Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4643

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
03/866198-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van primaire verdenking van overtreding van artikel 6 WVW en ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld ter zake de subsidiaire verdenking van overtreding van artikel 5 WVW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/866198-13

Datum uitspraak : 21 mei 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman is mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 7 mei 2014.

De rechtbank heeft op 7 mei 2014 gehoord: de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat, na wijziging van de tenlastelegging, terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 05 januari 2013, te Gronsveld, in elk geval in de gemeente Eijsden-Margraten, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A2 (links, ter hoogte van

hectometerpaal 266.1), zijnde een autosnelweg, bestemd voor het verkeer komende uit de richting België en rijdende in de richting Maastricht, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend

- bij regen en (invallende) duisternis - vanuit de vluchtstrook achteruit de

rechterrijstrook (rijstrook 2) van de Rijskweg A2 op te rijden en te blijven

rijden, in elk geval op de rechterrijstrook (rijstrook 2) van de Rijksweg A2

achteruit te rijden,

zulks terwijl op dat moment een bestuurster van een personenauto (Toyota Carina), komende uit de richting van België en gaande in de richting Maastricht en rijdende op dezelfde weg en/of rijstrook als hem, verdachte, het voertuig van hem, verdachte, aan de achterzijde aan het naderen was en/of de snelheid van het door haar, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en niet voldoende kon verminderen en/of niet behoorlijk uit kon wijken om een

aanrijding en/of botsing met het zich vóór haar bevindende voertuig te voorkomen, waardoor de bestuurster van genoemde personenauto (Toyota Carina), met het

door haar bestuurde voertuig in botsing of aanrijding is gekomen met het

voertuig van, hem, verdachte,

waardoor een ander, te weten

- [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, hersenletsel (met blijvende verlamming aan de linkerzijde van het lichaam tot gevolg) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, en/of

- [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, een schouder- en/of wervelbreuk of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 05 januari 2013, te Gronsveld, in elk geval in de gemeente Eijsden-Margraten, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de

weg, de Rijksweg A2 (links, ter hoogte van hectometerpaal 266.1), zijnde een autosnelweg, bestemd voor het verkeer komende uit de richting België en rijdende in de richting Maastricht,

- bij regen en (invallende) duisternis - vanuit de vluchtstrook achteruit de rechterrijstrook (rijstrook 2) van de Rijskweg A2 op is gereden en is blijven rijden, in elk geval op de rechterrijstrook (rijstrook 2) van de Rijksweg A2 achteruit heeft gereden,

zulks terwijl op dat moment een bestuurster van een personenauto (Toyota Carina), komende uit de richting van België en gaande in de richting Maastricht en rijdende op dezelfde weg en/of rijstrook als hem, verdachte, het voertuig van hem, verdachte, aan de achterzijde aan het naderen was en/of de snelheid van het door haar, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en niet voldoende kon verminderen en/of niet behoorlijk uit kon wijken om een

aanrijding en/of botsing met het zich vóór haar bevindende voertuig te voorkomen,

waardoor de bestuurster van genoemde personenauto (Toyota Carina), met het door haar bestuurde voertuig in botsing of aanrijding is gekomen met het voertuig van, hem, verdachte, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij verwijst daartoe naar het proces-verbaal Politie Regio Limburg Zuid, Leiding District Maastricht, het daarbij gevoegde proces-verbaal van de Politie Eenheid Limburg, Forensische Opsporing, Verkeers Ongeval Analyse, en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 5 januari 2013 heeft er te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, een verkeersongeval plaatsgevonden op de autosnelweg, Rijksweg A2 (links, ter hoogte van hectometerpaal 266.1), bestemd voor het verkeer komende uit de richting België en rijdende in de richting Maastricht. .

Verdachte is met zijn opvallend gele ANWB Wegenwachtauto met inwerking zijnde zwaailichten, knipperende alarmlichten en in werking zijn achteruitrijlichten bij regen en invallende duisternis vanuit de vluchtstrook achteruit de rechterrijstrook (rijstrook 2) van de Rijksweg A2 op gereden en is achteruit blijven rijden. Eerder had er een aanrijding op dezelfde rijstrook van de Rijksweg A2 ter hoogte van hectometerpaal 266.1 plaatsgevonden, ten gevolge waarvan zich twee voertuigen en de inzittenden ervan op de vluchtstrook bevonden. Verdachte had zijn dienstvoertuig aanvankelijk vóór deze voertuigen op de vluchtstrook geparkeerd, maar wilde deze verplaatsen naar de vluchtstrook achter de aanrijding, om het vanuit België komende verkeer te waarschuwen.

