Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4826

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
AWB-12_1146u + AWB-12_1158u + AWB-12_1192u + AWB-12_1193u
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wabo: omgevingsvergunning voor het bouwen van een supermarkt en het gebruik van gronden of gebouwen in strijd met het vigerende bestemmingsplan.

De rechtbank is van oordeel dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat vanwege de geluidsbelasting ter plaatse van een woning, betekenis toekomt aan alle relevante geluidsbronnen. Dit betekent dat het geluid van een nabijgelegen (drukke) spoorlijn moet worden betrokken bij de geluidsbelasting van de woningen van eisers. Aangezien uit het akoestisch onderzoek echter blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de supermarkt ruim onder de van toepassing zijnde norm ligt, is de rechtbank van oordeel dat de cumulatie van geluidhinder niet leidt tot een andere beoordeling van het woon- en leefklimaat van eisers.

Over de door eisers gestelde verkeersonveiligheid door de verwachte toename van het verkeer overweegt de rechtbank dat uit de verkeersstudie (die deel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing) blijkt dat vanuit het oogpunt van verkeersafwikkeling als gevolg van de supermarkt geen problemen worden verwacht.

De rechtbank verklaart de beroepen van eisers ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/2060
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

Zaaknummers: 1. AWB 12 / 1146

2. AWB 12 / 1158

3. AWB 12 / 1192

4. AWB 12 / 1193

Uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2014 in de zaken tussen

1.

[eiseres] , eiseres,

2.

[eiseres] , eiseres, en [eiser], eiser,

3.

[eiser] , eiser,

4.

[eiser] , eiser,

hierna gezamenlijk te duiden als eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2012 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder aan [bedrijf] (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een supermarkt, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, het maken of veranderen van een uitweg en het maken van handelsreclame op de locatie [adres] te [plaats].

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de rechtbank vergunninghoudster in de gelegenheid gesteld als partij aan de gedingen deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.

Verweerder heeft de stukken die op de zaken betrekking hebben ingezonden en heeft tevens (in elke zaak) een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2014, waar eiseres sub 1 is verschenen. Haar gemachtigde mr. F.K.H. van Oostveen, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, is niet verschenen. Eiseres sub 2 is verschenen, bijgestaan door mr. B. Smit, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. Eiser sub 3 en eiser sub 4 zijn eveneens verschenen.

Voor verweerder en vergunninghoudster zijn verschenen mr. C. Drent en mr. J.L. Stoop, beiden advocaat te Roermond. Voor verweerder is voorts J.G.M.P. Aussems verschenen; voor vergunninghoudster [naam].

Overwegingen

1.

Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op deze gedingen van toepassing blijft.

2.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) – voor zover hier van belang – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk of het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

3.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo – voor zover hier van belang – wordt de omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een bouwwerk geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

4.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.

5.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

6.

Niet in geschil is dat onderhavig bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Steenweg e.o.”. Teneinde het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend, waarbij hij voor wat betreft de goede ruimtelijke ordening heeft verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing opgesteld door [bedrijf] van 23 januari 2012. Het rapport “Akoestisch onderzoek Industrielawaai” van 23 januari 2012 van Tritium Advies BV (hierna: Tritium) alsmede het rapport “Verkeersstudie “Nettorama” BUDO locatie Sittard” (hierna: de verkeersstudie) van 23 januari 2012 maken deel uit van deze ruimtelijke onderbouwing.

7.

Eisers betogen in beroep dat het rapport van Tritium op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en gebaseerd is op onjuiste informatie. In het rapport is ten onrechte geen rekening gehouden met het geluid dat wordt veroorzaakt door de nabijgelegen drukke spoorlijn. Ook is geen rekening gehouden met het geluid van de veegwagen, die het parkeerterrein bij de supermarkt schoonveegt, en met het feit dat supermarkt in de toekomst ook op zondag geopend zal zijn. Daarnaast is in het rapport niet vermeld dat het laden en lossen van meerdere vrachtwagens plaatsvindt op voornoemd parkeerterrein en is bij de berekening van het geluid van de winkelwagentjes uitgegaan van kunststof wagentjes terwijl deze in werkelijkheid van ijzer zijn. Ter onderbouwing van hun standpunt in dezen hebben eisers verwezen naar een ‘second opinion’ van 2 juli 2012, opgesteld door bureau Oranjewoud.

8.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) komt in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat vanwege de geluidsbelasting ter plaatse van een woning betekenis toe aan alle relevante geluidsbronnen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9920). In zoverre betogen eisers terecht dat het geluid van de spoorlijn moet worden betrokken bij de geluidsbelasting op de woningen van eisers. Nu evenwel ter zitting van de zijde van verweerder onbestreden is gesteld dat hierdoor slechts sprake is van een verwaarloosbare toename (circa 1dB) van de geluidsbelasting, kan hierin geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit worden gevonden daar uit het rapport van Tritium blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de supermarkt ruim onder de norm van 50 dB(A) ligt. Het betrekken van het geluid van de spoorlijn bij de cumulatie van geluidhinder leidt derhalve niet tot een andere beoordeling van het woon- en leefklimaat van eisers.

