Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4608

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
26-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_1287u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan beroepsmilitair afgeven verklaring van geen bezwaar op grond van de Wet veiligheidsonderzoeken ingetrokken wegens veroordeling voor een misdrijf. In het beroep op het vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van het vereiste van een evenredige belangenafweging vindt de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het door verweerder gevoerde beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13 / 1287

Uitspraak van de meervoudige kamer van 23 mei 2014 in de zaak tussen

[eiser], wonend te [woonplaats], eiser,

en

de minister van Defensie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2012 heeft verweerder de aan eiser afgegeven verklaring van geen bezwaar ingetrokken.

Bij besluit van 11 maart 2013 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 17 juli 2012 ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De beroepsgronden zijn ingediend bij brief van 19 juni 2013.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2014, waar eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.I. Bieri, werkzaam bij het Ministerie van Defensie, zijn verschenen.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: Wvo) wordt in deze wet verstaan onder:

a. vertrouwensfunctie: een functie die krachtens artikel 3, eerste lid, als zodanig is aangewezen;

b. verklaring: een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon (…).

2.

Ingevolge artikel 2 van de Wvo treden voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 10 en 16, tweede lid, de minister van Defensie en de militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: MIVD) in de plaats van respectievelijk de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, indien een vertrouwensfunctie wordt uitgeoefend bij het Ministerie van Defensie, dan wel indien het een functie betreft die als vertrouwensfunctie moet worden aangemerkt in verband met de daarmee samenhangende noodzaak om toegang te hebben tot militaire installaties.

3.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wvo wordt, alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de MIVD een veiligheidsonderzoek ingesteld.

4.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, eerste volzin, van de Wvo omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie.

5.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wvo is verweerder bevoegd, na het verstrijken van een termijn van vijf jaren of een veelvoud daarvan sinds het afgeven van de verklaring of indien hem blijkt van feiten of omstandigheden die een hernieuwd veiligheidsonderzoek rechtvaardigen, een veiligheidsonderzoek te doen instellen naar een persoon die een vertrouwensfunctie vervult. Voor het instellen van een hernieuwd veiligheidsonderzoek is de instemming van de betrokkene niet vereist.

6.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Wvo kunnen onder feiten en omstandigheden als bedoeld in het eerste lid worden gerekend gegevens die de MIVD heeft verkregen door het verzamelen van justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en van gegevens als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie.

7.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wvo is verweerder bevoegd tot het intrekken van de verklaring, indien hem blijkt dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

8.

Ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

9.

Ingevolge artikel 3:4, eerste lid, van de Awb weegt het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.

10.

Ingevolge artikel 3:4, tweede lid, van de Awb mogen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

11.

Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

12.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

13.

De wijze waarop verweerder invulling geeft aan de hem op grond van artikel 10, eerste lid, in samenhang met artikel 2 van de Wvo toekomende bevoegdheid, was ten tijde hier in geding neergelegd in de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Defensie (hierna: de Beleidsregeling).

14.

Volgens punt 4, aanhef en onder b, van de Beleidsregeling wordt de verklaring van geen bezwaar ingetrokken als betrokkene is veroordeeld wegens een misdrijf tegen het leven, de lichamelijke integriteit of de gezondheid.

15.

Volgens punt 5 van de Beleidsregeling kan bij misdrijven tegen het leven, de lichamelijke integriteit of de gezondheid (punt 4, onderdeel b) worden gedacht aan moord, doodslag, vrijheidsberoving, zware mishandeling, het veroorzaken van de dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld en diefstal met geweld, zoals genoemd in de titels XVIII, XIX, XX, XXI, XXII van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht.

16.

Eiser is werkzaam als beroepsmilitair bij de Koninklijke Landmacht en vervult in die hoedanigheid een vertrouwensfunctie. Ten behoeve van de vervulling van die functie door eiser heeft verweerder eerder een verklaring van geen bezwaar afgegeven. Bij het besluit van 17 juli 2012 heeft verweerder deze verklaring van geen bezwaar ingetrokken omdat uit hernieuwd veiligheidsonderzoek is gebleken dat eiser op 12 november 2010 door de militaire politierechter te Arnhem is veroordeeld tot 80 uren werkstraf subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren werkstraf subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, wegens poging tot zware mishandeling, gepleegd op 15 november 2009. Volgens verweerder zijn er onvoldoende waarborgen aanwezig dat eiser de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.

