Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4442

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
C/03/169433 / S RK 12-222
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ouders verwikkeld in (v)echtscheiding. Zij komen niet tot overeenstemming over een ouderschapsplan. Bij de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken worden de wensen van hun 12-jarige dochter als uitgangspunt genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2014/76

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 9 april 2014

Zaaknummer: C/03/169433 / S RK 12-222

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoeker],

verzoeker, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. H.M. van Aarsen, kantoorhoudende te Maastricht,

en:

[verweerster],

wederpartij, verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. E.R.T.A. Luijten, kantoorhoudende te Heerlen.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook een door deze rechtbank gegeven en op

30 oktober 2013 uitgesproken beschikking.

1 Het verder verloop van de procedure

De Raad voor de Kinderbescherming te Maastricht, verder te noemen: de raad, heeft op

6 januari 2014 een rapport uitgebracht.

Bij beschikking van deze rechtbank van 28 januari 2014 is [minderjarige] met ingang van

28 januari 2014 voor de duur van zes maanden onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, gevestigd te Roermond, verder te noemen de stichting.

Het minderjarige kind [minderjarige] heeft haar mening op de zitting van 3 april 2014 aan de kinderrechter kenbaar gemaakt. Daarna is op die zitting de behandeling voortgezet in aanwezigheid van de vader, de moeder en haar advocaat, de heer M. Kraft, gezinsvoogd en mw. Becker, vertegenwoordigster van de Raad.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank verwijst naar hetgeen in voormelde beschikking is overwogen en beslist.

De raad is verzocht te adviseren over de navolgende vragen:

  • -

    welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige];

  • -

    welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige];

  • -

    hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie te worden vorm gegeven.

2.2.

De raad adviseert:

  • -

    de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te bepalen;

  • -

    in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te leggen dat [minderjarige] een keer per 14 dagen van vrijdag 18.00 uur tot dinsdag 18.00 uur en in de tussenliggende week op de woensdag na school tot de donderdag na school bij de vader verblijft.

2.3.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Uit het rapport van de raad volgt als rode draad dat de verhouding tussen de moeder en de vader zo slecht is dat deze desastreuse gevolgen heeft en gaat krijgen voor hun dochter [minderjarige]. Zij wantrouwen elkaar, kunnen niet met elkaar communiceren en iedere poging om hulpverlening in te zetten, loopt op niets uit. Het lukt de ouders niet om naar hun eigen aandeel te kijken én samen te werken aan het tot stand brengen en verbeteren van hun samenwerking en ouderschapsrelatie. Hun dochter is het kind van de rekening : [minderjarige] laveert tussen de ouders en probeert het hen beiden naar de zin te maken waardoor zij steeds meer tussen haar ouders klem lijkt te geraken én niet haar eigen ontwikkeling lijkt toe te kunnen komen. De hele situatie heeft geleid tot een door de raad ambtshalve ingesteld opvoedingsonderzoek en dat heeft geleid tot een ondertoezichtstelling van [minderjarige] met als doel te komen tot probleembesef bij de ouders van [minderjarige] en in het verlengde daarvan om te zorgen dat de bedreigde ontwikkeling bij [minderjarige] wordt weggenomen.

2.4.

Nu de ouders onvoldoende in staat zijn gebleken om te luisteren naar hun dochter en om te komen tot een volwassen samenwerking en normalisering van hun verhouding als ouders van [minderjarige] neemt de kinderrechter de wens van [minderjarige] tot uitgangspunt bij de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Waar [minderjarige] door haar beide ouders onnodig en ongewenst is en wordt belast met de (v)echtscheiding wordt het tijd dat er zoveel als mogelijk is en in het belang van [minderjarige] is, naar haar wordt geluisterd. Zoveel mogelijk in lijn met haar wensen zal ook worden beslist.

2.5.

[minderjarige] wenst klip en klaar dat zij afwisselend een week bij haar moeder en een week bij haar vader kan zijn mits ook beiden dan echt thuis aanwezig zijn voor haar. Beide ouders hebben ter zitting verklaard dat zij het met hun werk zo kunnen regelen dat zij er voor [minderjarige] kunnen zijn in de week dat [minderjarige] bij hem/haar is.