9.

Voor zover door eisers in dit kader is verwezen naar het geluid van de veegwagen die het parkeerterrein bij de supermarkt (in de vroege ochtend) schoonveegt, is de rechtbank van oordeel dat deze geluidsbron niet als relevante geluidsbron in voormelde zin is aan te merken nu deze geen rechtstreeks verband houdt met de omgevingsvergunning. Immers, noch de aanvraag noch het bestreden besluit maakt melding van (de noodzakelijkheid en/of wenselijkheid van) de veegwagen. De invulling van de wijze waarop het parkeerterrein, dat niet onder het beheer van vergunninghoudster valt, wordt schoongehouden en de frequentie daarvan is een keuze die gemaakt is en wordt door verweerder(s dienst) en valt onder diens verantwoordelijkheid voor het schoonhouden van de omgeving. Overigens heeft verweerder ter zitting onweersproken gesteld dat het effect van de veegwagen op de leefomgeving ter plaatse beperkt is en – indien het geluid van de veegwagen bij de berekening van de geluidsbelasting zou worden betrokken – niet leidt tot overschrijding van de norm van 50 dB(A).

10.

Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat voor de zondag geen andere geluidsnormen gelden dan voor de andere dagen van de week. Nu niet is komen vast te staan dat de geluidsnormen op de andere dagen van de week worden overschreden en er geen wettelijk regel is aan te wijzen op grond waarvan dit voor de zondag(openstelling) anders zou zijn, dan wel dat openstelling van de supermarkt op zondag overigens voor vergunningverlening ingevolge de Wabo relevant zou zijn, kan de stelling van eisers dat bij de vergunningverlening geen rekening is gehouden met de openstelling van de supermarkt op zondag, geen doel treffen.

11.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat bij de in geding zijnde omgevingsvergunning is voorzien in het inpandig laden en lossen van (twee) vrachtwagens. Indien het laden en lossen zou plaatsvinden op het parkeerterrein, zoals door eisers gesteld, is dit niet overeenkomstig de verleende vergunning en kunnen zij zich tot verweerder wenden met een verzoek om handhaving. In dit kader overweegt de rechtbank voorts nog dat verweerder geen rekening heeft hoeven houden met laad- en losactiviteiten in de avond en nacht, omdat deze activiteit niet is gemeld door vergunninghoudster en zonder nadere melding niet mag plaatsvinden. Indien dit toch het geval zou zijn, kunnen eisers verweerder verzoeken ook op dit punt handhavend op te treden.

12.

Het vorenstaande geldt mutatis mutandis ook voor de grief van eisers met betrekking tot (het geluid van) de winkelwagentjes. Op dit punt is bij de berekening van de geluidsbelasting uitgegaan van kunststof winkelwagentjes. Indien de door vergunninghoudster gebruikte winkelwagentjes, die, naar ter zitting is gebleken, in elk geval niet geheel van kunststof zijn, ingevolge het bestreden besluit niet zouden zijn toegestaan, is ook dat een grond die er niet toe kan leiden dat geoordeeld zou moeten worden dat de vergunning in rechte geen stand kan houden, maar is dit een omstandigheid op grond waarvan eisers verweerder kunnen verzoeken handhavend op te treden.

13.

De door eisers (althans eiseres sub 1) in geding gebrachte ‘second opinion’ van bureau Oranjewoud kan aan vorenstaande overwegingen niet afdoen nu dit bureau zelf geen akoestisch onderzoek heeft verricht, maar heeft volstaan met het plaatsen van kritische kanttekeningen bij het rapport van Tritium. De rechtbank is van oordeel dat Tritium deze kanttekeningen afdoende heeft weerlegd in zijn brief van 6 augustus 2012.

14.

Eisers betogen verder dat de verkeersstudie niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen worden gelegd nu de conclusies van deze studie zijn gebaseerd op fietstellingen die niet representatief zijn. Volgens eisers zijn deze tellingen gehouden in een periode met een lagere verkeersintensiteit dan normaal vanwege een proefwerkweek van de scholieren. Ter onderbouwing van deze stelling hebben eisers een stuk overgelegd waarin de weken 50 en 51 van de jaarplanning 2011-2012 van de nabijgelegen scholengroep Trevianum zijn opgenomen.