Op dat moment is de bestuurster van een personenauto (Toyota Carina), komende uit de richting van België en gaande in de richting Maastricht en rijdend op dezelfde weg en rijstrook als verdachte, in botsing gekomen met de door verdachte bestuurde ANWB-auto. Twee inzittenden van de Toyota Carina, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben als gevolg van deze botsing zwaar lichamelijk letsel opgelopen.2

De vraag die de rechtbank in deze zaak als eerste dient te beantwoorden is of alle onderdelen van het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Het meest belangrijke onderdeel van deze tenlastelegging betreft het verwijt dat door het handelen van verdachte de bestuurster van de Toyota Carina de snelheid van het door haar, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en niet voldoende kon verminderen en/of niet behoorlijk uit kon wijken om een aanrijding en/of botsing met het zich vóór haar bevindende voertuig te voorkomen, waardoor de bestuurster van genoemde personenauto (Toyota Carina), met het door haar bestuurde voertuig in botsing of aanrijding is gekomen met het voertuig van verdachte.

De rechtbank komt tot de conclusie dat voor dit onderdeel van de tenlastelegging onvoldoende bewijs voorhanden is. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De getuige [slachtoffer 1], die als bijrijdster in de Toyota Carina aanwezig was, heeft bij de politie verklaard dat zij, samen met een vriendin die op de achterbank zat, op een afstand van een paar honderd meter een auto van de ANWB naar achteren zag rijden. Zij reden toen op de A2 in de richting van Maastricht. Zij kon de ANWB-auto goed zien, ondanks dat het schemerig was. Zij zag dat van deze auto de achteruitrijverlichting brandde. Zij heeft tegen de bestuurster gezegd dat zij naar links moest gaan en heeft haar gewezen op de ANWB-auto.

De getuige [slachtoffer 2], die op de achterbank van de Toyota Carina zat, heeft bij de politie verklaard dat zij over de autosnelweg op de rechter weghelft richting Maastricht reden met een snelheid van tussen de 100 en 130 kilometer per uur. Zij zag op een gegeven moment witte lampen van een voertuig op hun weghelft op zich afkomen. Zij heeft toen tegen de bestuurster gezegd dat zij naar links moest gaan. Zij heeft ruim van tevoren gezien dat de bestuurster naar links moest gaan.

De bestuurster van de Toyota Carina, [getuige], heeft bij de politie verklaard dat zij met twee vriendinnen in haar auto over de rechter rijstrook van de A2 reed in de richting van Maastricht. Zij hoorde dat de vriendin die op de achterbank zat plotseling zei dat zij naar de linkerrijstrook moest gaan. Zij zag toen plotseling dat op dezelfde rijstrook als die, waarop zijzelf reed, voor haar een auto van de ANWB stond en dat de oranje zwaailichten op het dak van de auto in werking waren.

Gelet op de inhoud van deze verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de ANWB Wegenwachtauto voor de inzittenden van de Toyota al op een paar honderd meter afstand zichtbaar is geweest, zodat de bestuurster van de Toyota Carina voldoende gelegenheid heeft gehad om tijdig haar auto naar de linkerrijstrook te verplaatsen, waartoe zij ook aanwijzingen van de andere inzittenden had gekregen, dan wel dat zij de auto tijdig tot stilstand had kunnen brengen. De rechtbank heeft bij dit oordeel ook betrokken de omstandigheid dat er sprake was van een rechte weg en dat van elke bestuurder mag worden verwacht dat deze kan anticiperen op onverwachte situaties op de weg

