Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4746

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
26-05-2014
Zaaknummer
2825397 CV EXPL 14-2330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoist presenteert zich bij exploot als ‘repeatplayer’ die weinig heil ziet in een comparitie van partijen, maar desondanks in het inleidende processtuk niet doet wat van haar verwacht mag worden: naleving van eisen van elementair procesrecht zoals die onder meer neergelegd zijn in de artikelen 21, 85 en 111 Rv. Sterker nog: uit het uitvoerige, principieel getoonzette en goed gedocumenteerde antwoord blijkt dat zij deels onwaarheid spreekt. Hoist wordt in deze zaak door de kantonrechter geen kans gegeven het verweer van de aangesproken debiteur schriftelijk in een tweede procesronde te pareren, omdat dat verweer geheel stoelt op feiten, stukken en gebeurtenissen die haar als beweerd cessionaris van een vordering uit energielevering (Essent Retail Energie B.V.) bekend moeten zijn. De door de kantonrechter relevant geachte, bij antwoord ingebrachte correspondentie heeft zich immers geheel voltrokken tussen de gemeentelijke consulent die de energieconsument terzijde stond en Essent of de (incasso)gemachtigde van deze energieleverancier én van Hoist, zodat Hoist als cessionaris beter had kunnen en moeten weten toen zij in het exploot liet opnemen dat de vordering buiten rechte niet betwist was. Er was nota bene van januari 2013 tot en met augustus 2013 over gecorrespondeerd, laatstelijk bij onbeantwoord gebleven brief van 14 augustus 2013 vanaf het Stadhuis Maastricht aan de incassogemachtigde. In die laatste brief had de gemeentelijke consulent / gemachtigde onder meer aangekondigd dat in geval van dagvaarding een advocaat aan de zijde van de consument ingeschakeld zou worden. Essent, althans de door cessie in haar plaats getreden Zweedse onderneming Hoist, deed niets, wachtte vervolgens een halfjaar en ging zonder enige vooraankondiging tot dagvaarding over als ware het een simpele incassozaak zonder enige complicatie. Met een exploot dat alleszins lacuneus was.

Omdat ook nog eens geen van de onderdelen van de vordering waargemaakt kon worden, leidde deze - ook op andere onderdelen onzorgvuldige en slordige - wijze van procederen tot directe algehele afwijzing en tot verwijzing van Hoist in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/179

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Locatie Maastricht

Kantonrechter

Zaaknummer 2825397 CV EXPL 14-2330

Vonnis van 7 mei 2014

in de zaak

de rechtspersoon naar buitenlands recht HOIST KREDIT AB

gevestigd en kantoorhoudend te Stockholm (Zweden)

mede kantoorhoudend te ’s-Hertogenbosch

verder ook te noemen: “Hoist”

eisende partij

procederend bij gemachtigde: J.H. Vekemans, deurwaarder te Tilburg

tegen

[gedaagde]

wonend te [woonplaats] aan de [adres 1]

verder ook te noemen: “[gedaagde]”

gedaagde partij

procederend bij gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat te Maastricht

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Hoist heeft [gedaagde] bij dagvaarding van 6 februari 2014 in rechte betrokken voor een vordering als omschreven in het exploot van dagvaarding, waaraan - naast een instructieblad waarin de deurwaarder op een aantal procedurele punten in algemene termen uitleg verschaft aan de gedagvaarde persoon - één ongenummerde productie gehecht was.

[gedaagde] heeft, na gevraagd en verkregen eenmalig uitstel, op 2 april 2014 schriftelijk en onder bijvoeging van dertien producties geantwoord en uitdrukkelijk verweer gevoerd tegen de vordering van Hoist.

Wegens de aard en inhoud van eis en verweer en gelet op proceseconomische overwegingen heeft de kantonrechter hierna aanstonds vonnis bepaald, zodat heden uitspraak gedaan wordt.

MOTIVERING

a. het geschil (de vordering en het verweer)

Hoist vordert de veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van € 1 524,51, te vermeerderen met de wettelijke rente over een daarvan deel uitmakende hoofdsom van € 1 260,13 vanaf 6 februari 2014 (de datum van dagvaarding) tot de voldoening, alsmede verwijzing van [gedaagde] in de te liquideren proceskosten.