[minderjarige] wenst in die verdeling van week-tot-week de nodige flexibiliteit van haar beide ouders in die zin dat als er voor haar belangrijke feesten van familieleden of vrienden aan de zijde van de andere ouder zijn in de week dat ze bij de ene ouder is dat zij dan ook naar die belangrijke feesten kan toegaan zonder dat ze afhankelijk is van de vraag of haar ouders er in slagen om dat onderling te regelen: het verleden heeft uitgewezen dat dat regelmatig niet is gelukt. Voor [minderjarige] is heel belangrijk dat zij het contact met haar familie en vrienden aan beide zijden van haar ouders die ook op haar verjaardagsfeestje plegen te komen, kan onderhouden. Daaronder vallen uiteraard ook de verjaardagen van haar moeder en haar vader, alsmede van de partner van haar moeder en die van haar vader alsmede van haar jongste stiefzusje. [minderjarige] moet op die dagen op die feesten aanwezig kunnen zijn en in overleg met haar vader (als de feesten aan vaderszijde zijn) of haar moeder (als de feesten aan moederszijde zijn) de eindtijd afspreken en daarbij dient respectievelijk haar vader of haar moeder te zorgen dat ze op die eindtijd weer terug wordt gebracht bij de andere ouder waar ze die week pleegt te verblijven. Verder geldt dat als [minderjarige] in de ene week ook even (een aantal uurtjes) bij haar andere ouder wil zijn dat dit ook voor haar mogelijk dient te zijn.

2.6.

Wat betreft de vakanties daarin loopt de regeling week-bij moeder/week bij vader gewoon door met dien verstande dat in de grote school- of zomervakantie van [minderjarige] zij een aaneengesloten periode van 3 weken bij de vader en ook diezelfde periode bij haar moeder moet kunnen verblijven. In de even jaren heeft de moeder als eerste de keus welke

3 weken haar voorkeur heeft en daarbij moet zij er voor zorgen dat die 3 weken beginnen met een even week, zoals hierna wordt overwogen, zodat de 3 weken ook eindigen met een even week. Datzelfde geldt voor de vader als hij in de oneven jaren als eerste de keus mag maken: die 3 weken dienen bij hem te beginnen met een oneven week en ook te eindigen met een oneven week. De keuze moet uiterlijk 15 mei van het lopende jaar aan de ander kenbaar worden gemaakt: dus door de moeder uiterlijk 15 mei 2014 voor de komende zomervakantie.

2.7.

Dat deze verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geheel tegemoet komt aan de wens van de vader maakt dat aan zijn argumenten geen aandacht meer hoeft te worden besteed.

2.8.

Nu de moeder op de zitting onomwonden heeft gezegd dat zij in het belang van haar dochter instemt met de wens van haar dochter hoeft ook geen aandacht te worden besteed aan haar visie die aanvankelijk aansloot bij het advies van de raad.

2.9.

Om partijen enige tijd te geven om de nodige voorbereidingen te treffen aan de nieuwe verdeling in verband met hun werk en privé situatie zal worden bepaald dat deze verdeling in zal gaan op zondag 4 mei 2014 om 18.00 uur, dan begint de oneven week 19 waarin [minderjarige] bij haar vader zal verblijven tot de daarop volgende zondag 11 mei 18.00 uur. Dan begint de even week 20 waarin [minderjarige] bij haar moeder zal verblijven.

2.10.

Ook de raad heeft op de zitting benadrukt dat de wensen van [minderjarige] kunnen worden gevolgd en dat de voor die co-ouderschap bestaande contra-indicaties, die hierboven zijn genoemd, niet doorslaggevend hoeven te zijn.

2.11.