17.

Eiser voert in beroep aan dat de intrekking van de verklaring van geen bezwaar in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van het vereiste van een evenredige belangenafweging.

18.

Bij de beoordeling van dit beroep stelt de rechtbank voorop dat verweerder bevoegd is een verklaring van geen bezwaar te weigeren of in te trekken indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn, komt verweerder beoordelingsvrijheid toe die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. Deze vrijheid heeft verweerder voor de beoordeling van justitiële gegevens ingevuld in de Beleidsregeling.

19.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in punt 4 van de Beleidsregeling geen onredelijke invulling heeft gegeven aan de hem toekomende bevoegdheid neergelegd in artikel 10, eerste lid, van de Wvo. Verwezen zij in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 8 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:5).

20.

In beroep is niet gesteld dat verweerder niet overeenkomstig de Beleidsregeling heeft gehandeld door de aan eiser verleende verklaring op de gebezigde grond in te trekken. In geding is de vraag of zich ten aanzien van eiser bijzondere omstandigheden voordoen die meebrengen dat verweerder in afwijking van het door hem gevoerde beleid van de intrekking van de verklaring van geen bezwaar had moeten afzien. Omstandigheden die reeds bij de totstandkoming van het beleid zijn afgewogen zijn geen bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin. Voorts kan een geschreven of ongeschreven rechtsregel er onder omstandigheden toe leiden dat van een beleidsregel moet worden afgeweken.

Vertrouwensbeginsel

21.

Eiser heeft aangevoerd dat door het tijdsverloop en de gang van zaken sedert het voorval op 15 november 2009 er bij hem de nodige verwachtingen zijn gewekt waardoor hij erop mocht vertrouwen dat de veroordeling zijn toekomst bij Defensie niet in de weg zou staan. Immers, er zijn in die periode geen rechtspositionele stappen tegen eiser genomen, terwijl hij het voorval direct aan zijn commandant heeft gemeld, hij daarna is uitgezonden naar Afghanistan en na de veroordeling en het voornemen tot intrekking van de verklaring van geen bezwaar is geplaatst op Curaçao.

22.

Verweerder heeft betoogd dat er geen rechtens relevante toezeggingen zijn gedaan en dat aan uitzending naar Afghanistan en plaatsing op Curaçao geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend.

23.

Uit de uitspraken van de Afdeling van 24 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2591) en 8 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:5) volgt dat het tijdsverloop en het uitblijven van rechtspositionele stappen niet dusdanig bijzonder is dat daarin aanleiding is gelegen om van het beleid af te wijken. In genoemde uitspraken is het tijdsverloop tussen veroordeling en veiligheidsonderzoek, respectievelijk intrekking van de verklaring van geen bezwaar in ogenschouw genomen en niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt. Voor zover eiser kennelijk ook de periode voorafgaand aan de veroordeling op 12 november 2010 (vanaf het voorval op 15 november 2009) heeft meegenomen in de onderbouwing van zijn beroep op het vertrouwensbeginsel, is de rechtbank van oordeel dat hierin ook geen bijzondere omstandigheden als boven bedoeld zijn gelegen, nu in elk geval het bevoegd gezag in het kader van de Wvo niet in kennis is gesteld van het voorval. Voor zover is gesteld dat in de periode sinds het voorval geen rechtspositionele maatregelen tegen eiser zijn getroffen, hij zijn opleiding tot verkenner heeft afgemaakt, is uitgezonden naar Afghanistan en nadien is geplaatst op Curaçao terwijl zijn leidinggevenden wetenschap hadden van het voorval en de hierop gevolgde veroordeling, stelt de rechtbank vast dat het gaat om feiten en omstandigheden die hebben gespeeld tussen eiser en zijn feitelijk leidinggevenden en dat het bevoegd gezag in het kader van de Wvo hierbij geen rol heeft gespeeld. Dit geldt ook voor de uitlatingen van de (militaire) strafrechter die tot de veroordeling van 12 november 2010 is gekomen. Nu geen sprake is van aan het in casu bevoegde bestuursorgaan toe te rekenen uitlatingen of gedragingen, indien en voor zover al rechtens relevant, is reeds daarom in zoverre evenmin sprake van bijzondere omstandigheden die verweerder noopten tot afwijking van zijn beleid. Deze gronden van eiser slagen dan ook niet.