Hoist beroept zich voor haar vordering op een door cessie van de oorspronkelijke schuldeiseres Essent Retail Energie B.V. (verder: Essent) verkregen recht op naam jegens [gedaagde] dat op zijn beurt zijn oorsprong vond in een overeenkomst tot levering van ‘nutsvoorzieningen’ en ‘het (eventuele) transport ervan via het netwerk’ aan [gedaagde] op het adres [adres 2] te [woonplaats] iensbvroiek tegen betaling van maandelijkse voorschotten en met periodieke (jaarlijkse) afrekening op basis van gemeten verbruik en een eindafrekening ‘na beëindiging van de overeenkomst’. Op de overeenkomst van Essent en [gedaagde] zijn / waren volgens Hoist algemene voorwaarden van toepassing, die overgelegd noch geciteerd of zelfs maar geparafraseerd zijn bij exploot, terwijl evenmin uitgelegd is hoe die toepasselijkheid door Essent verkregen is. Hoist heeft overigens geen beroep gedaan op enige specifieke voorwaarde voor een of meer aanspraken jegens [gedaagde].

Bij het in zeer algemene bewoordingen geformuleerde exploot heet het dat Essent wegens het geheel of ten dele onbetaald blijven van ‘voorschotten en/of afrekeningen’ voor geleverde en afgenomen (niet nader benoemde) ‘nutsvoorzieningen’ een in vier posten (‘facturen’) uiteenvallend bedrag van € 1 260,13 ‘van gedaagde opeisbaar te vorderen gekregen’ had (een vordering die ‘op of omstreeks 07-05-2013’ aan Hoist gecedeerd is). Verder zou in de ogen van Hoist de ‘wanbetaling van gedaagde’ in combinatie met het ‘hierdoor uit handen geven van haar vordering’ op zich al rechtvaardigen dat [gedaagde] aan haar tevens de vermogensschade moet vergoeden, die volgens Hoist bestaat uit incassokosten en (vervallen geachte) wettelijke rente. Deze twee nevenvorderingen bepaalde Hoist bij exploot tot de datum van dagvaarding op bedragen van € 228,71 inclusief de voor haar niet verrekenbare omzetbelasting / btw respectievelijk € 35,67.

Een berekening of een renteoverzicht (en zelfs een opgave van de renteperiode) ontbreekt.

Het woord ‘betalingsverzuim’ is slechts terzijde en niet in relatie tot de gevorderde rente en kostenvergoeding genoemd en het veronderstelde verzuim van [gedaagde], dat maakte dat Hoist ‘zich genoodzaakt gezien’ heeft haar vordering ‘op gedaagde ter incasso uit handen te geven aan GGN, haar incassotussenpersoon’, is naar ontstaansmoment en ontstaansgrond op geen enkele manier geconcretiseerd. De afzonderlijke facturen zijn slechts naar nummer, datum, bedrag en globaal karakter opgesomd, maar Hoist heeft deze overgelegd noch inhoudelijk toegelicht. Het zou gaan om ‘voorschotten’ (kennelijk maar één voorschot) ad € 435,02 met factuurdatum 10 december 2012 en om drie als ‘Facturatie’ gecodeerde posten van € 10,38 met dagtekening 27 november 2012, € 157,05 met factuurdatum 17 januari 2013 en € 657,68 met factuurdatum 2 april 2013. Hetzelfde bezwaar van gebrekkige toelichting geldt (wellicht nog sterker) voor de volgens Hoist door haarzelf (‘eiseres’ immers, dus niet Essent) ‘verstuurde’ aanmaning / aanzegging of zelfs aanmaningen (in meervoud). Het stuk met dagtekening 21 januari 2013 dat te dien aanzien als enig voorbeeld ingebracht is (en dat kennelijk als ‘veertiendagenbrief’ bedoeld was), bevat logo en naam van Essent en niet van Hoist en komt ook blijkens de inhoud geheel voor rekening van Essent. Namens Hoist is niet gesteld dat [gedaagde] dit stuk daadwerkelijk ontvangen heeft (later zal blijken dat [gedaagde] in zijn antwoord rept van die aanmaning, dus dat het met de ontvangst als zodanig wel goed zit).

