Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:5117

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
2712767 CV EXPL 14-728
Rechtsgebieden
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over onbetaald gelaten gedeelte kosten uitvaart. Al dan niet ‘opdracht’ nabestaande V. aan uitvaartcentrum Y. tot verzorging van een uitvaart in de vorm van werkzaamheden ‘met bij levering onderdelen en/of materialen’ klaagt V. terecht over ‘stiekeme’ omzetting van naturaverzekering in een verzekering van een vast/gemaximeerd bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht / Kantonrechter

Zaaknummer 2712767 CV EXPL 14-728

Vonnis van 21 mei 2014

in de zaak

de besloten vennootschap YARDEN UITVAARTZORG B.V.

gevestigd te Almere

verder ook te noemen: “Yarden”

eisende partij

gemachtigde: mr. L. Lacroix, werkzaam bij “Flanderijn en Bronsvoort”, deurwaarderskantoor te Almere

tegen

[gedaagde]

wonend te [woonplaats] , [adres]

verder ook te noemen: “ [gedaagde] ”

gedaagde partij

in persoon procederend

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Yarden heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 14 januari 2014 in rechte betrokken voor een vordering als uiteengezet in het exploot van dagvaarding, tegelijk waarmee een specificatie / schriftelijke toelichting alsmede negen producties in fotokopievorm aan [gedaagde] betekend zijn.

[gedaagde] heeft, na verkregen uitstel, schriftelijk geantwoord onder bijvoeging van 33 producties.

Vervolgens hebben partijen voor repliek respectievelijk dupliek geconcludeerd.

Yarden heeft bij repliek tevens haar eis verminderd en zij heeft een tiende en elfde productie (vreemd genoeg als prod.11 en prod.12 aangemerkt) aan de eerder geproduceerde negen stukken toegevoegd.

Hierna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak op vandaag gesteld is.

MOTIVERING

a. het geschil

Yarden vorderde aanvankelijk de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 3 982,31, te vermeerderen met primair de overeengekomen rente naar 12% per jaar, subsidiair de wettelijke handelsrente en meer subsidiair de wettelijke rente over een daarvan deel uitmakend bedrag van € 2 464,09 (‘de (openstaande) hoofdsom’), een en ander onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten.

Yarden baseerde bij exploot haar vorderingen op de uitvoering van een niet nader geëxpliciteerde ‘opdracht’ om ‘voor rekening van gedaagde partij een uitvaart te verzorgen, voorzover toepasselijk met bijlevering van benodigde onderdelen en/of materialen’ en wel tegen ‘de hiervoor overeengekomen, althans redelijke en gebruikelijke prijzen’. Omdat [gedaagde] de deswege verstrekte factuur van 14 januari 2010 (blijkens de verder niet toegelichte tekst van een geproduceerd - uitermate vaag gekopieerd - stuk dat als onderdeel van de tweede productie toegevoegd was) tot in totaal € 6 426,61 gedeeltelijk onbetaald liet - en wel voor een ‘al geruime tijd opeisbaar’ bedrag van € 2 464,09 - stelde Yarden een vordering in rechte in, waarbij zij tevens aanspraak maakte op contractuele / wettelijke rente. De contractuele rente zou gebaseerd zijn op ‘toepasselijke’ algemene voorwaarden, ten aanzien waarvan niet gesteld is dat. wanneer en hoe die ‘toepasselijkheid’ tussen Yarden en [gedaagde] (immers niet haar verzekerde) bedongen is. Yarden bepaalde de tot de datum van dagvaarding volgens haar vervallen contractuele rente bij exploot op een bedrag van € 1 155,22. Daarnaast zou [gedaagde] door diens ‘toerekenbaar tekortkomen’ nog € 363,00 aan (vergoeding van) buiten rechte gemaakte kosten verschuldigd zijn.

Yarden weersprak in voortgezet debat hetgeen [gedaagde] bij antwoord tegen de vordering ingebracht had, zoals zij al eerder bij exploot summier op een geprognosticeerd verweer ingegaan was (onder andere met een eerder - inmiddels vervallen - aanbod om uit coulance het te vorderen bedrag tot € 2 000,00 in hoofdsom te beperken en met verdere opmerkingen over zichzelf opgelegde beperkingen om redenen van ‘coulance’).

