor het overige past de rechtbank, vanwege het beroep tegen die aanslag, terughoudendheid.

3.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat eiser zich ook in de visie van de rechtbank heeft schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Van ambtenaren in het algemeen, maar van belastingambtenaren zo mogelijk nog meer, mag verwacht worden dat zij integer en onkreukbaar zijn. Eiser is hierin op een aantal onderdelen meerdere malen ernstig tekortgeschoten. Het aan eiser gegeven onvoorwaardelijk strafontslag is, niettegenstaande diens langdurig dienstverband, niet onevenredig.

4.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Bruijnzeels (voorzitter), en mr. A.W.P. Letschert en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr.mr. I.M.T. Wijnands, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2014. De griffier is niet in staat de uitspraak mede te ondertekenen.

w.g. mr. P.J.M. Bruijnzeels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 juni 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.