Omdat het exploot van dagvaarding de overeenkomst tussen Essent en [gedaagde] in de voltooid tegenwoordige tijd zet (en met een geheel enkelvoudige werkwoordsvorm in weerwil van een deels in het meervoud geplaatst onderwerp): “heeft er ….. (een) overeenkomst(en) bestaan”, moet ervan uitgegaan worden dat die overeenkomst op een of andere manier en op een verder bij exploot niet geduid moment ten einde gekomen is. De term ‘facturatie’, en dan in het bijzonder die van 17 januari 2013 en/of 2 april 2013, zou daar - in de betekenis van verzending van een eindafrekening - ook een indicatie voor kunnen zijn.

Volgens Hoist heeft [gedaagde] (buiten rechte) de vordering niet betwist.

Het verweer van [gedaagde] is echter zeer principieel van toonzetting en inhoud en raakt in de kern de wijze van procederen van Hoist die ook in het voorgaande door het uitgebreid citeren van onderdelen van het exploot en het signaleren van feitelijke leemten daarin al deels op de korrel genomen is. [gedaagde] voegt echter ook heel veel toe aan het feitensubstraat en veel daarvan moet bij Essent en deswege bij Hoist als haar rechtsopvolgster bekend verondersteld worden, omdat het rechtstreeks de communicatie in de onderlinge rechtsrelatie raakt. [gedaagde] bevestigt daarmee dat Hoist in haar exploot veel relevants verzwegen heeft en dat zij de kantonrechter informatie onthouden heeft of soms zelfs onwaarheden debiteert.

Primair stelt [gedaagde] zich daarom op het standpunt dat Hoist wegens het ‘opzettelijk en doelbewust’ procederen in strijd met beginselen van goede procesorde en met de concrete regels van de artikelen 21, 85 en 111 lid 3 Rv niet-ontvankelijk hoort te worden verklaard in haar vordering althans dat deze vordering haar zonder meer ontzegd dient te worden. Een tweede schriftelijke ronde zou Hoist in de ogen van [gedaagde] niet gegund mogen worden, waar zij zelf ook al een comparitie van partijen onwenselijk acht.

[gedaagde] heeft het over de voorgenomen sloop van het perceel [adres 2] te [woonplaats] als gevolg waarvan hij per 15 november 2012 de beschikking kreeg over gehuurde woonruimte aan de [adres 1] (zijn huidige woonadres) en met directe ingang de energielevering van de kant van Essent aan het te verlaten perceel beëindigd wenste te zien. Essent heeft kennis kunnen nemen van de door de opzichter van woningcorporatie Servatius (verhuurster) ter gelegenheid van de eindopname van de woning op 16 november 2012 opgemeten eindstanden van water, gas en elektra (prod.1 bij antwoord), doch weigerde vooralsnog mee te werken aan stopzetting van de levering en beëindiging van het energiecontract voor het door [gedaagde] (te) verlaten pand. In een brief van 4 januari 2013 (prod.2 bij antwoord) liet Essent weten alsnog, maar dan eerst per 6 januari 2013, tot beëindiging over te gaan. Essent gaf bij die gelegenheid aanzienlijk hogere eindstanden voor elektriciteit en gas op dan de standen die namens Servatius op 16 november 2012 opgemeten waren. Ook de zogeheten ‘eindafrekening 2012/2013’ voor een bedrag van € 157,05 die Essent [gedaagde] op 17 januari 2013 aan het nieuwe adres stuurde (prod.3 bij antwoord) getuigde daarvan, zodat [gedaagde] Essent heeft laten weten dat een en ander niet klopte. Desondanks stuurde Essent [gedaagde] op 21 januari 2013 een brief waarin opeens (zonder toelichting) een ‘openstaand bedrag van 214,38 euro’ genoemd werd. Essent ondernam echter niets om tot uitleg en/of correctie over te gaan en dreigde [gedaagde] op het nieuwe adres zelfs van levering van energie af te sluiten. Die dreiging is door bemiddeling van gemeentelijk ambtenaar [naam 1] afgewend en wel door [gedaagde] een overstap te laten maken naar Oxxio als nieuwe leverancier per 22 maart 2013.