Nu voor het belangrijkste onderdeel van het primair ten laste gelegde onvoldoende bewijs voorhanden is, kan naar het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de resterende onderdelen van de tenlastelegging niet gekomen worden tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Verdachte zal dan ook van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de hiervoor overwogene, ook het onderdeel “en/of de snelheid van het door haar, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en niet voldoende kon verminderen en/of niet behoorlijk uit kon wijken om een aanrijding en/of botsing met het zich vóór haar bevindende voertuig te voorkomen, waardoor de bestuurster van genoemde personenauto (Toyota Carina), met het

door haar bestuurde voertuig in botsing of aanrijding is gekomen met het

voertuig van, hem, verdachte” niet bewezen kan worden verklaard. Anders dan in het primair ten laste gelegde kunnen de resterende onderdelen van het subsidiair ten laste gelegde wel tot een bewezenverklaring leiden. De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 5 januari 2013, te Gronsveld, gemeente Eijsden-Margraten, als bestuurder van een motorrijtuig, bedrijfsauto, daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A2 links, ter hoogte van hectometerpaal 266.1, zijnde een autosnelweg, bestemd voor het verkeer komende uit de richting België en rijdende in de richting Maastricht,

- bij regen en invallende duisternis - vanuit de vluchtstrook achteruit de rechterrijstrook (rijstrook 2) van de Rijskweg A2 op is gereden en is blijven rijden,

zulks terwijl op dat moment een bestuurster van een personenauto, Toyota Carina, komende uit de richting van België en gaande in de richting Maastricht en rijdende op dezelfde weg en rijstrook als hem, verdachte, het voertuig van hem, verdachte, aan de achterzijde aan het naderen was, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1

De strafbaarheid

Het subsidiair bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2

De kwalificatie

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is echter niet strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde, nu er een omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, blijkens een door de Directeur Hulpverlening ANWB afgegeven Vrijstelling Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990, vrijstelling heeft van het verbod om op een autoweg of autosnelweg achteruit te rijden (artikel 43, eerste lid). Van genoemde vrijstelling mag echter blijkens de daarop vermelde voorschriften alleen gebruik worden gemaakt, voor zover dit voor de onmiddellijke uitvoering van de hulpverleningswerkzaamheden noodzakelijk is, derhalve indien de werkzaamheden zonder gebruikmaking van de beschikking redelijkerwijs niet kunnen worden uitgevoerd.

Blijkens de formulering van genoemde voorschriften is het door de Minister van Verkeer en Waterstaat aan degene aan wie de vrijstelling is verleend overgelaten om op een juiste wijze invulling te geven aan meergenoemd voorschrift.

De rechtbank is van oordeel dat door verdachte op een correcte wijze invulling is gegeven aan genoemd voorschrift. Er was op dat moment sprake van een verkeersgevaarlijke situatie daar er twee onverlichte voertuigen en diverse personen op de vluchtstrook stonden, waarvan één nagenoeg op de rechterrijstrook van de A2. De rijbaan van de A2 ter plaatse was onverlicht, terwijl er bovendien sprake was van regen en invallende duisternis. Verdachte kon bedoelde situatie niet anders beveiligen dan met zijn ANWB Wegenwachtauto over de rechterrijbaan achteruit te rijden, zodat hij vóór de plaats van het ongeval kon komen en met behulp van zijn oranje zwaailichten het aankomende verkeer kon waarschuwen. Gezien het feit, dat inzittenden van de aanrijdende personenauto (Toyota Carina) deze manoeuvre van verdachte op een afstand van enkele honderden meters reeds konden waarnemen was er – naar het oordeel van de rechtbank – voor betreffende bestuurster nog voldoende gelegenheid snelheid te verminderen, tot stilstand te komen danwel een andere rijstrook (de linkerrijstrook) te gaan berijden.

Verdachte zal dan ook vanwege afwezigheid van alle schuld van alle rechtsvervolging worden ontslagen.

7 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het subsidiair bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. E.H.A.F.M. Krol en mr. G. Demmink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.P.J.M. Vugs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 mei 2014.

Buiten staat

Mr. G. Demmink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Limburg-Zuid opgemaakte proces-verbaal, genummerd 1 tot en met 75 d.d. 27 april 2013 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Het proces-verbaal van de Politie Eenheid Limburg, Forensische Opsporing, Verkeers Ongeval Analyse, d.d. 22 maart 2013, doorgenummerde pagina’s 37 tot en met 46, het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 januari 2013, doorgenummerde pagina 31 en de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring.