Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4975

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
C/03/179010/HA ZA 13-123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging rechtshandeling, (ver)koop van een wagenpark, wegens het ontbreken van schriftelijke vastlegging ingevolge artikel 2:247 BW. Over het algemeen zal ook door latere vastlegging aan het voorschrift kunnen worden voldaan, maar wel pas ná de wilsovereenstemming tussen partijen. De verkoop van het wagenpark valt buiten de normale bedrijfsuitoefening van failliet als bouwbedrijf.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 247
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0232
RI 2014/72
RO 2014/55
NJF 2014/340
JONDR 2014/944
JOR 2014/322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

C/03/179010 / HA ZA 13-1236 november 2013

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/179010 / HA ZA 13-123

Vonnis van 28 mei 2014

in de zaak van

[eiser]

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap [naam] Bouw B.V.,

wonend te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. L.C.H.J. Hox te Beek (Maastricht-Aachen Airport),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WILDO HOLDING B.V.,

gevestigd te Beek,

gedaagde,

advocaat mr. B.M.M. Hepkema te Valkenburg aan de Geul.

Partijen zullen hierna de curator en Wildo Holding worden genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van deze rechtbank van 6 november 2013, en

  • -

    de conclusie van antwoord na eiswijziging en –vermeerdering.

1.2.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van de rechtbank [woonplaats] van 2 oktober 2012 is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] (hierna: failliet) op eigen aanvraag in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator tot curator.

2.2.

Wildo Holding is sinds 15 mei 2003 enig aandeelhouder en enig statutair bestuurder van failliet. De heer [naam] (hierna: [naam]) is enig aandeelhouder en bestuurder van Wildo Holding en daarmee (tevens) getrapt bestuurder van failliet.

2.3.

De rechter-commissaris heeft de curator machtiging verleend om de onderhavige procedure te entameren en, daaraan voorafgaand, conservatoir beslag te leggen.

2.4.

Overige feiten zullen hierna bij de beoordeling worden vastgesteld.

3 Het geschil

3.1.

De curator heeft ten eerste gesteld dat failliet op 1 oktober 2012 een betaling van
€ 2.500,00 aan [naam] heeft verricht, zulks onder vermelding van “wildo holding bv beek terugbetaling lening.” Op dat moment was het faillissement van failliet reeds aangevraagd, maar nog niet door de rechtbank [woonplaats] uitgesproken. De beweerdelijk aan de betaling ten grondslag liggende geldleningsovereenkomst is niet in de administratie van failliet aangetroffen noch door failliet overgelegd. De curator heeft deze rechtshandeling middels de aanzegging bij dagvaarding vernietigd.

3.2.

Ten tweede heeft de curator betoogd dat failliet op 31 december 2010 nog eigenaar was van diverse voertuigen, maar een jaar later, te weten op 31 december 2011, niet meer. In de administratie van failliet zijn 2 facturen aangetroffen, gedateerd op 3 januari 2011 respectievelijk 27 december 2011 (hierna: factuur 1 en 2). Factuur 1 heeft betrekking op de verkoop van een Mercedes Benz met kenteken 22-ZG-JG van failliet aan Wildo Holding voor een bedrag van € 63.478,92 (inclusief BTW). Factuur 2 betreft de verkoop van een negental andere auto’s van failliet aan Wildo Holding voor een totaalbedrag van € 61.725,89 (inclusief BTW). Aan deze transacties ligt geen “schriftelijke overeenkomst” ten grondslag, hetgeen volgens de curator primair in strijd is met artikel 2:247 BW, zodat hij de vernietiging hiervan bij brief van 24 juni 2013 heeft ingeroepen. Subsidiair dient de transactie van de auto’s van factuur 2 als paulianeus te worden aangemerkt. Genoemde bedragen zijn door Wildo Holding betaald middels verrekening in rekening-courant van een schuld van failliet aan Wildo. Uit de jaarrekening blijkt, aldus de curator, dat failliet op 31 december 2010 nog een schuld van € 92.591,00 aan Wildo Holding had, terwijl zij een jaar later, op 31 december 2011, een rekening-courant vordering van € 13.535,00 op Wildo Holding had. Na de verkoop heeft Wildo Holding de negen voertuigen (uitgezonderd de Mercedes Benz) vervolgens verhuurd aan failliet. Op grond van die huurovereenkomsten heeft failliet in 2012 een bedrag van € 26.180,00 aan huurpenningen aan Wildo Holding betaald middels verrekening in rekening-courant, zulks onverschuldigd, gelet op het voorgaande.