[naam 1] is voor [gedaagde] blijven proberen van Essent inzicht te krijgen in de opbouw en omvang van een vordering die Essent nog op [gedaagde] pretendeerde te hebben. Het zou naast de (naar omvang betwiste) ‘eindafrekening’ gegaan zijn om een openstaand bedrag van € 435,02, terwijl Essent ook kosten in rekening wenste te brengen. Een e-mailbericht d.d. 16 april 2013 van [naam 1] namens [gedaagde] (gericht aan [naam 2], die namens Essent per e-mail was gaan corresponderen) is in kopie bijgevoegd (prod.6). Daarin is uitdrukkelijk verzocht om uitleg omtrent de € 435,02 die ook voor de budgetbeheerder van de Kredietbank Limburg (die maandelijks aan Essent voor het gezin [gedaagde] betaalde) niet te plaatsen viel. Ook vroeg [naam 1] Essent voor wat betreft de inning in ieder geval ‘geen verdere acties in te stellen’ nu de afdeling Sociale Zaken van de Gemeente Maastricht zich voor betaling garant stelde. Waar [naam 1] anderhalve maand lang geen respons van Essent ([naam 2]) kreeg, werd [gedaagde] wel - nu namens “HOIST Essent FF”- op 23 mei 2013 door “GGN Mastering Credit” (GGN Incasso B.V.) in een brief zonder verdere naamsvermelding tot betaling aangesproken voor de vier bedragen die ook in het exploot van dagvaarding tot de hoofdsom gerekend worden. De dag daarop stuurde hetzelfde anonieme ‘GGN’ al een excuusbrief aan [gedaagde] omdat er in de brief van 23 mei ‘een foutief bedrag vermeld’ was. Aangekondigd werd dat ‘binnenkort’ in ‘een nieuwe brief de correcte bedragen’ opgegeven zouden worden. Op 30 mei 2013 bleek dat Essent / [naam 2] de eerdere correspondentie kwijt was (er was iets ‘mis met de registratie’), zodat [naam 1] begin juni 2003 op verzoek van [naam 2] voor kopieën zorgde. Uit prod.8, een kopie van een brief d.d. 3 juni 2013 van ‘GGN’ namens “HOIST Essent FF” aan [gedaagde], valt af te leiden dat het ‘Klantteam Nuts’ (alsnog) kennis droeg van ‘aangegeven bezwaar tegen de openstaande vordering’ en er bij [gedaagde] op aandrong ‘uw bezwaar schriftelijk aan ons kenbaar te maken’ en wel binnen vijf dagen op straffe van ‘verdere maatregelen’. Met referte aan het e-mailbericht van 4 juni 2013 waarbij [naam 1] Essent / [naam 2] weer bij de les gebracht had, heeft [naam 1] op 25 juni 2013 bij [naam 2] / Essent aangedrongen op snel ‘finaal uitsluitsel over dit dossier’ (prod.9). In plaats daarvan stuurde ‘GGN’ op 10 juli 2013 namens “HOIST Essent FF” aan [gedaagde] (met passeren wederom van [naam 1]) een ‘overzicht openstaande facturen’ dat ongeveer neerkwam op de informatie die Hoist later in het exploot van 6 februari 2014 neergelegd heeft, althans voor wat betreft de gevorderde hoofdsom. Het bedrag van € 435,02 zou zien op een ‘voorschot van december 2012’. Het ‘overzicht’ ging vergezeld van de opdracht (‘moet’) dat een totaalbedrag van € 1 569,18 inclusief rente en kosten (meer dan thans in rechte gevorderd is….) binnen vijf dagen (…) bijgeschreven zou zijn op de rekening van ‘GGN’ (prod.10).