Gelijkheidsbeginsel

24.

Eiser heeft verder aanspraak gemaakt op een beoordeling van zijn zaak op gelijke wijze als (de militair in) de uitspraak van de rechtbank Assen van 4 januari 2011 (ECLI:RBASS:2011:BO9836).

25.

Verweerder is van mening dat dit beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen omdat eiser voorafgaand aan zijn veroordeling is uitgezonden, terwijl in de uitspraak van 4 januari 2011 sprake was van een uitzending na de veroordeling.

26.

De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt dat eisers zaak niet gelijk is aan of in relevante mate vergelijkbaar met de zaak uit de uitspraak van 4 januari 2011. Ook de plaatsing van eiser op Curaçao na zijn veroordeling, doet het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen, nu een plaatsing van een andere orde is als een uitzending. Ook deze grond slaagt niet.

Zorgvuldigheidsbeginsel

27.

Eiser heeft voorts betoogd dat er sprake is van onzorgvuldig handelen gelet op de zeer lange termijn die verweerder heeft benut voor de besluitvorming vanaf de veroordeling in november 2010, het voornemen van 23 december 2011 om de verklaring van geen bezwaar in te trekken en het daartoe strekkende besluit van 17 juli 2012. Met verweerder stelt de rechtbank vast dat verweerder eerst in oktober 2011 van de veroordeling op de hoogte is geraakt en vervolgens redelijk voortvarend tot het voornemen is gekomen. Dat het daarna bijna zeven maanden heeft geduurd tot de besluitvorming heeft geresulteerd in het besluit van 17 juli 2012 acht de rechtbank, mede onder verwijzing naar meergenoemde uitspraak van de Afdeling van 8 januari 2014, niet een zodanige onzorgvuldigheid dat verweerder op die grond had moeten afwijken van zijn beleid. Deze grond slaagt evenmin.

28.

Eiser heeft in het kader van de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid betoogd dat verweerder had moeten meewegen dat hij is uitgezonden naar Afghanistan, dat hij deze uitzending vol mocht maken, dat er geen rechtspositionele maatregelen zijn genomen, dat hij na de veroordeling en het voornemen is geplaatst op Curaçao, dat eiser steeds uitstekend heeft gefunctioneerd, dat eiser nimmer was aan te merken als potentieel veiligheidsrisico en dat eiser niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie, hij zijn taakstraf heeft verricht en de proeftijd is verlopen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder hiermee geen rekening heeft gehouden, nu in het besluit van 17 juli 2012 en in het bestreden besluit is overwogen dat eisers functioneren, alsmede de beoordeling daarvan, en de afwikkeling van het strafrechtelijke traject los staan van de beoordeling of sprake is van voldoende waarborgen in het kader van Wvo. Van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit die tot afwijking van het beleid had moeten leiden is naar het oordeel van de rechtbank derhalve ook in dit opzicht geen sprake. Ook deze grond slaagt niet.

Beginsel van het vereiste van een evenredige belangenafweging

29.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de omstandigheid dat intrekking van de verklaring van geen bezwaar tot ontslag leidt, ondanks de voor eiser persoonlijk verstrekkende gevolgen, geen onevenredig gevolg is op grond waarvan van toepassing van de Beleidsregeling had moeten worden afgezien. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de hiervoor genoemde uitspraak van 24 december 2013) dat het niet kunnen vervullen van de vertrouwensfunctie door de betrokkene die niet beschikt over een verklaring van geen bezwaar inherent is aan het systeem van de Wvo en dat de daarmee samenhangende belangen van de betrokkene daarom moeten worden geacht te zijn verdisconteerd in de Wvo en de Beleidsregeling.

30.

Voor zover eiser heeft betoogd dat de organisatie nadeel ondervindt van het wegvallen van eiser als militair, staat artikel 8:69a van de Awb in de weg aan vernietiging van het bestreden besluit. De normen uit de Wvo strekken immers niet tot bescherming van het organisatiebelang in enge zin van Defensie. Deze gronden slagen evenmin.

31.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, mr. T.M. Schelfhout en mr. R.A.M.M. Gijselaers, leden, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2014.

w.g. J.N. Buddeke w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 mei 2014

Rechtsmiddel

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.