15.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers hiermee niet aannemelijk gemaakt dat de tellingen niet representatief zouden zijn. De scholengroep Trevianum is immers niet de enige scholengemeenschap in de omgeving van de supermarkt (Limbrichterveld). Voorts staat vast dat één telling buiten deze proefwerkweek heeft plaatsgevonden. Bovendien blijkt uit het door eisers overgelegde stuk niet op welk tijdstip de leerlingen van het Trevianum in de weken 50 en 51 (overdag) op school aanwezig moesten zijn.

16.

Voor zover eisers betogen dat in de verkeersstudie niet kon worden uitgegaan van 400 verkeersbewegingen nu het bestemmingsplan ter plaatse een parkeerterrein (en derhalve deze verkeersbewegingen) niet toestaat, overweegt de rechtbank dat verweerder bij zijn afweging in het kader van de vergunningverlening een vergelijking dient te maken tussen de verwachte verkeersproductie als gevolg van (de komst van) de supermarkt en feitelijke situatie ten tijde van de vergunningverlening (waarbij in het onderhavige geval sprake was van het gebruik als parkeerterrein). De bestemming van de onderhavige gronden ingevolge het bestemmingsplan waarop de supermarkt en de parkeerplaats zijn geprojecteerd is daarbij niet relevant.

17.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid de verkeersstudie aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

18.

Eisers voeren verder aan dat het bestreden besluit in strijd is met het gemeentelijke Fietsbeleidsplan 2009-2015 nu de vestiging van een supermarkt ter plaatse door de verwachte toename van het verkeer met name voor fietsers leidt tot verkeersonveiligheid.

19.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat uit de verkeersstudie blijkt dat vanuit het oogpunt van verkeersafwikkeling geen problemen worden verwacht door de vestiging van de supermarkt. De beoogde toe- en uitritten aan de Parallelweg zullen naar verwachting prima functioneren en er worden geen noemenswaardige wachtrijen op de Parallelweg verwacht. Bij het verlaten van het parkeerterrein ontstaat bij de zuidelijke toe- en uitrit een wachttijd van minder dan 15 seconden. Bij de noordelijke uitrit worden in het geheel geen wachttijden verwacht. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat de beoogde situering en uitvoering van de toerit niet leidt tot een verkeersonveilige situatie. In dit kader is voorts van belang dat de fietsers van en naar het (nabijgelegen) station weinig hinder zullen ondervinden van de komst van de supermarkt, omdat bezoekerspieken van de supermarkt op andere momenten plaatsvinden dan de grootste fietsersstroom van en naar het station.

20.

Op grond van het vorenstaande en gelet op het feit dat verzoekers hun stellingen met betrekking tot de gestelde onveilige verkeerssituatie voor fietsers niet hebben onderbouwd met een rapport van een deskundige, is de rechtbank van oordeel dat onderhavige omgevingsvergunning niet in strijd is met het Fietsbeleidsplan 2009-2015.

21.

Voor zover eisers hebben gesteld dat onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het advies van de ambtelijke werkgroep verkeer met betrekking tot de uitwegen van het parkeerterrein, overweegt de rechtbank dat door verweerder in de ruimtelijke onderbouwing voldoende is gemotiveerd dat de in- en uitritten uit een oogpunt van doorstroming en verkeersveiligheid acceptabel zijn.

22.

Eisers voeren verder aan dat verweerder geen (deugdelijk) onderzoek heeft gedaan naar alternatieve locaties voor de vestiging van de supermarkt. Verweerder heeft immers reeds in 2006 een besluit genomen over de verplaatsing van de bestaande supermarkt naar de onderhavige locatie en eerst daarna zijn alternatieven onderzocht. Met deze alternatieven is onvoldoende rekening gehouden.

23.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling dient het bestuursorgaan te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Indien het plan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking aan verlening van een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

24.

Uit het bestreden besluit (en de daarbij gevoegde ‘nota van zienswijzen’) blijkt dat onderzoek is gedaan naar meerdere alternatieven. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt en gemotiveerd dat door verwezenlijking van één van deze alternatieven een met het bouwplan gelijkwaardig alternatief kan worden bereikt. Evenmin is aannemelijk geworden dat andere alternatieven bestaan waaraan aanmerkelijk minder bezwaren kleven. De stelling van eisers dat verweerder reeds in 2006 de nieuwe locatie van de supermarkt heeft bepaald en eerst daarna alternatieven heeft onderzocht kan, wat er verder ook van deze stelling zij, hier niet aan afdoen.

25.

Voorts betogen eisers dat verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met de gemeentelijke Retailstructuurvisie van 28 februari 2008 nu hierin is vermeld dat het ongewenst is een nieuwe locatie voor retail toe te voegen. Eisers leiden hieruit af dat verplaatsing van de supermarkt naar de onderhavige locatie ongewenst wordt geacht.

26.