[naam 1] heeft vervolgens op briefpapier van de Gemeente Maastricht op 14 augustus 2013 een brief aan ‘GGN’ gestuurd in aangetekende vorm (prod.11), waarin hij zijn positie als gemeentelijk consulent ten opzichte van de familie [gedaagde] uitlegde en waarbij een dossier gevoegd was dat zicht gaf op alle voorgaande stappen. ‘GGN’ werd dringend in overweging gegeven de bij de brief gevoegde stukken door te nemen en het gezin (-[gedaagde]) schriftelijk nader uitsluitsel te geven (of door Essent te laten geven) onder opschorting van gerechtelijke maatregelen. Tot slot bevatte de brief de aankondiging dat ‘het gezin’ voor advocatenbijstand naar het Juridisch Loket verwezen zou worden ingeval ‘de opdracht tot dagvaarding’ (toch) doorgezet zou worden.

‘GGN’ noch Essent (noch Hoist) heeft zelfs maar een bevestiging gegeven van de ontvangst van de bewuste brief (die zijdens [gedaagde] wel aangetoond wordt met een bij prod.11 gevoegd gekopieerd bewijs van verzending en ontvangst). Zonder verdere uitleg en zelfs zonder enige vooraankondiging is [gedaagde] na bijna een halfjaar op 6 februari 2014 gedagvaard.

Volledig subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat Hoist zich niet op rechtsgeldige cessie kan beroepen van een vordering die ook naar opbouw en grondslag primair betwist is, althans dat zij nalaat dienaangaande het nodige te stellen en met stukken te onderbouwen. Zo is het ook de vraag of Hoist gelijkgesteld kan worden met ‘HOIST Essent FF’ namens wie ‘GGN’ [gedaagde] diverse brieven stuurde. Van enige cessie aan Hoist is aldus volgens [gedaagde] niet gebleken en van mededeling daarvan aan de debiteur al helemaal niet.

Meer subsidiair houdt [gedaagde] vol dat geen sprake kan zijn van een onbetaald gelaten ‘voorschot’, omdat uit een al op 16 april 2013 aan Essent verschaft overzicht blijkt dat de Kredietbank Limburg voor [gedaagde] alle voorschotten tot en met 25 maart 2013 (dus ook voor de nieuwe woning) voldeed en ook nog op tijd. Verder heeft [gedaagde] bezwaar aangetekend tegen de omvang van de ‘eindafrekening(en)’. Met name de omvang van het gasverbruik kan niet kloppen in het licht van het gemiddelde normale verbruik. Omdat verder de factuur van 27 november 2012 al helemaal niet te plaatsen valt, en omdat de in de loop der tijd opgeworpen andere bezwaren door Essent / Hoist genegeerd (en in ieder geval niet beantwoord) zijn, blijft [gedaagde] betwisten dat hij ook maar iets aan Essent / Hoist verschuldigd is. In ieder geval kan het gevorderde niet juist zijn, ten bewijze waarvan [gedaagde] wijst op de fors lagere bedragen die hij aan de opvolgende leverancier Oxxio verschuldigd werd voor de periode 22 maart 2013 tot en met 3 november 2013 (prod.13).

Tot de subsidiaire verweren behoort het beroep van [gedaagde] op het ontbreken van een gerichte geldige ingebrekestelling en deswege van buiten rechte ingetreden betalingsverzuim. De brief van 23 mei 2013 kan daaraan niet bijdragen omdat die de dag daarop al weer door ‘GGN’ ingetrokken is (voor wat betreft het gevorderde bedrag) en een brief van 29 juli 2013 (door Hoist in het exploot genoemd) heeft [gedaagde] nooit bereikt. Een en ander staat in ieder geval in de weg aan het vorderen van vervallen geachte rente en van een vergoeding van buitengerechtelijke kosten. In het licht van het verzuim van Essent / Hoist om adequaat te reageren op de diverse bezwaren en vragen van [gedaagde] is het instellen van deze twee nevenvorderingen ook nog eens in strijd met redelijkheid en billijkheid. Voor wat de kosten betreft, schiet Hoist verder tekort in de plicht daaraan ‘concreet invulling te geven’ en heeft te gelden dat de daaraan eventueel ten grondslag liggende werkzaamheden ‘niet opportuun’ waren in het licht van de toezeggingen van Essent (de gewekte verwachting) dat vooralsnog geen acties ondernomen zouden worden en in het licht van de door de gemeente Maastricht afgegeven betalingsgarantie (althans met betrekking tot de hoogste factuur).