3.3.

Ten derde heeft de curator aangevoerd dat de accountant van failliet de grootboekmutatiekaarten aan de curator ter beschikking heeft gesteld, waarin onder meer het kasboek is opgenomen. Hoewel zij volgens de curator slechts tot en met 19 september 2012 zijn bijgewerkt, is dat volgens [naam] niet zo en zouden de kaarten zijn bijgewerkt tot de dag van faillietverklaring op 2 oktober 2012. Gelet hierop houdt de curator het ervoor dat de grootboekmutatiekaarten de rechten en verplichtingen van de vennootschap weergeven zoals deze bestonden ten tijde van de faillietverklaring. Op 19 september 2012 vertoonde het kasboek nog een positief saldo van € 1.418,53. Op de dag van faillietverklaring had dit bedrag dus nog aanwezig moeten zijn, hetgeen echter niet het geval was. Daarnaast blijkt volgens de curator dat op 29 augustus 2012 nog een bedrag van € 4.000,00 uit de kas ten behoeve van “privédoeleinden” is onttrokken. Een en ander levert op een ernstig verwijt ex artikel 2:9 BW aan Wildo Holding als bestuurder van failliet.

3.4.

Op grond van het vorenstaande heeft de curator, na wijziging c.q. vermeerdering van eis, samengevat gevorderd

( a) ten aanzien van het onder 3.1 gestelde:

  • -

    een verklaring voor recht dat de rechtshandeling, bestaande in de betaling van
    € 2.500,00, na de aanzegging bij dagvaarding is vernietigd, subsidiair de vernietiging van die rechtshandeling, een en ander op grond van artikel 47 Fw, alsmede

  • -

    veroordeling van Wildo Holding tot terugbetaling van het bedrag van € 2.500,00 aan de faillissementsboedel;

( b) ten aanzien van het onder 3.2 gestelde:

  • -

    een verklaring voor recht dat de rechtshandelingen, bestaande in de overdracht van de Mercedes Benz, genoemd in factuur 1, en de voertuigen, genoemd in factuur 2, door de curator zijn vernietigd bij diens schrijven van 24 juni 2013, subsidiair de vernietiging van die rechtshandelingen, een en ander bij gebreke van schriftelijke vastlegging van die rechtshandelingen op grond van artikel 2:247 BW,

  • -

    meer subsidiair een verklaring voor recht dat het samenstel van rechtshandelingen dat heeft geleid tot de overdracht van de voertuigen, genoemd in factuur 2, met de daarop volgende verrekening van de verkoopsom in rekening-courant, na de aanzegging bij dagvaarding is vernietigd, nog meer subsidiair de vernietiging van het samenstel van die rechtshandelingen, een en ander op grond van artikel 42 Fw,

  • -

    veroordeling van Wildo Holding tot betaling van een schadevergoeding van
    € 63.478,92 respectievelijk € 61.725,89 aan de boedel, alsmede

  • -

    veroordeling van Wildo Holding om de onverschuldigd betaalde huurpenningen ad
    € 26.180,00 aan de boedel terug te betalen;

c) ten aanzien van het onder 3.3 gestelde:

- veroordeling van Wildo Holding tot betaling van een schadevergoeding van
€ 5.418,53 wegens een tekortkoming in de behoorlijke nakoming van haar taak ex artikel 2:9 BW.

