Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:5187

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
28-01-2015
Zaaknummer
AWB-13_1792u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:4524
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan eiser een legesaanslag opgelegd ten bedrage van € 5,10 in verband met het verstrekken van kopieën in het kader van een Wob-verzoek. Eiser is van mening dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn verzoek om vooraf opgave te doen van de aan de inwilliging van het Wob-verzoek verbonden kosten. Daarnaast heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat volgens jurisprudentie in het kader van de Wob geen leges in rekening kunnen worden gebracht. De rechtbank is van oordeel dat uit het Wob-verzoek van eiser niet kan worden opgemaakt dat eiser het verstrekken van de informatie afhankelijk heeft willen stellen van een voorafgaande kostenopgave. Verder is eiser volgens de Verordening op de heffing en invordering van leges 2013 en de daarbij behorende tarieventabel van de gemeente Heerlen leges verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2015/116
FutD 2015-0289
NTFR 2015/3245 met annotatie van Mr. R. van den Berg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13 / 1792

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts),

en

de heffingsambtenaar van stadsregio Parkstad Limburg, verweerder

(gemachtigden: mr. M.G.G. Hilkens en [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een legesaanslag opgelegd ten bedrage van € 5,10.

Voornoemde leges is geheven in verband met het verstrekken van kopieën in het kader van een WOB-verzoek.

Bij besluit van 19 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de legesaanslag ongegrond verklaard en de legesaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2014. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Bij brief van 26 februari 2013 heeft eiser het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht documenten betreffende een naheffingsaanslag parkeerbelasting toe te zenden. Daarbij heeft eiser verzocht om elektronische toezending van de gevraagde informatie, indien aan de tegemoetkoming aan het verzoek kosten waren verbonden, vooraf daarvan aan hem opgave te doen.

2.

Bij besluit van 1 april 2013 heeft verweerder aan eiser de legesaanslag opgelegd. De legesaanslag is opgelegd wegens naar aanleiding van het Wob-verzoek aan eiser verstrekte fotokopieën.

3.

Eiser voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn verzoek om vooraf opgave te doen van de aan de inwilliging van het Wob-verzoek verbonden kosten. Voorts voert eiser aan dat de in rekening gebrachte kosten zien op de afhandeling van een Wob-verzoek en dat op grond van jurisprudentie, onder andere het arrest van de Hoge Raad (LJN: BZ0693), in het kader van de Wob geen leges in rekening mogen worden gebracht.

4.

De rechtbank heeft te beoordelen of verweerder de legesaanslag terecht en op goede gronden heeft opgelegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

5.

De rechtbank is van oordeel dat uit het Wob-verzoek van eiser niet kan worden opgemaakt dat eiser het verstrekken van de informatie afhankelijk heeft willen stellen van een voorafgaande kostenopgave, zodat het feit dat verweerder geen kostenopgave heeft gedaan niet betekent dat verweerder ten onrechte tot het verstrekken van informatie en het opleggen van een legesaanslag is overgegaan.

6.

Wat betreft de vraag of terecht voor het verstrekken van de kopieën leges zijn geheven overweegt de rechtbank dat eiser volgens de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2013 en de daarbij behorende tarieventabel van de gemeente Heerlen voor het verstrekken van informatie als bedoeld in de Wob in de vorm van fotokopieën een bedrag aan leges is verschuldigd.

7.

De rechtbank is van oordeel dat uit de jurisprudentie niet volgt dat kopiekosten, in tegenstelling tot kosten van werkzaamheden, die bij het verstrekken van informatie naar aanleiding van een Wob-verzoek zijn gemaakt, niet in rekening kunnen worden gebracht.

8.

Ingevolge artikel 2 van de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2013 (hierna: de Legesverordening 2013) worden onder de naam “leges” rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

9.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Legesverordening 2013 worden de leges geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Ingevolge Hoofdstuk 10 artikel 1.10.1.2 van de Verordening op de heffing en de invoering van leges 2013 is een tarief van € 0,30 per kopie in rekening gebracht. Dit bedrag is volgens verweerder opgebouwd uit kopiekosten van € 0,11 per pagina en ambtelijke kosten voor het uitvoerende werk (uitgaande van een uurtarief van € 92).


10. Onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 27 augustus 2002 (ECLI:NL:GHARN:2002:AE8932) is de rechtbank van oordeel dat ter zake van het verstrekken van kopieën als in onderhavige zaak het geval, uitsluitend de kosten van het vervaardigen van kopieën in enge zin door middel van het heffen van leges in rekening kunnen worden gebracht. Tot die kosten behoren wel de arbeidskosten van de kopiërende ambtenaar zelf, maar niet de kosten van het opzoeken en weer opbergen van de stukken.

Nu verweerder heeft toegelicht hoe het tarief is berekend, is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat de in rekening gebrachte kopieerkosten van € 0,30 per kopie enkel zien op de daadwerkelijke kopieerkosten en niet de kosten voor het opzoeken en opbergen van de stukken behelzen.


Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX5240) betreffende de WOB. Ingevolge artikel 12 van de WOB kunnen net als op grond van artikel 7:4, vierde lid van de Awb slechts de kopieerkosten inclusief arbeidskosten van de kopiërende ambtenaar in rekening worden gebracht. In deze Afdelingsuitspraak wordt voor de beoordeling van de in rekening gebrachte leges aansluiting gezocht bij de tarieven genoemd in het Besluit tarieven openbaarheid van bestuur. Op grond van de tarieven in dit besluit - minder dan 6 kopieën: gratis; 6 tot 13 kopieën: € 4,50; 14 of meer kopieën: € 0,35 per kopie - kunnen de kosten variëren van

€ 0,00 tot € 0,75 per kopie, afhankelijk van het aantal kopieën.
Het door verweerder gehanteerde tarief per kopie van € 0,30 wijkt niet zodanig af van deze tarieven dat de rechtbank hierin aanleiding zou moeten zien te concluderen dat hierin ook de arbeidskosten van het opzoeken en opbergen van de documenten zijn begrepen.

11.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat sprake is van dubbele kosten omdat bepaalde kopieën tweemaal verstrekt zijn. Het gaat hier immers om kopieën waarop op de ene kopie wel en op de andere kopie niet een id-bewijs van de BOA is te zien.

12.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder de verzochte informatie in kopie vorm mocht verstrekken nu deze op papier beschikbaar was en digitalisering ervan onredelijk extra werk en kosten met zich mee zou brengen.

13.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Oosterman, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. Haddoumi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2014.

w.g. S. Haddoumi,

griffier

w.g. A.W. Oosterman

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 juni 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.