Zij heeft bij repliek uitleg gegeven omtrent een poliswijziging in 2006/2007 ten aanzien van een groep verzekerden, onder wie de ouders van [gedaagde] en heeft te dien aanzien gewezen op de ‘keuzebrief’ van 4 oktober 2007 die bij antwoord reeds ingebracht was en op de uitleg die zij daaraan gaf. [gedaagde] en niet zijn moeder is in dezen als opdrachtgever aan te merken en zal dus ook de rekening moeten voldoen. [gedaagde] miskent volgens Yarden de betekenis van het voorlopige kostenoverzicht van 5 november 2011. Ten aanzien van diverse kostenposten heeft Yarden bij repliek haar positie alsnog (of nader) verklaard, deels onder verwijzing naar hetgeen zij op 24 oktober 2013 al per brief (bijlage) aan uitleg gegeven had, ook ten aanzien van een aantal gecrediteerde (afgeboekte of alsnog vergoede) kostenposten.

Wel heeft Yarden alsnog in voortgezet debat haar renteclaim gecorrigeerd. Zonder een berekening bij te voegen stelt zij de post vervallen rente nader op € 329,58, een reductie van € 825,64 die ook doorwerkt in het totaal te vorderen bedrag dat nu uitkomt op € 3 156,67.

[gedaagde] verweert zich omstandig tegen de hoofdvordering, maar ook tegen de nevenvorderingen. Dit verweer komt sterk samengevat op het volgende neer. Yarden opereert misleidend doordat zij een destijds via AVVL Uitvaartzorg N.V. afgesloten ‘natura’ verzekering van [gedaagde] ’s ouders in 2007 (ondanks verzekering van het tegendeel) ten nadele van de verzekerde omgezet wil zien in een ‘verzekerd bedrag’ (van variërende omvang). Deze handelwijze riep bij allerlei betrokkenen ook toen al een ‘storm van kritiek’ op, onder meer geventileerd via TROS Radar, en is naar het oordeel van [gedaagde] succesvol teruggedraaid na ingrijpen van de Ombudsman Financiële Dienstverlening (KiFiD) en na een klacht waarbij ook zijn ouders zich aangesloten hadden. Hun is toen de keuze geboden dat zij ‘het oude pakket van dienst afnemen zoals u dat tot 1 januari 2007 had, ongeacht de kosten van dat pakket’ of de uitvaart laten uitvoeren overeenkomstig de dan geldende polis met ‘ledenkorting’. Yarden claimde volgens [gedaagde] aanvankelijk ten onrechte een bedrag van € 6 476,61 waarmee de volgens haar gemaakte (en door hem ten dele betwiste) kosten het ‘verzekerde bedrag’ van € 4 068,68 zouden hebben overschreden (een ‘stiekeme’ omzetting van de naturaverzekering in de ogen van [gedaagde] ). Met betaling van in totaal € 2 522,16 binnen 33 dagen acht [gedaagde] zich gekweten, waartegenover Yarden op een steeds wisselend restantbedrag aanspraak is blijven maken.

Naast de vertragingsrente van 12% die Yarden oorspronkelijk claimde (later vervangen door rente naar de wet), bestrijdt [gedaagde] ook de gerechtvaardigdheid van talrijke kostenposten (of de omvang daarvan) die in de eindafrekening voorkomen alsmede buitengerechtelijke kosten.

In voortgezet debat heeft [gedaagde] nog uitdrukkelijk gestipuleerd nimmer akkoord te zijn gegaan met de algemene voorwaarden ‘NUVU’ en/of ‘V.O.U.’ zoals Yarden die voor het eerst bij repliek in het geding bracht (en die mogelijk golden voor Yarden zelf in haar verhouding tot de ouders van [gedaagde] ).

de feiten en omstandigheden

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of ondeugdelijk weersproken, en mede op basis van de inhoud van in dit opzicht onbetwist gebleven producties staat tussen partijen het navolgende vast.

  • -

    De op 4 november 2009 kort na middernacht overleden vader van [gedaagde] , de heer [naam vader] , was met zijn echtgenote via hun lidmaatschap van de vereniging voor crematie AVVL sinds 1 juli 1992 tegen halfjaarlijkse premiebetaling verzekerd bij AVVL Uitvaartzorg N.V. voor de volledige bekostiging van crematie of begrafenis.