3.5.

Wildo Holding heeft de vorderingen van de curator gemotiveerd betwist. Het verweer zal hierna, voor zover relevant, bij de beoordeling aan de orde komen.

4 De beoordeling

De betaling door failliet van € 2.500,00 aan Wildo Holding

4.1.

De curator heeft de rechtshandeling, bestaande in de betaling van € 2.500,00, vernietigd op grond van artikel 47 Fw. Wildo Holding heeft zich dienaangaande gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daartoe het volgende.

4.2.

In beginsel kan de voldoening van een opeisbare schuld door de schuldenaar niet met een beroep op de faillissementspauliana worden aangetast. Dit is slechts anders, indien, aldus artikel 47 Fw, de begunstigde weet dat het faillissement is aangevraagd of indien sprake is van overleg om een schuldeiser te begunstigen. Uit de overgelegde producties blijkt dat failliet ná de faillissementsaanvraag maar vóór het faillissement genoemd bedrag van € 2.500,00 aan Wildo Holding heeft betaald en door Wildo Holding is ontvangen, te weten op 1 oktober 2012. Nu Wildo Holding dit niet heeft betwist, staat dit in rechte vast. Nu voorts niet is bestreden dat Wildo Holding door de wetenschap van [naam] als enig bestuurder, tevens getrapt bestuurder van failliet, op het moment dat zij de betaling ontving wist dat het faillissement was aangevraagd noch dat hiermee de schuldeisers werden benadeeld, staat dit eveneens in rechte vast, zodat de hierop gebaseerde (primaire) vordering tot verklaring voor recht voor toewijzing vatbaar is. Dit impliceert dat Wildo Holding op de voet van artikel 51 Fw zal worden veroordeeld tot teruggave van hetgeen door de vernietigde rechtshandeling uit het vermogen van failliet gegaan is en mitsdien tot betaling van € 2.500,00 aan de curator.

De overdracht van het wagenpark door failliet aan Wildo Holding c.a.

4.3.

De curator heeft de rechtshandeling, bestaande in de overdracht van de Mercedes Benz, genoemd in factuur 1, en de voertuigen, genoemd in factuur 2, vernietigd op grond van artikel 2:247 lid 1 BW. Genoemd artikel regelt de verplichting tot het schriftelijk vastleggen van rechtshandelingen tussen de enige aandeelhouder en de vennootschap die wordt vertegenwoordigd door die aandeelhouder, zoals in casu. Wildo Holding heeft de hierop betrekking hebbende vorderingen van de curator betwist. Daartoe het volgende.

4.4.

Met een beroep op lid 2 van genoemd artikel, waaruit volgt dat schriftelijke vastlegging niet vereist is als het gaat om een rechtshandeling die onder de bedongen voorwaarden tot de gewone bedrijfsuitoefening van de vennootschap behoren, heeft Wildo Holding primair aangevoerd dat de overdracht van de voertuigen en de daarop volgende verrekeningen binnen de normale bedrijfsuitoefening van failliet hebben plaatsgevonden. Wildo Holding heeft in dit verband gewezen op een vonnis van de rechtbank Utrecht van 11 februari 2009, LJN BH2768.

4.5.

Vooropgesteld zij dat de stelling van de curator enkel ziet op de overdracht van de voertuigen en niet (ook) op de daarop volgende rechtshandelingen, zoals wel het geval is bij de meer subsidiair en nog meer subsidiair gevorderde verklaringen voor recht van de curator.

4.6.