De rechtbank stelt vast dat op pagina 39 van de Retailstructuurvisie expliciet melding wordt gemaakt van de verplaatsing van de supermarkt naar de huidige locatie. Daarbij komt dat in de Retailstructuurvisie het centrum van Sittard wordt aangemerkt als streeflocatie voor de vestiging van een supermarkt en de huidige locatie van de supermarkt binnen dit gebied is gelegen. Nu in dezen sprake is van de verplaatsing van een bestaande supermarkt kan voorts niet gezegd worden dat sprake is van een (substantiële) uitbreiding van het winkelaanbod, hetgeen volgens de Retailstructuurvisie ongewenst is. De grief van eisers faalt derhalve.

27.

In dit kader wordt voorts overwogen dat verweerder zich, onder verwijzing naar het uitgevoerde distributieplanologisch onderzoek, op het standpunt heeft kunnen stellen dat de met deze verplaatsing voorgestane uitbreiding van het winkeloppervlak niet zal leiden tot een duurzame ontwrichting van de detailhandelstructuur. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1192) is voor de beoordeling van de vraag of gevreesd moet worden voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau doorslaggevend te achten of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Gesteld noch gebleken is dat hiervan in het onderhavige geval sprake is, waarbij de rechtbank tevens in overweging neemt dat sprake is van de verplaatsing van een bestaande supermarkt. Nu uit het distributieplanologisch onderzoek naar voren komt dat de supermarkt op de huidige locatie “de concurrentie voor de komende jaren prima aan zal kunnen”, acht de rechtbank voorts de economische haalbaarheid van de supermarkt op de huidige locatie voldoende gemotiveerd.

28.

Voor zover eisers hebben betoogd dat niet duidelijk is waarop de berekeningen in het document “Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit”, dat behoort bij het bestreden besluit, precies betrekking hebben, overweegt de rechtbank dat deze berekening ten grondslag ligt aan de in de ruimtelijke onderbouwing (pagina 28/29) vervatte conclusie met betrekking tot de totale extra verkeersaantrekkende werking van het bouwplan en de invloed daarvan op de luchtkwaliteit, waarbij is opgemerkt dat de bepaling van de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit een worst-case benadering is aangezien in de praktijk het werkelijke weekdaggemiddelde per toetspunt lager zal uitvallen. De (eind)conclusie in de ruimtelijke onderbouwing dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de concentratie van de kritieke stoffen NO2 en PM10, is door eisers niet gemotiveerd weerlegd.

29.

Eisers stellen verder dat verweerder het aspect externe veiligheid onzorgvuldig heeft beoordeeld nu bij de beoordeling van het groepsrisico willekeurig toekomstige zaken zijn meegenomen en andere niet.

30.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat in de ruimtelijke onderbouwing met betrekking tot het groepsrisico (onder andere) is verwezen naar de notitie “Aanzet verantwoordingsplicht groepsrisico van Cauberg-Huygen”, welk notitie (ook) behoort tot het bestreden besluit. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de in deze notitie genoemde kansreducerende bronmaatregelen in de toekomst niet (zouden) kunnen worden genomen. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat verweerder de externe veiligheidssituatie onvoldoende heeft verantwoord.

31.

Voor zover eisers in dit kader hebben betoogd dat het onzorgvuldig is dat het advies als bedoeld in artikel 13, derde lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen ten tijde van (de mogelijkheid tot) het indienen van een zienswijze niet ter inzage heeft gelegen, overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting onbestreden heeft gesteld dat dit advies niet met het ontwerpbesluit ter inzage kon worden gelegd omdat het toen nog niet op schrift stond. Nu evenzeer onbestreden is gebleven dat het advies wel ter inzage heeft gelegen met het bestreden besluit, is de rechtbank van oordeel dat eisers hierdoor niet in hun belangen zijn geschaad.

32.

Het vorenstaande geldt mutatis mutandis ook voor de beroepsgrond dat eisers in de besluitvormingsfase niet alle relevante stukken van verweerder hebben ontvangen, nu onbestreden is gebleven dat eisers in elk geval in het kader van de onderhavige procedures in het bezit zijn geraakt van alle relevante stukken en deze (derhalve) bij hun beroepsgronden en hun toelichting ter zitting hebben kunnen betrekken. Ook deze beroepsgrond moet dan ook worden verworpen.

33.

Voor zover eisers gronden hebben aangevoerd die zien op de bij het parkeerterrein geplaatste vlaggenmasten, de verlichting van het parkteerterrein en de verlichting van de gevelreclame van de supermarkt, stelt de rechtbank vast dat deze aspecten geen deel uitmaken van het bestreden besluit, zodat de hiertegen gerichte gronden buiten de omvang het geding vallen.

34.

Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen ongegrond zijn. Hetgeen overigens nog is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

35.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, en mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen en mr. D.J.E. Hamers-Aerts, leden, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2014.

w.g. E. Seylhouwer w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 28 mei 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen en andere belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.