Terecht heeft de raad benadrukt dat die verdeling een grote verantwoordelijkheid op de ouders legt om in het belang van hun dochter alsnog de adviezen van raad, Lionarons GGZ en de gezinsvoogd te gaan opvolgen. Nu gaan achterover leunen door de ouders zou tot blijvende schade van hun dochter leiden. In dit verband is het hoopgevend dat niet alleen de moeder maar ook de vader heeft benadrukt mee te willen werken aan systeemtherapie indien deze door de gezinsvoogd wordt aangereikt. Beiden realiseren zich dat daarin door beiden een stevige investering dient te worden gedaan en dat zij elkaar met respect en met een open vizier gericht op de toekomst tegemoet zullen moeten treden. Daarmee leveren beide ouders een belangrijke en noodzakelijke bijdrage aan hun ouderschapsreorganisatie. Zij hebben ter zitting afgesproken met elkaar via e-mail en sms te communiceren over (uitsluitend) zaken die [minderjarige] betreffen zodat ze, in het belang van [minderjarige], op de hoogte zijn van belangrijke feiten en omstandigheden rondom het leven en welzijn van hun dochter zodat zij op adequate wijze invulling kunnen geven aan hun rol als ouders die met de zorg en opvoeding van hun dochter zijn belast. Afgesproken is ook dat zij hun dochter op geen enkele wijze met hun onderlinge strijd of kleine of grote meningsverschillen zullen belasten en dat zij hun dochter zullen vertellen dat zij als ouders samen gaan werken aan een oplossing van hun onderlinge meningsverschillen. Op deze wijze bevorderen zij dat [minderjarige] zo snel mogelijk onbezorgd in het leven kan gaan staan en dat zij onbezorgd kan groeien naar volwassenheid. Daarin zal zij de steun en betrokkenheid van haar ouders zeker nodig hebben.

2.12.

Het hoofdverblijf van [minderjarige] zal bij haar moeder worden bepaald. Dit ligt in het verlengde van de beslissing om [minderjarige] voorlopig aan haar toe te vertrouwen en er zijn geen contra-indicaties voor deze beslissing gebleken.

Met inachtneming van hetgeen is overwogen, wordt als volgt beslist.

3 De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat het hoofdverblijf van [minderjarige], geboren [2002] te [geboorteplaats] bij haar moeder zal zijn;

bepaalt met ingang van 4 mei 2014 de volgende verdeling van de zorg -en opvoedingstaken met betrekking tot hun dochter [minderjarige]:

  • -

    in de oneven weken verblijft [minderjarige] van zondag 18.00 uur tot de daarop volgende zondag 18.00 uur bij haar vader en zo vervolgens elke oneven week;

  • -

    in de even weken verblijft [minderjarige] van zondag 18.00 uur tot de daarop volgende zondag 18.00 uur bij haar moeder en zo vervolgens elke even week;

  • -

    indien [minderjarige] in de betreffende week dat zij bij de ene ouder verblijft naar voor haar belangrijke feesten van familieleden of vrienden aan de zijde van de andere ouder zijn wenst te kunnen gaan dan kan zij daar naar toe gaan zonder dat ze afhankelijk is de toestemming van haar ouders. Daaronder vallen ook de verjaardagen van haar moeder en haar vader, alsmede van de partner van haar moeder en die van haar vader alsmede van haar jongste (stief)zusje. In overleg met haar vader (als de feesten aan vaderszijde zijn) of haar moeder (als de feesten aan moederszijde zijn) spreekt [minderjarige] de eindtijd af en daarbij dient respectievelijk haar vader (bij de feesten aan zijn zijde) of haar moeder (bij de feesten aan haar zijde) te zorgen dat ze op die eindtijd weer terug wordt gebracht bij de andere ouder waar ze die week pleegt te verblijven. Verder geldt dat als [minderjarige] in de ene week ook even (een aantal uurtjes) bij haar andere ouder wil zijn dat dit ook voor haar mogelijk dient te zijn.

  • -

    in de grote school- of zomervakantie van [minderjarige] dient zij een aaneengesloten periode van 3 weken bij de vader en ook diezelfde aaneengesloten periode bij haar moeder te kunnen verblijven. In de even jaren heeft de moeder als eerste de keus welke 3 weken haar voorkeur heeft en daarbij moet zij er voor zorgen dat die 3 weken beginnen met een even week, zodat de 3 weken ook eindigen met een even week. Datzelfde geldt voor de vader als hij in de oneven jaren als eerste de keus mag maken: die 3 weken dienen bij hem te beginnen met een oneven week en ook te eindigen met een oneven week. De keuze moet uiterlijk 15 mei van het lopende jaar aan de ander kenbaar worden gemaakt: dus door de moeder uiterlijk 15 mei 2014 voor de komende zomervakantie 2014, en zo vervolgens;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van E.H.C.M. Franssen-Peeters, griffier, op 9 april 2014.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.