In het licht hiervan dient te worden beoordeeld of (enkel) de overdracht van de voertuigen heeft plaatsgevonden binnen de normale bedrijfsuitoefening van failliet. Uitgangspunt hierbij is dat failliet in het Handelsregister staat geregistreerd als bouwbedrijf. Wildo Holding heeft dit uitgangspunt aangevochten en aangemerkt als “te restrictief.” Als moedermaatschappij stelde zij, aldus Wildo Holding, structureel financiële middelen ter beschikking aan failliet, 100%-dochter van Wildo Holding. Op “enig moment” is dan ook, aldus Wildo Holding, een rekening courant verhouding tussen haar en failliet ontstaan. Uit dien hoofde is omstreeks december 2010 een vordering van Wildo Holding op failliet ontstaan. Met de overdracht van het wagenpark aan haar wenste Wildo Holding die vordering op failliet te verrekenen, zo was ook de bedoeling van partijen.

4.7.

Dit betoog kan niet worden onderschreven. In het hiervoor aangehaalde vonnis van de rechtbank Utrecht ging het, anders dan in de onderhavige zaak, om een op basis van artikel 2:247 lid 1 BW ingeroepen vernietiging van een overeenkomst “tot het opzetten van een rekening courant” (r.o. 4.11 van dat vonnis). De rechtbank diende de vraag te beantwoorden of “het creëren van een rekening courant verhouding tussen RSB en Martens tot de normale bedrijfsuitoefening behoorde” en oordeelde vervolgens dat sprake was van een normale bedrijfsuitoefening, nu het “zonder meer gebruikelijk [is] dat tussen een moeder en een dochtervennootschap rekening courant verhoudingen ontstaan en worden aangehouden” (r.o. 4.12). Wat hier ook van zij, in de onderhavige zaak gaat het niet om het opzetten van een rekening courant maar om de overdracht van een wagenpark. In zoverre kunnen beide casus dus niet worden vergeleken. Dat de overdracht volgens Wildo Holding heeft plaatsgevonden ter verrekening van een vordering uit hoofde van de gestelde rekening courant verhouding tussen Wildo Holding en failliet, maakt dat niet anders.

4.8.

Vast staat dat failliet in het Handelsregister staat geregistreerd als bouwbedrijf. Failliet handelt derhalve niet in voertuigen. Hoewel de rechtbank het standpunt van Wildo Holding onderschrijft dat die registratie en doelomschrijving niet alleszeggend zijn, waarbij de rechtbank erop wijst dat – in spiegelbeeld – ook rechtshandelingen binnen de doelomschrijving van een vennootschap buiten de normale bedrijfsuitoefening kunnen vallen, biedt het over en weer gestelde geen aanknopingspunten voor de stelling van Wildo Holding dat de overdracht van het wagenpark als een activiteit kan worden aangemerkt die binnen de normale bedrijfsuitoefening valt. Ook hierop wordt geen ander licht geworpen door de stelling van Wildo Holding dat die overdracht ertoe strekte een vordering uit hoofde van de gestelde rekening courant verhouding tussen Wildo Holding en failliet te verrekenen. Hieruit volgt dat schriftelijke vastlegging van de overeenkomsten tot verkoop en levering van de auto’s is vereist ingevolge artikel 2:247 lid 1 BW.

4.9.

Dienaangaande heeft Wildo Holding gesteld dat aan dit vereiste is voldaan. Ter comparitie alsmede bij conclusie van antwoord na eiswijziging en –vermeerdering heeft zij aangevoerd dat de brieven van mr. [naam] van [naam] & Partners Belastingadviseurs van 29 december 2010 respectievelijk 24 oktober 2011 (producties 29 en 30) als zodanig zijn aan te merken.

4.10.

