Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:5104

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-06-2014
Datum publicatie
06-06-2014
Zaaknummer
C/03/189843 KG ZA 14-174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering om aan verweerder een verbod op te leggen tot het (kort gezegd) doen van uitlatingen die eiseres “op ongunstige wijze” in verband brengen met de “Arnhemse villamoord”. Geen juridische grond voor oplegging van een dergelijk verbod voor zover met ongunstig niet is bedoeld onrechtmatig. Voor zover met ongunstig ook onrechtmatig bedoeld is, is geoordeeld dat een ieder gehouden is om zich niet op onrechtmatige wijze jegens eiseres uit te laten. Aangezien eiseres heeft nagelaten om de door haar gestelde toekomstige onrechtmatige uitlatingen van verweerder te concretiseren, wordt de vordering, mede gelet op de gevorderde dwangsom, als onvoldoende specifiek afgewezen.

Vordering tot betaling van voorschot op materiële en immateriële schadevergoeding op grond van (gestelde) onrechtmatige uitlatingen in het gepubliceerde boek wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/189843 KG ZA 14-174

Vonnis in kort geding van 6 juni 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonend te [woonplaats eiseres],

eisende partij,

advocaat mr. M.F. Kossen

tegen

[verweerder] ,

wonend te [woonplaats verweerder],

gedaagde partij,

advocaat mr. P.B.A. Acda.

Partijen zullen hierna aangeduid worden als [eiseres] en [verweerder].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte tot wijziging en vermeerdering van eis

  • -

    de van de zijde van [eiseres] bij faxberichten van 23 en 26 mei 2014 ingediende aanvullende producties

  • -

    de van de zijde van [verweerder] bij faxbericht van 22 mei 2014 en bij twee faxberichten van 23 mei 2014 ingediende producties

  • -

    de mondelinge behandeling en de daarbij door partijen overgelegde pleitnota’s en de van de zijde van [verweerder] overgelegde ondertekende versie van productie 20

  • -

    het proces-verbaal van 26 mei 2014 met de daaraan gehechte door partijen ondertekende regeling die tevens behelst dat onderdeel I. van de vordering door [eiseres] is ingetrokken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 2 september 1998 is [slachtoffer] doodgeschoten in de door haar bewoonde villa te Arnhem. Voor dat feit zijn negen personen strafrechtelijk veroordeeld. [eiseres] was een vriendin van [slachtoffer]. [eiseres] was ten tijde van de gebeurtenis op 2 september 1998 in de villa aanwezig.

2.2.

In het kader van het zogenoemde “Project Gerede Twijfel” is onder leiding van [verweerder] en [betrokkene 1] (beiden docent aan de Universiteit Maastricht) onderzoek verricht naar de bewijsmaterialen die hebben geleid tot de veroordeling van de negen personen. De bevindingen van dat onderzoek zijn vastgelegd in het boek [titel boek] (hierna: het boek), van welk boek [verweerder] co-auteur is. De strekking van het boek is - samengevat - dat de bewuste negen personen enkel op basis van valse bekentenissen en derhalve ten onrechte zijn veroordeeld. Verder worden in het laatste hoofdstuk van het boek (hoofdstuk 10) vraagtekens geplaatst bij de rol die [eiseres] heeft gespeeld rond het overlijden van [slachtoffer].

2.3.

Op enig moment in 2013 heeft [verweerder] een college aan de Universiteit Maastricht gewijd aan “de Arnhemse Villamoord”.

2.4.

Het boek is medio januari 2014 gepubliceerd.

2.5.

[verweerder] heeft in diezelfde periode de tekst van het boek (in pdf-vorm) aan [eiseres] ter beschikking gesteld. [eiseres] heeft vervolgens dit bestand aan haar broer doorgezonden. De broer van [eiseres] heeft op de door hem beheerde website [website] de tekst van het boek enige weken voor eenieder gratis ter beschikking gesteld.

2.6.

Op voorspraak van [betrokkene 2], leider van Project Gerede Twijfel, is op 27 januari 2014 de uitgave van het boek gestaakt. Hiervan heeft [betrokkene 2] bij e-mail van 27 januari 2014 mededeling aan de broer van [eiseres] gedaan. De e-mail bevat voorts de volgende passage: “Tussen de eerdere versie van de tekst over de villamoord die ik zag en de versie die nu is uitgegeven, is ten minste één essentieel onderdeel aan het boekje toegevoegd: een verhandeling waarin wordt besproken dat wellicht het overlevende slachtoffer de dader is. Dat is een bijzonder speculatief stuk tekst. (…) In een kwestie als de onderhavige had ten minste uw zus de gelegenheid moeten hebben om in het boekje een weerwoord te geven.”

2.7.

In een uitzending van het televisieprogramma Eenvandaag van 5 februari 2014, in welke uitzending ook [eiseres] in beeld en aan het woord komt, heeft [verweerder] verklaard dat als je erover gaat nadenken “je onvermijdelijk uitkomt bij beschuldigingen in de richting van [eiseres]”.

2.8.

[verweerder] heeft [eiseres] bij e-mail van 5 februari 2014 aangeboden om haar een nawoord van maximaal 1500 woorden bij het boek te laten schrijven. [verweerder] heeft [eiseres] daarbij medegedeeld dat, indien zij dit voorstel niet aanvaardt, het boek wat hem betreft opnieuw ongewijzigd op de markt zal komen.

2.9.

Bij brief van 4 maart 2014 heeft [eiseres] dat voorstel afgewezen en [verweerder] voorgesteld om bepaalde, in de brief concreet aangeduide, passages in het (opnieuw uit te geven) boek te verwijderen.

2.10.

[verweerder] heeft bij e-mail van 9 april 2014, onder verwijzing naar de brief van 4 maart 2014, aan [eiseres] medegedeeld dat de betwiste passages uit het boek verwijderd zullen worden. Bij e-mail van 11 april 2014 heeft [verweerder] [eiseres] medegedeeld dat hij volledig zal meewerken aan het bewerkstelligen van een nieuwe versie waarin de betwiste passages zijn verwijderd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert na verandering en vermeerdering van eis en na intrekking van het aanvankelijk gevorderde onderdeel I.:

II. aan [verweerder] een verbod op te leggen tot het doen van uitlatingen in de ruimste zin des woords, mondeling, schriftelijk of digitaal, waarbij [eiseres] direct of indirect, met haar eigen naam of een andere naam, als vriendin van [slachtoffer], op een ongunstige wijze in verband wordt gebracht met de “Arnhemse villamoord”, dan wel de moord op [slachtoffer];

III. [verweerder] te veroordelen om aan [eiseres] een voorschot van € 15.000,00 te betalen op de door haar geleden schade wegens de publicatie van het boek, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van voldoening;

IV. te bepalen dat [verweerder] een dwangsom van € 5.000,00 aan [eiseres] verschuldigd is, voor iedere keer dat [verweerder] vanaf het moment van betekening van dit vonnis, de in dit vonnis opgelegde verboden overtreedt, en € 5.000,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, een en ander met een maximum van € 500.000,00;

V. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding.

3.2.

[eiseres] voert ter onderbouwing van de vordering (samengevat) het volgende aan.

Zij stelt dat [verweerder] meermaals in de media haar op zeer ongunstige wijze in verband gebracht

heeft met de moord op [slachtoffer]. De uitzending van 5 februari 2014 is in haar ogen het

belangrijkste voorbeeld daarvan. Zij wijst voorts op het door [verweerder] in 2013 gegeven college

aan de Universiteit Maastricht. Zij stelt gegronde vrees te hebben dat [verweerder] op andere

wijzen dan door middel van publicatie van het boek zijn standpunt met betrekking tot de rol

van [eiseres] bekend zal maken. [eiseres] voert voorts aan dat zij door de publicatie van het boek

in haar goede eer en naam geschaad is. De immateriële schade die daarvan het gevolg is

begroot zij op minimaal € 25.000,00. Zij verwijst voor wat betreft dit bedrag naar de ANWB

Smartengeldgids. Daarnaast stelt zij materiële schade geleden te hebben ter hoogte van

€ 10.640,44, welk bedrag gelijk staat aan de kosten van rechtsbijstand overeenkomstig de overgelegde urenspecificatie van haar advocaat. Gelet op deze schade acht [eiseres] het door haar gevorderde voorschot redelijk.

3.3.

Het verweer van [verweerder] strekt tot afwijzing van de vordering.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij aan [verweerder] betekend exploot van 20 mei 2014 heeft [eiseres] haar vordering veranderd en vermeerderd. Het bezwaar van [verweerder] tegen die verandering en vermeerdering is reeds ter zitting verworpen. De verwijzing van [verweerder] naar art. 130 lid 3 Rv gaat niet op nu die bepaling ziet op de situatie dat de gedaagde partij niet verschijnt, terwijl [verweerder] in deze procedure wel verschenen is. [verweerder] heeft voorts gesteld dat hij (en zijn gemachtigde) onvoldoende tijd gehad hebben om op de veranderde en vermeerderde eis verweer te voeren. Die stelling biedt onvoldoende grond om de verandering en vermeerdering van eis buiten beschouwing te laten. Daartoe wordt overwogen dat [verweerder] inhoudelijk verweer voert tegen de veranderde en vermeerderde eis en voorts moet worden geconstateerd dat de verandering en vermeerdering van eis niet zijn ingegeven door andere feiten dan die aan de oorspronkelijk ingediende eis ten grondslag gelegd zijn. Nu ook anderszins niet is gebleken dat [verweerder] door de verandering en vermeerdering van eis in zijn verdediging is geschaad of de eisen van een goede procesorde zich daartegen verzetten, zal bij de verdere beoordeling van de veranderde en vermeerderde eis worden uitgegaan en zal daarop worden beslist.

4.2.

Aanvankelijk heeft [eiseres] (onder I. van het petitum van de dagvaarding)

- samengevat - ook gevorderd om [verweerder] te verbieden de door haar in de brief van 4 maart 2014 genoemde delen van het boek te (laten) publiceren, openbaar te maken, te koop aan te bieden of op enige andere wijze van die delen gebruik te maken. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat voor [verweerder] dit verbod zal gelden, waarna [eiseres] dit deel van de vordering met instemming van de advocaat van [verweerder] heeft ingetrokken. Het tussen partijen gevoerde debat over de vraag of de in dat onderdeel opgesomde passages in het boek onrechtmatig zijn jegens [eiseres], behoeft derhalve in beginsel geen verdere bespreking, tenzij de overige gevorderde onderdelen daartoe alsnog aanleiding geven.

4.3.

Ten aanzien van onderdeel II. van de vordering van [eiseres] wordt als volgt overwogen.

4.3.1.

[verweerder] doet een beroep op de exceptio plurium litis consortium. Hij verwijst in dat verband naar art. 26 van de Auteurswet, stellende dat dit artikel de gevolgen van een gezamenlijk auteursrecht regelt. [verweerder] betoogt dat (onder I. en) onder II. een verbod van publicatie gevorderd wordt, dat een beslissing over publicatie aan alle auteurs toekomt en dat een verbod tot publicatie jegens alleen [verweerder] niet effectief is nu de mede-auteurs van [verweerder] dan ondanks dat verbod vrijelijk tot publicatie over kunnen gaan. Dit verweer slaagt niet. Kennelijk werpt [verweerder] dit verweer op voor zover onder het begrip “uitlatingen” in de vordering onder II. ook de publicatie door [verweerder] en mede-auteurs van werken die onder de Auteurswet vallen verstaan dient te worden. Van een processueel ondeelbare rechtsverhouding is in een dergelijke situatie evenwel geen sprake. Anders dan [verweerder] betoogt, is het immers niet rechtens noodzakelijk dat de in deze procedure te nemen beslissing ten aanzien van al de, volgens [verweerder], betrokkenen gelijkluidend is, althans - meer in het bijzonder - dat een bij vonnis aan [verweerder] op te leggen verbod tot publicatie van werken ook tegen eventuele mede-auteurs van die werken gezag van gewijsde moet krijgen. Het bepaalde in artikel 26 van de Auteurswet biedt bovendien geen steun aan de visie van [verweerder].

4.3.2.

[eiseres] voert aan te vrezen dat [verweerder] in de nabije toekomst in de media, tijdens colleges of anderszins, uitspaken zal doen die haar in haar goede eer en naam aantasten. Het spoedeisend belang bij dit onderdeel van haar vordering is gelet op die onderbouwing, waar [verweerder] in zoverre geen verweer tegen gevoerd heeft, in voldoende mate komen vast te staan.

4.3.3.

[eiseres] vordert om aan [verweerder] een verbod op te leggen tot het (kort gezegd) doen van uitlatingen die [eiseres] “op ongunstige wijze” in verband brengen met de “Arnhemse villamoord”. Wat onder “op ongunstige wijze” moet worden verstaan, heeft [eiseres] in de door haar overgelegde stukken niet verder geconcretiseerd. Ter zitting heeft zij wel betoogd dat daar in ieder geval ook onder dient te worden verstaan “op onrechtmatige wijze”. Aangezien er geen juridische basis is voor oplegging van een verbod tot het doen van uitlatingen voor zover die uitlatingen niet onrechtmatig, maar wel ongunstig zijn voor [eiseres], is dit gedeelte van het onder II. gevorderde reeds om die reden niet toewijsbaar. De voorzieningenrechter zal onderdeel II. van de vordering derhalve beoordelen voor zover daarbij is gevorderd aan [verweerder] een verbod op te leggen tot het doen van onrechtmatige uitlatingen.