  • -

    Nadat Yarden de plaats van AVVL ingenomen had (door rechtsopvolging dan wel eenvoudige naamswijziging), had zich een debat met [naam vader] (en andere onder dezelfde voorwaarden verzekerde personen) ontwikkeld over het rechtenpakket / de mate waarin de dekking in natura voorzag in materiële voorzieningen en diensten met betrekking tot de uitvaart.

  • -

    Na een uitspraak van de Ombudsman van de stichting Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (KiFiD) heeft Yarden in een aan de ouders van [gedaagde] gerichte brief van 4 oktober 2007 op hun klacht doen weten: “Uw nabestaanden kunnen dus kiezen of zij het oude pakket van diensten afnemen zoals u dat tot 1 januari 2007 had, ongeacht de kosten van dat pakket. Maar zij houden ook de mogelijkheid om de uitvaart te laten uitvoeren overeenkomstig de dan geldende polis met ledenkorting.”

  • -

    Yarden legt die garantie aldus uit dat bij een keuze voor de uitvoering op basis van een later ‘geldende’ polis (de tweede - hier niet toepasselijke - optie) een uitvaart uitgevoerd wordt tegen dan geldende prijzen voor de alsdan gekozen voorzieningen en dat op de totaalprijs de actuele ‘verzekerde waarde’ van de oorspronkelijke polis en de ledenkorting in mindering komen. Bij toepassing van de eerste optie (waarvan in casu sprake is) legt Yarden de toezegging van 4 oktober 2007 - vanuit het idee van een ‘naturasommen verzekering’ (wat daar dan ook onder verstaan wordt) - aldus uit dat ‘het dan geldende verzekerde bedrag met het ledenvoordeel dat Yarden Uitvaartzorg B.V. ter beschikking stelt als zij de uitvaart verzorgen voldoende (is) om de diensten uit het pakket te vergoeden’ (randnummer 6 van de repliek).

  • -

    De uitleg van [gedaagde] komt erop neer dat het destijds verzekerde pakket voorzieningen als zodanig gegarandeerd is en dat slechts de prijs van (extra) voorzieningen die dat pakket overschrijden, door de verzekeraar niet vergoed zal worden (en dus door de opdrachtgever afzonderlijk aan de uitvoerder betaald dient te worden).

  • -

    [gedaagde] heeft als opdrachtgever voor de uitvaart van [naam vader] ten opzichte van opdrachtnemer ‘ [naam uitvaartcentrum] ’ (in de persoon van [naam] ) gekozen voor uitvoering van ‘het oude pakket’ (de eerste optie), waarvan hij aannam dat deze het geheel althans het grootste deel van de uitvoeringskosten zou dekken.

  • -

    In een ‘kostenoverzicht’ van 5 november 2009 (aan het slot voorzien van de vetgedrukte waarschuwing ‘’Dit betreft een keuzerecht, herberekening volgt’) kwam bedoeld uitvaartcentrum, volgens het gebruikte briefpapier gevestigd aan Heugerstraat 4a te Brunssum, handelsregisternummer 14057566, (voorlopig) uit op een kostenbedrag van € 5 203,30, waarvan € 1 314,12 voor rekening van de opdrachtgever zou blijven.

  • -

    Op briefpapier met logo en gegevens van Yarden heeft ‘ [naam uitvaartcentrum] ’ (zonder vermelding van een persoonsnaam en opnieuw zonder opgave van de rechtsvorm van de onderneming aan welke de verzorging van de uitvaart door [gedaagde] opgedragen was), op 12 januari 2010 na de kennelijk (buiten medeweten van [gedaagde] ) gemaakte ‘herberekening’ [gedaagde] een kostenberekening voor de op 10 november 2009 verzorgde uitvaart doen toekomen. Die berekening kwam opeens uit op een bedrag van € 10 545,29 aan totale kosten en een bedrag van € 6 255,90 dat voor rekening van opdrachtgever [gedaagde] diende te komen.

  • -

    Op 14 januari 2010 heeft - nu weer - ‘ [naam uitvaartcentrum] ’ (zonder voorvoegsel ‘Peters’ en met wel de eigen adresgegevens) de thans gedaagde [gedaagde] een nota voor de uitvaart van 10 november 2009 gestuurd ten bedrage van € 6 476,61.

  • -

    [gedaagde] heeft in reactie hierop bij brief van 31 januari 2010 aan Yarden zijn bezwaren kenbaar gemaakt (omdat het uitvaartcentrum zijn berekening kennelijk baseerde op de door de verzekeraar aangehouden uitgangspunten) en heeft laten weten vooralsnog tot betaling van slechts € 1 339,30 over te gaan, het bedrag waarover volgens zijn berekening geen twijfel kon bestaan dat het voor zijn rekening diende te komen (hij specificeerde een en ander en plaatste vraagtekens bij enige restposten).

  • -

    Op 15 februari 2010 heeft [gedaagde] in een brief aan wederom Yarden erkend dat ook een post advertentiekosten ad € 699,51 voor zijn rekening diende te komen, maar per onderdeel gespecificeerd beargumenteerd dat dit niet gold voor de opgevoerde kosten van volgauto’s (€ 840,00) en ‘wachttijd volgauto’s’ (€ 1 200,00). Door hertelling kwam [gedaagde] op een kostenpost voor vier volgauto’s ad € 644,46 uit, waarvan er één onder het bereik van het verzekerde pakket diende te vallen, zodat hij zich ook nog een bedrag van € 483,35 schuldig achtte.

  • -

    [gedaagde] betaalde dienovereenkomstig per 16 februari 2010 nog € 1 182,86, de optelsom van de twee genoemde erkende kostenposten buiten de dekking van de verzekering.

  • -

    Na veel vruchteloos heen en weer schrijven met diverse externe ‘adviseurs’ van Yarden (die steeds van niets wisten) heeft de directeur van Yarden per brief van 24 oktober 2013 aan [gedaagde] alsnog - maar zeer ten dele - haar ongelijk erkend: de brieven van 31 januari 2010 en 15 februari 2010, waarvan de ontvangst steeds bestreden was, bleken ‘zich wel degelijk in onze administratie (te) bevinden’. Door aanvullende creditering van bedragen van € 220,71 en € 179,04 kwam Yarden uit op een ten aanzien van [gedaagde] volgens haar nog openstaande post van € 3 554,70. Volgens de ‘rechtenlijst’ die intern gemaakt was, zou [gedaagde] ‘€ 399,75 minder hebben hoeven betalen’ en volgens een zich niet bij de processtukken bevindend ‘overzicht’ als bijlage bij haar brief zou de directeur van Yarden nadere uitleg verschaft hebben omtrent haar voorstel om het ‘nog te betalen bedrag van € 2.464,09’ (volstrekt nieuw en ten processe niet toegelicht) bij wijze van compromis tot € 2 000,00 te beperken.

  • -

    [gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod om door betaling van € 2 000,00 voor 1 december 2013 het geschil te regelen, omdat hij zich niets schuldig acht.

de beoordeling

Yarden is in haar mettertijd ontplooide redeneringen en standpunten volstrekt onnavolgbaar en heeft ook door het tijdsverloop in combinatie met de herhaalde pertinente ontkenning van de ontvangst van relevante brieven van [gedaagde] van 31 januari 2010 en 15 februari 2010 (….) de schijn behoorlijk tegen. Daarbij komt nog eens het punt waar partijen omzichtig omheen gemanoeuvreerd zijn, dat in de relatie [gedaagde] / Yarden geen sprake is van de hoedanigheid van verzekerde tegenover die van verzekeraar, noch van een relatie van een opdrachtgever en een opdrachtnemer. Niet Yarden heeft immers de opdracht tot verzorging van de uitvaart van [naam vader] (geboren [geboortedatum] ) aanvaard, begroot, uitgevoerd en gedeclareerd, maar de verder in haar presentatie buiten beeld blijvende uitvaartondernemer ‘ [naam uitvaartcentrum] ’ (zelfstandig ondernemer of rechtspersoon). Dat dit uitvaartcentrum na het opmaken van een voorlopig ‘kostenoverzicht’ op 5 november 2009 overleg diende te hebben met Yarden over de consequenties van de keuze voor uitvoering van ‘het oude pakket van diensten’ zoals de verzekerde [naam vader] dat ‘tot 1 januari 2007 had’, spreekt vanzelf, maar dat verklaart een aantal volgende ontwikkelingen niet. Allereerst heeft Yarden bij exploot een kopie van een ander ‘kostenoverzicht’ van 5 november 2009 van de kant van [naam uitvaartcentrum] ingebracht dan dat waarover [gedaagde] beschikt en dat op een bedrag van € 7 087,81 in plaats van € 5 203,30 uitkomt. Waar [gedaagde] stelt dat hij de keuze voor het oude pakket bekrachtigde door het zetten van zijn handtekening op het overzicht met de begrote prijs van € 5 203,30, laat Yarden (of [naam uitvaartcentrum] ) na om dat ondertekende exemplaar in te brengen. Misschien gaat het te ver om dit ‘vervalsing’ te noemen, zoals [gedaagde] doet, maar vreemd is het wel. [gedaagde] heeft dus nimmer getekend voor een kostenbegroting in de orde van grootte zoals Yarden die in rechte presenteert, en Yarden en [naam uitvaartcentrum] gedragen zich dus niet naar behoren als zij [gedaagde] daar wel aan willen houden. Belangrijker dan dit punt van onzorgvuldigheid is de totstandkoming van de berekende uiteindelijke kosten, omdat wel vaststaat dat een ‘herberekening’ in de eerste begroting in het vooruitzicht gesteld was. Die ‘herberekening’ (althans het resultaat) is totaal ondoorzichtig, terwijl [gedaagde] daar ook in geen enkel opzicht bij betrokken is (hoogstens bij de samenstelling van het wensenpakket dat daar invloed op heeft). Ook achteraf goochelt Yarden / [naam uitvaartcentrum] met steeds wisselende bedragen aan kosten en/of te verrekenen verzekeringsbijdrage. Kennelijk heeft de uitvaartverzorger slechts de consequenties van bepaalde keuzen van [gedaagde] met Yarden besproken, zonder de uitkomst daarvan aan [gedaagde] voor te leggen en deze vervolgens geïnformeerd een definitieve keuze voor een compleet pakket voorzieningen en diensten te laten maken. Al met al een bewijs van onvermogen van de verzekeraar én de uitvaartondernemer, waarvan (zij het versluierd) ook de brief d.d. 24 oktober 2013 van de directeur van Yarden enigszins blijk geeft.