Dit betoog kan niet worden onderschreven. Schriftelijke vastlegging in de zin van artikel 2:247 lid 1 BW behelst in ieder geval dat daaruit moet kunnen worden afgeleid op welk moment wat precies is overeengekomen en tussen welke betrokkenen (Hof Arnhem 20 november 2007, LJN BC4583). Nu in de betreffende brieven geen melding wordt gemaakt van de prijs van de over te dragen auto’s, waaronder meergenoemde Mercedes, is aan dit specificatievereiste niet voldaan. Dit spreekt temeer, nu de prijs van de Mercedes blijkens de brief van mr. [naam] van [naam] & Partners Belastingadviseurs van 29 december 2010 (productie 29) nog moest worden bepaald “op basis van een deugdelijke taxatie.” Daarnaast onderschrijft de rechtbank het standpunt van de curator dat acht dient te worden geslagen op het feit dat eerst na genoemde taxatie (definitieve) wilsovereenstemming kon worden bereikt en de rechtshandeling tot stand kon komen, tenzij failliet en Wildo Holding genoegen zouden nemen met welke taxatie en prijs dan ook, hetgeen is gesteld noch gebleken. Eerst daarna was schriftelijke vastlegging van die rechtshandeling aan de orde. Die ontbreekt echter, nu de door Wildo Holding gestelde schriftelijke vastlegging dateert van 29 december 2010 en derhalve vóór de totstandkoming van de rechtshandeling heeft plaatsgevonden. Niet aannemelijk en moeilijk voorstelbaar is dat iets wordt vastgelegd waarover partijen nog geen wilsovereenstemming hebben bereikt, zoals Wildo Holding ingang wil doen vinden. Dat uit rechtspraak en literatuur zou volgen dat een “variabel” tijdstip van schriftelijke vastlegging geoorloofd is en het niet uitmaakt of die vastlegging “voor, tijdens of na de rechtshandeling”, kan de rechtbank niet onderschrijven. De door Wildo Holding in dit verband aangehaalde P. van Schilfgaarde zegt in ‘Van de BV en de NV’ (2006, p. 173) slechts:

“Wet en kamerstukken geven geen uitsluitsel over de vraag op welk tijdstip de rechtshandeling schriftelijk moet worden vastgelegd. M.i. zal over het algemeen ook door latere vastlegging aan het voorschrift kunnen worden voldaan. (…)”,

hetgeen geenszins impliceert dat de schriftelijke vastlegging ook vóór de rechtshandeling kan plaatsvinden. Dit geldt mutatis mutandis voor de door Wildo Holding gestelde vastlegging van de overdracht van de negen andere auto’s bij genoemde brief van 24 oktober 2011. Nu failliet en Wildo Holding op 28 november 2011, zoals bij gebreke van aanknopingspunten voor een andere datum blijkt uit factuur 2 van 27 december 2011, wilsovereenstemming hebben bereikt, kan de door Wildo Holding gestelde schriftelijke vastlegging hiervan op 24 oktober 2011 – dus ruim een maand daarvóór – niet als zodanig worden aangemerkt.

4.12.

Uit het voorgaande volgt dat niet is voldaan aan de door artikel 2:247 lid 1 BW vereiste schriftelijke vastlegging van de gewraakte rechtshandelingen, zodat de door de curator gevorderde verklaring voor recht dat die rechtshandelingen bij brief van de curator van 24 juni 2013 zijn vernietigd voor toewijzing vatbaar zijn.

4.13

Ten aanzien van de door de curator vervolgens (en op basis van het voorgaande) gevorderde schadevergoeding van € 63.478,92 (Mercedes) respectievelijk € 61.725,89 (negen auto’s) aan de boedel overweegt de rechtbank het volgende.

4.14.

Ingevolge artikel 3:53 lid 1 BW werkt de vernietiging terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht. Het goederenrechtelijk effect hiervan is dat de Mercedes en de negen andere auto’s (achteraf bezien) het vermogen van (vóór faillissement) [naam] (later failliet) nimmer hebben verlaten. Dit betekent dat op Wildo Holding een ongedaanmakingsverplichting komt te rusten en de auto’s moet teruggeven. Nu niet meer alle auto’s in het bezit zijn van Wildo Holding en de wél nog voorhanden zijnde auto’s door slijtage en gebruik in waarde zijn gedaald, is een ongedaanmaking in bedoelde zin evenwel niet (meer) mogelijk. Daarmee schiet Wildo Holding tekort in de nakoming van de op haar rustende ongedaanmakingsverbintenis, zodat zij uit hoofde van artikel 6:74 BW – artikel 6:203 BW gaat immers uit van een gewone verbintenis die in beginsel wordt beheerst door de algemene regels inzake niet-nakoming van verbintenissen – verplicht is de schade die de boedel hierdoor lijdt te vergoeden.