Tot slot pleit [gedaagde] ervoor om in ieder geval Hoist voor haar wijze van procederen op het punt van de proceskosten te ‘sanctioneren’ ([gedaagde] zal met deze term niet bedoeld hebben een vorm van ‘goedkeuren’, de betekenis die daaraan normaliter gehecht wordt, doch de intentie hebben gehad om er een - negatieve - sanctie aan te doen verbinden).

de beoordeling

Door de processuele eisen / voorwaarden als bedoeld in de artikelen 21, 85 en 111 Rv in sterke mate te negeren, althans vergaand onvoldoende te respecteren, heeft Hoist (al dan niet op gezag van Essent) de kantonrechter en haar wederpartij niet het inzicht geboden in de aard, inhoud en omvang van haar vordering dat voor een inleidend processtuk van haar verlangd mag worden. Weliswaar gaat de wetgever ervan uit dat in beginsel een herstelkans geboden wordt in een tweede procesronde (al dan niet schriftelijk gevoerd), maar bij een vordering als de onderhavige en ten aanzien van een repeatplayer als Hoist (net zo goed als Essent), verzetten alleen al overwegingen van proceseconomische aard, doelmatigheid en doeltreffendheid zich tegen een dergelijke herkansing. Aan deze processuele beslissing draagt verder in niet onbelangrijke mate de overweging bij dat Hoist, althans haar gemachtigde, in het exploot van dagvaarding welbewust een onware voorstelling van zaken geeft op ten minste één onderdeel, dat ziet op het (niet) weergeven van de voorgeschiedenis. Waar [gedaagde] in een betoog van negen pagina’s bij antwoord het grootste deel van zijn relaas ophangt aan hetgeen buiten rechte voorgevallen is in de relatie tot Essent / “HOIST Essent FF” en tot de gemachtigde ‘GGN’ en daar ook nog elf van de dertien zeer illustratieve producties aan wijdt, presteert Hoist het om onder het kopje ‘Verweer’ zich doodleuk op het standpunt te stellen: “Gedaagde heeft de vordering van eiseres niet betwist” (en als hij dat in de procedure alsnog mocht doen, wil Hoist wel repliceren, maar niet compareren). Waar [gedaagde] verder dertien goed toegelichte producties aan zijn antwoord hecht, beperkt Hoist zich tot één weinig zeggende en ook nog eens aan de verkeerde toegeschreven productie (een kopie van een brief d.d. 21 januari 2013 van Essent aan [gedaagde] die volgens Hoist afkomstig is van ‘eiseres/haar incassotussenpersoon’). Bewijs (ook bij geschrifte) biedt Hoist slechts aan op een manier die in abstractie en nietszeggendheid uitblinkt: “Eiseres biedt aan haar stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens” en/of “Eiseres is bereid en biedt aan deze vordering desgewenst nader te specificeren en/of nadere stukken in het geding te brengen”. Hoewel Hoist niet in de gelegenheid gesteld is op het verweer en de producties van [gedaagde] te reageren, moet zij geacht worden daarmee ten volle bekend te zijn geweest ten tijde van dagvaarding nu alle elf relevant geachte producties inclusief de daaraan verbonden toelichting in het antwoord ontleend zijn aan rechtstreekse contacten van [gedaagde] (voor hem de gemeentelijk ambtenaar [naam 1]) met Hoists beweerde rechtsvoorgangster Essent en het kantoor van de incassogemachtigde (‘GGN’) dat thans ook in rechte als gemachtigde verschijnt. Hoist had dus geprepareerd kunnen en moeten zijn op zowel het verweer als de concrete verweermiddelen van [gedaagde] en zij had daar zelfs eigener beweging bij exploot al melding van moeten maken (art. 111 lid 3 Rv). Door het tegendeel te poneren (‘er bestond geen verweer’) spreekt zij onwaarheid, poogt zij de kantonrechter (eventueel in de hoop op verstek van de gedaagde partij) op het verkeerde been te zetten en schendt zij elementaire regels van goede procesorde en zorgvuldig / zuiver procederen. Hoist doet dit nota bene nadat gemeentelijk consulent [naam 1] in zijn aangetekend aan ‘GGN’ verzonden brief van 14 augustus 2013 de doorverwijzing van [gedaagde] naar een advocaat aangekondigd had voor het geval tot dagvaarding overgegaan zou worden. Een gewaarschuwd mens had dus beter kunnen weten en in ieder geval anders kunnen doen. En wat er dan in deze concrete zaak nog bijkomt: Hoist geeft in plaats van Essent nog steeds bij exploot niet de duidelijkheid over de in rekening gebrachte posten - naar herkomst en omvang - waarom [gedaagde] al sinds 17 januari 2013 vraagt en die ook de kantonrechter absoluut noodzakelijk acht.