Het heeft er - als eerder gememoreerd - toch wel sterk de schijn van dat hier de verkeerde partij in rechte optreedt, niet aan de kant van de in rechte aangesproken persoon zoals [gedaagde] suggereert (die immers meent dat de verzekeringsrelatie tussen Yarden en zijn moeder bepalend zou moeten zijn), maar aan de kant van de eisende partij. Niet in te zien valt immers op welke titel Yarden van [gedaagde] , ter zake van een opdracht waar zij buiten staat, betaling kan vorderen van het restant (onbetaald gebleven gedeelte) van een nota van 14 januari 2010 waarbij [naam uitvaartcentrum] de door deze ondernemer / onderneming gemaakte kosten in rekening brengt en waarin Yarden slechts figureert in de zin dat de verzorger van de uitvaart (Peters) van Yarden als verzekeraar twee ‘aftrekposten’ vergoed krijgt. Hoogstens had Yarden het verschil van opvatting met haar verzekerde over de omvang van de dekking en daarmee de waarde van de in aftrek gebrachte (harerzijds aan de uitvoerder vergoede) posten aan de rechter kunnen voorleggen. Zij stelt immers niet dat zij zelf alle resterende kosten aan de uitvaartondernemer vergoed heeft en door subrogatie of anderszins (bijvoorbeeld cessie) in diens rechten getreden is. Op zijn minst is Yarden dus in haar gemotiveerde stelplicht (ook) ten aanzien van het bestaan van een eigen vorderingsrecht tekortgeschoten, zodat afwijzing van de vordering reeds daarom voor de hand gelegen had. Toch zal de kantonrechter daartoe niet overgaan, omdat partij Yarden en partij [gedaagde] er belang bij hebben dat op het inhoudelijke geschil over de verzekeringsdekking beslist wordt.

Voor het geval verzekeraar Yarden en niet [naam uitvaartcentrum] thans recht kan doen gelden op betaling van een eventueel - na correcte toepassing van de verzekeringsdekking - resterend bedrag aan uitvaartkosten, is het volgende van belang en kan op die basis beslist worden.