4.3.4.

Bij beantwoording van de vraag welke uitlatingen als onrechtmatig bestempeld dienen te worden dient een afweging gemaakt te worden tussen enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting van [verweerder] die als wetenschapper een (mogelijke) misstand nu en in de toekomst aan de kaak wil (blijven) stellen en anderzijds het recht van [eiseres] om als individu verschoond te blijven van blootstelling aan openbare of openbaar gemaakte onjuiste of lichtvaardige verdachtmakingen via de pers, internet of op andere wijze. Bij deze afweging moeten alle ter zake dienende omstandigheden van het geval betrokken worden en volgens vaste jurisprudentie in het bijzonder:

  1. de aard van de uitlatingen waarin een verdenking of aantijging besloten ligt, en de redelijkerwijs te verwachten gevolgen voor degene jegens wie de verdenking wordt geuit of die aantijging wordt gedaan;

  2. de ernst – ook maatschappelijk gezien – van de misstand welke de uitlatingen aan de kaak beogen te stellen;

  3. de mate waarin ten tijde van de uitlatingen de verdenkingen steun vinden in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal;

  4. e inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a tot en met c genoemde factoren;

  5. de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten uitlatingen via onder meer de pers en internet, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt kan worden;

  6. een mogelijke beperking van het door de uitlatingen te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat de betrokken uitlatingen, ook zonder de verweten openbaarmaking of terbeschikkingstelling aan onder meer de pers, in de publiciteit zullen komen;

  7. het gezag dat derden zullen toekennen aan degene die de uitlatingen doet;

  8. de maatschappelijke positie en publieke gedragingen van degeen over wie de uitlatingen worden gedaan.

4.3.5.

Gelet op de wijze waarop [eiseres] haar vordering onder II. heeft geformuleerd, komt de voorzieningenrechter niet toe aan een afweging van de omstandigheden zoals onder 4.3.4. opgesomd. Voor zover [eiseres] vordert [verweerder] te verbieden uitlatingen te doen die haar op een onrechtmatige wijze in verband brengen met de “Arnhemse villamoord” dan wel de moord op [slachtoffer], moet immers geoordeeld worden dat het evident is dat iedereen, en [verweerder] dus ook, [eiseres] niet op onrechtmatige wijze in verband met die gebeurtenis mag brengen. Voor het opleggen van een verbod en een daaraan te koppelen dwangsom dient [eiseres] echter wel te concretiseren welke specifieke jegens haar onrechtmatige toekomstige uitlatingen van [verweerder] zij op het oog heeft. [eiseres] heeft dat evenwel nagelaten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het niet zijn taak is om dan ambtshalve aan te vullen welke mogelijke toekomstige uitlatingen van [verweerder] onrechtmatig jegens [eiseres] zullen zijn.

Anders gezegd, het door [eiseres] gevorderde verbod is zodanig algemeen geformuleerd dat het, mede gelet op de gevorderde aan dat verbod te koppelen dwangsommen, reeds om die reden niet toewijsbaar is.

4.4.

Nu de vordering onder II. afgewezen zal worden, volgt daaruit dat de vordering onder IV. eveneens niet toewijsbaar is.

4.5.

Ten aanzien van het onder III. gevorderde voorschot op een aan [eiseres] toekomende vergoeding van materiële en immateriële schade heeft [verweerder] met de stelling dat er geen sprake is van een acuut liquiditeitsprobleem aan de zijde van [eiseres] de spoedeisendheid van deze gevorderde voorziening betwist. Nu [eiseres] daar niets tegenin gebracht heeft, moet het ervoor gehouden worden dat haar financiële situatie geen spoedeisend belang bij de door haar gevorderde voorziening heeft doen ontstaan. Aangezien [eiseres] evenmin andere (niet-financiële) gronden aangevoerd heeft op grond waarvan thans geoordeeld zou moeten worden dat het resultaat van een nog te voeren bodemprocedure niet afgewacht kan worden, moet het ervoor gehouden worden dat [eiseres] geen spoedeisend belang heeft bij dit onderdeel van haar vordering, zodat dit zal worden afgewezen.

4.6.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 1.278,00, waarvan € 816,00 aan salaris advocaat en € 462,00 griffierecht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 1.278,00,

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft onderdeel 5.2. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H. Brandts, voorzieningenrechter, en is in het openbaar uitgesproken.