Al vaker is Hoist (net als Essent en net als haar professionele gemachtigde) in vonnissen en anderszins gewezen op de ondeugdelijkheid van processtukken waarin bijvoorbeeld verzuimredeneringen essentiële schakels missen, waarin de verzend- en ontvangsttheorie (de betekenis van art. 3:37 lid 3 BW voor het rechtsgevolg dat de zender van een wilsverklaring beoogt te bereiken) miskend wordt of waarin stellingen gebrekkig verwoord en onvoldoende geadstrueerd zijn dan wel niet voldoende voorzien zijn van specifiek bewijs althans een adequaat gespecificeerd bewijsaanbod. Met de vergaand geabstraheerde exploten van dagvaarding die Hoist belieft te hanteren, loopt zij nu eenmaal het gerede risico de plank mis te slaan. Zeker in de gevallen waarin zij stuit op een gedaagde partij die zich niet klakkeloos bij de vordering neerlegt en zich aldus niet geheel afhankelijk maakt van ambtshalve rechterlijke toetsing van aspecten van de vordering (zoals wel het geval is bij verstek of bij afwezigheid van inhoudelijk verweer).

[gedaagde] bestrijdt niet dat een overeenkomst met Essent tot levering van ‘nutsvoorzieningen’ bestaan heeft voor het woonperceel aan zijn vroegere adres [adres 2] te [woonplaats] (zelfs al sinds medio 1997), maar wijst er wel nadrukkelijk op dat hij die overeenkomst slechts had willen laten duren tot 16 november 2012 in verband met zijn verhuizing uit die inmiddels als slooppand aangewezen behuizing naar de [adres 1] in [woonplaats], een woning die hij op 15 november 2012 betrokken heeft. Tegen de zin van [gedaagde] heeft Essent de levering van energie aan de woning aan de [adres 2] gecontinueerd voor de periode 16 november 2012 tot of tot en met 6 januari 2013, getuige de gemeten verschillen in meterstanden per 16 november 2012 (die van de opzichter van woningcorporatie Servatius, prod.1 bij antwoord) respectievelijk 6 januari 2013 (de opgave van Essent, prod.2 bij antwoord). Waar Hoist bij exploot uitdrukkelijk zegt de vordering tegen [gedaagde] te baseren op de leveringsrelatie Essent/[gedaagde] voor het perceel [adres 2] te [woonplaats] en daarvoor drie ‘facturaties’ en één voorschot noemt, waarvan er evident één (die van 2 april 2013 ten belope van € 657,68) nu juist niet ziet op deze aansluiting op het energienetwerk, doch op de [adres 1] (prod.5 bij antwoord), kan de vierde post hoe dan ook niet voor toewijzing in aanmerking komen. De andere drie posten ontberen (ook) iedere toelichting en zelfs is er in het licht van hetgeen al over de vierde post geconstateerd is, geen duidelijkheid over de vraag of zij wel (alle) zien op het aansluitadres [adres 2]. De post van € 157,05 waarvan dit in het licht van de door [gedaagde] ingebrachte derde productie wel lijkt vast te staan, komt niet voor toewijzing in aanmerking omdat de omvang van het in rekening gebrachte energieverbruik voor de periode 1 november 2012 tot (en met) 6 januari 2013 gemotiveerd betwist is, net als de periode als zodanig. Het is bovendien vreemd dat voor die periode slechts € 231,00 aan ‘in rekening gebrachte voorschotten’ bij wijze van aftrek in aanmerking genomen is, terwijl het volgens Hoist onbetaald gebleven voorschotbedrag voor december 2012 € 435,02 per maand beliep. Dat er aan ‘voorschotten’ of ‘voorschot’ (voor [adres 2]) € 435,02 onbetaald gelaten is, strookt in het geheel niet met het overzicht van betalingen aan Essent via de Kredietbank Limburg dat als onderdeel van prod.6 door [gedaagde] ingebracht is (een bericht dat al op 16 april 2013 ter kennis van Essent is gekomen). Dat er ergens ook nog een factuur van € 10,38 open zou staan, wordt op geen enkele wijze verklaard, of het moest zijn dat het te maken heeft met een of meer van de posten van steeds € 20,00 aan ‘kosten LBM’ die [naam 2] namens Essent opnam in een ‘overzicht van vorderingen en betalingen’ dat hij op 15 april 2013 aan [naam 1] stuurde (prod.4). Voor toewijzing van een afzonderlijke kostenpost bestaat echter reeds bij afwezigheid van enig daartoe aangevoerd relevant argument (en zonder gesteld of gebleken concreet betalingsverzuim voorafgaand aan dagvaarding) geen grond.