In het licht van de gehele voorgeschiedenis, uitvoerig geschetst door [gedaagde] en niet (althans niet voldoende gemotiveerd) weersproken door Yarden, is een voor de verzekerde [naam vader] complete dekking van een uitvaart in natura per 1 januari 2007 vervangen door een afspraak die voor de verzekerde de (in casu benutte) keuzemogelijkheid opende zijn uitvaart te laten plaatsvinden naar de toen (op 1 januari 2007) geldende standaard. Bepalend voor die standaard is dus niet, in weerwil van hetgeen Yarden zonder enige argumentatie verdedigt, een op enig moment gefixeerd uit te keren geldbedrag dat zij keer op keer aanduidt als ‘verzekerd bedrag’ (al dan niet met inbegrip van ‘ledenkorting’ en al dan niet aan inflatie aangepast), laat staan een bedrag dat Yarden eenzijdig bepaalt aan de hand van volstrekt onduidelijke criteria. De bij brief van 4 oktober 2007 na een klacht en na interventie van KiFiD aan de beide verzekerden (de ouders van [gedaagde] ) door Yarden geboden garantie behelsde immers als eerste optie ‘het oude pakket van diensten dat de verzekerde tot 1 januari 2007 had, ongeacht de kosten van dat pakket’(cursivering kantonrechter). In redelijkheid valt hierin met de beste wil van de wereld niet de bedoeling te lezen dat de verzekeraar een vast bedrag (‘verzekerde som’) garandeert. Wel wordt de verzekerden een per die datum gefixeerd pakket (zonder verdere uitbreidingen na 31 december 2006) beloofd, ongeacht de kostenstijgingen die zich ten aanzien van de gegarandeerde zaken, voorzieningen en diensten nadien voor mochten doen. In plaats van een opsomming, liefst op basis van reeds in 2007 aan haar verzekerden gedane opgaven van het aldus per 1 januari 2007 normbepalende pakket (dus niet dat van november 2004 dat [gedaagde] noodgedwongen ter vergelijking hanteerde, kennelijk omdat hem of zijn moeder niet een actueler overzicht beschikbaar gesteld was), put Yarden zich in deze procedure uit in omzichtige redeneringen die steeds uitgaan van bedragen in plaats van gegarandeerde rechten (zaken, voorzieningen en diensten in soorten en aantallen). Een vergelijking van het gegarandeerde pakket en de inhoud van de uitvaartopdracht van november 2009 als enig aanvaardbare basis van een kostenopstelling is niet gemaakt, althans niet in het geding gebracht. Yarden besteedt in haar repliek wel aandacht aan diverse door [gedaagde] betwiste afzonderlijke kostenposten, maar gaat grotendeels voorbij aan de beslissende hoofdvraag hoe in de nota de kosten van de uitvaart van 10 november 2009 gerelateerd zijn aan de actuele waarde / kostprijs van het pakket rechten zoals dit per datum 1 januari 2007 naar inhoud en niet naar prijs gegarandeerd was.

Yarden blijft, al dan niet tegen beter weten in, bij repliek vasthouden aan een ‘verzekerd bedrag’ van € 3 889,64 waarvoor de solide basis ontbreekt. Waar bovendien het eigen kostenoverzicht van [gedaagde] op diverse (naar aard en/of omvang) betwiste posten minstens zo goed beargumenteerd is als de tegenwerpingen van Yarden in haar repliek en waar extra twijfel over de gerechtvaardigdheid van de totaalopstelling te putten valt uit de brief van 24 oktober 2013 en de daarin gepresenteerde ‘eindberekening’ (neerkomend op € 2 464,09 en bij wijze van compromis gereduceerd tot € 2 000,00), rest weinig anders dan algehele afwijzing van de vordering van Yarden. Een deugdelijke feitelijke basis voor het gevorderde ontbreekt op deze wijze immers. Nu Yarden tot tweemaal toe (bij exploot én in haar repliek) naliet om haar veel te globale bewijsaanbod toe te spitsen op de terdege gemotiveerde betwisting door [gedaagde] van haar uitgangspunt én berekeningen, kan zij zelfs niet (indien al anderszins gerechtvaardigd) tot bewijslevering toegelaten worden. Het is immers volstrekt onduidelijk wat Yarden met welk specifiek bewijsmiddel denkt te kunnen aantonen.

Haar ongelijk resulteert tot slot in de verwijzing van Yarden in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] bepaald op een bedrag van € 50,00 aan geschatte kosten van verlet, reizen en correspondentie.

BESLISSING

.

De vordering van Yarden wordt afgewezen.

Yarden wordt daarom verwezen in de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde] op een bedrag van € 50,00 bepaald worden en die zij aan hem dient te vergoeden op een door [gedaagde] aan haar kenbaar te maken wijze (betaling bij voorkeur binnen veertien dagen na een dergelijke kennisgeving).

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.