4.15.

Voor zover bepaalde auto’s niet (meer) kunnen worden teruggegeven, dient Wildo Holding de waarde van die auto’s ten tijde van de overdracht als schadevergoeding aan de curator te betalen. Ter bepaling van die waarde dient bij gebreke van andere gegevens te worden aangesloten bij de facturen van 3 januari 2011 en 27 december 2011.

4.16.

Voor zover bepaalde auto’s wel (nog) kunnen worden teruggegeven, dient Wildo Holding daartoe over te gaan, zulks onder de verplichting om een aanvullende schadevergoeding aan de curator te betalen, nu die auto’s, zoals gezegd, door slijtage en gebruik in waarde zijn verminderd. Die aanvullende schadevergoeding bestaat uit het verschil tussen de waarde ten tijde van de overdracht van de betreffende auto’s – waarbij eveneens aansluiting dient te worden gezocht bij de hiervoor in 4.15 bedoelde facturen – en de waarde bij teruggave van de auto’s door Wildo Holding. De waarde bij teruggave dient op de voet van artikel 6:97 BW te worden begroot dan wel geschat aan de hand van de ANWB-koerslijst.

4.17.

De curator heeft verder betoogd en met stukken onderbouwd dat Wildo Holding de auto’s van factuur 2 heeft “terugverhuurd” aan failliet. Uit hoofde hiervan heeft failliet in 2012 voor de in productie 10 genoemde voertuigen door middel van verrekening in rekening-courant een bedrag van € 26.180,00 aan huurpenningen aan Wildo Holding betaald. Omdat failliet als gevolg van de vernietiging steeds eigenaar is gebleven van de auto’s, was het niet aan Wildo Holding om de auto’s te verhuren. Gelet hierop is de betaling van de huurpenningen door failliet, aldus de curator, onverschuldigd in de zin van artikel 6:203 BW.

4.18.

Wildo Holding heeft hiertegen aangevoerd dat geen sprake is van onverschuldigdheid van betaling. De boedel heeft, aldus Wildo Holding, geen belang bij deze vordering, omdat zij niet benadeeld is. De huursommen zijn zakelijk verantwoord en dat betekent volgens Wildo Holding dat indien de voertuigen onder failliet zouden zijn gebleven of van een andere (derde) zouden zijn betrokken, failliet die kosten ook zou hebben gemaakt.

4.19.

Dit verweer faalt. De constructie die failliet en Wildo Holding zijn aangegaan komt er (achteraf) op neer dat de eigenaar, failliet, zijn eigen auto’s heeft gehuurd van een niet-eigenaar, Wildo Holding. Deze ongerijmdheid verdient geen steun in het recht en brengt (tenminste) mee dat met de vernietiging van de (ver)koop van de auto’s de rechtsgrond aan de huurovereenkomst is komen te ontvallen. Hieruit volgt dat de verrekening in rekening-courant van de huurpenningen als onverschuldigd in de zin van artikel 6:203 BW moet worden aangemerkt, zodat failliet een bedrag van € 26.180,00 aan huurpenningen onverschuldigd aan Wildo Holding heeft betaald. Wildo Holding zal dit bedrag dan ook aan de boedel dienen terug te betalen. De hiertoe strekkende vordering van de curator zal derhalve worden toegewezen.

De gestelde onttrekkingen aan de kas

4.20.