Alles bijeengenomen moet voor de vier posten die tezamen de gevorderde hoofdsom (een bedrag van € 1 260,13) vormen, geconcludeerd worden dat zij in deze vorm niet toewijsbaar zijn en daarom komen de twee nevenvorderingen evenmin voor toewijzing in aanmerking.

Mede omdat Hoist klaarblijkelijk onwaarheid spreekt met de mededeling in het exploot dat ‘Gedaagde…de vordering van eiseres niet betwist’, moeten aan het in tal van opzichten lacuneuze exploot waarmee Hoist de vordering ingeleid heeft, vergaande consequenties verbonden worden. Dit geldt ook voor het geval dat Hoist mogelijk zelf niet welbewust een onwaarheid verkondigt maar slordig is geweest in het raadplegen van voor de (beweerde) vordering relevante stukken dan wel zich ter gelegenheid van de cessie door Essent niet volledig heeft laten informeren en/of naliet de beschikbaarstelling van een volledig dossier te verlangen. Hoewel bovendien ook dan geldt dat Hoist mede aan te spreken is op slordigheid van haar procesgemachtigde die - hoewel zelf kantoorhoudend in Tilburg - deel uitmaakt van een organisatie (‘GGN’) die via haar vestiging in ’s-Hertogenbosch rechtsreeks betrokken was bij de correspondentie die buiten rechte medio januari 2013 op gang gekomen is en die culmineerde in de nimmer beantwoorde aangetekende brief van 14 augustus 2013 (prod.1): het daarin neergelegde geschilpunt met [gedaagde] had Hoist dus hoe dan ook niet buiten deze procedure mogen houden en dat zij dit probeerde, valt haar hogelijk kwalijk te nemen.

In deze kwestie is algehele afwijzing van de vordering van Hoist dan ook onvermijdelijk bij gebrek aan feitelijke grondslag. Hoist zal bijgevolg ook de proceskosten moeten dragen, die aan de zijde van [gedaagde] bepaald worden op een bedrag van € 150,00 aan salaris gemachtigde. Omdat daar bij antwoord niet om gevraagd is, moet uitvoerbaarheid bij voorraad van de kostenbeslissing uitblijven.

BESLISSING

De vordering van Hoist wordt afgewezen, met haar verwijzing in de proceskosten, die aan de zijde van [gedaagde] op een bedrag van € 150,00 aan salaris voor diens gemachtigde bepaald worden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.