Wildo Holding heeft de stelling van de curator dat sprake is van privéonttrekkingen vlak vóór het faillissement, welke handelwijze volgens deze een ernstig verwijt in de zin van artikel 2:9 BW opleveren, betwist, nu dat verwijt niet is onderbouwd. Bovendien stonden tegenover de gestelde onttrekkingen tegenprestaties, in die zin dat de (privé)opnames “zijn geboekt c.q. in de rekening courant verhouding verrekend, nu Wildo ten tijde van de gewraakte onttrekkingen een vordering op [naam] Bouw B.V. had.” Ter comparitie heeft Wildo Holding hier nog aan toegevoegd dat er “feitelijk” nooit een kas is geweest en het om puur administratieve boekingen ging.

4.21.

Dit verweer legt onvoldoende gewicht in de schaal. Uitgangspunt is dat de grootboekmutatiekaarten van failliet haar rechten en verplichtingen weergeven zoals deze bestonden ten tijde van de faillietverklaring, hetgeen Wildo Holding overigens ook niet heeft betwist. In de tot en met 19 september 2012 bijgewerkte grootboekmutatiekaarten vertoonde het kasboek nog een positief saldo van € 1.418,53. Nu Wildo Holding evenmin heeft bestreden dat de kas ten tijde van de faillietverklaring leeg was en dit bedrag vervolgens niet is afgedragen aan de curator, heeft Wildo Holding zich niet behoorlijk van haar taak als bestuurder van failliet gekweten in de zin van artikel 2:9 BW en is zij uit dien hoofde aansprakelijk. Dat Wildo Holding dienaangaande een vordering op failliet zou hebben, is de rechtbank bij gebreke van enige onderbouwing niet gebleken. Hetzelfde geldt voor de opname van € 4.000,00 die zonder enige verantwoording als “privé opname” in de grootboekmutatiekaarten is vermeld. Hieruit volgt dat de hierop toegesneden vordering van de curator tot veroordeling van Wildo Holding om € 5.418,53 als schadevergoeding aan hem te voldoen voor toewijzing vatbaar is.

Proceskosten

4.22.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Wildo Holding worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5 De beslissing

De rechtbank:

A.

verklaart voor recht dat:

  1. de rechtshandeling, bestaande in de betaling van € 2.500,00, na de aanzegging in de dagvaarding van 29 januari 2013 is vernietigd op grond van artikel 47 Fw,

  2. de rechtshandelingen, bestaande in de overdracht van de Mercedes Benz van factuur 1 en de auto’s van factuur 2, bij schrijven van de curator van 24 juni 2013 zijn vernietigd op grond van artikel 2:247 BW,

B.

veroordeelt Wildo Holding om aan de curator zonder recht van verrekening en tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

  1. een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke vanaf 14 dagen na betekening van de aanzegging in de dagvaarding van 29 januari 2013 tot aan de dag der voldoening,

  2. een bedrag van € 26.180,00, te vermeerderen met de wettelijke vanaf 14 dagen na betekening van de aanzegging in de dagvaarding van 29 januari 2013 tot aan de dag der voldoening,

  3. een bedrag van € 5.418,53, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding (29 januari 2013) tot aan de dag der voldoening,

C.

veroordeelt Wildo Holding de Mercedes van factuur 1 en de auto’s van factuur 2 aan de curator terug te geven, zulks met inachtneming van hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen in rechtsoverwegingen 4.14, 4.15 en 4.16 van dit vonnis, waarbij het op de wijze als aangegeven in die rechtsoverwegingen nader vast te stellen bedrag aan (aanvullende) schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het schrijven van de curator van 24 juni 2013 tot aan de dag der voldoening,

D.

veroordeelt Wildo Holding in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de curator gerezen en tot aan dit vonnis begroot op € 76,71 aan kosten dagvaarding, € 1.200 aan griffierecht, € 2.682,00 voor salaris advocaat (waaronder 1 punt voor het conservatoire beslag) en € 160,78 aan overige beslagkosten, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis en, indien voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15de dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag der voldoening,

E.

veroordeelt Wildo Holding, indien zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordeling voldoet, tot betaling van € 131,00 aan nakosten, verhoogd met € 68,00 aan betekeningskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt,

F.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

G.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.