Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4440

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
03/703939-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot het achterwege laten van voorwaardelijke invrijheidstelling (art. 15, 15a, 15b, 15c, 15d en 15e Sr). Dit vanwege de in art. 15d lid 1 sub c Sr genoemde grond dat de veroordeelde zich aan zijn straf heeft onttrokken. De rechtbank oordeelt dat deze vordering mag worden behandeld buiten aanwezigheid van de veroordeelde, mits de vordering op de volgens de wet gegeven regels aan de veroordeelde is betekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/703939-11

Deze beslissing is gegeven door de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, naar aanleiding van de op 30 januari 2014 ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering ex artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht tot uitstel of achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling ten aanzien van

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

woon- en/of verblijfplaats onbekend,

hierna te noemen: de veroordeelde.

De procedure

Uit het procesdossier blijkt het volgende.

Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 5 september 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar. Veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof te

’s-Hertogenbosch van 26 november 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden.

De tenuitvoerlegging van deze straffen is aangevangen op 16 december 2011. Veroordeelde zou vanaf 21 oktober 2014 in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

De officier van justitie vordert het geheel achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De reden daarvoor is dat veroordeelde zich na aanvang van de tenuitvoerlegging onttrokken heeft aan zijn straf. Hij heeft zich namelijk tijdens een

(art. 43.3) plaatsing in de stichting Mondriaan te Heerlen op 23 december 2013, onttrokken aan zijn straf door op die datum te ontvluchten.

De officier van justitie heeft zijn vordering aan de veroordeelde betekend. Doordat de veroordeelde blijkens het uittreksel uit de basisadministratie op 14 februari 2014, dus na zijn ontvluchting, is uitgeschreven, is de vordering (na aanbieding op het laatst bekende adres) tijdig op de griffie neergelegd. De officier van justitie kan derhalve in de vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling worden ontvangen.

Veroordeelde is niet bij de behandeling van de vordering verschenen. Wel was aanwezig de raadsman van veroordeelde mr. R. Corten. Deze gaf aan in eerder stadium gemachtigd te zijn door zijn cliënt om namens hem het woord te voeren, maar over onderhavige zitting geen contact te hebben gehad. Hij wist dan ook niet of veroordeelde van de behandeling op de hoogte was.

De raadsman heeft verzocht om de behandeling van de vordering te schorsen. Hij voert daartoe aan dat de veroordeelde recht heeft om bij de behandeling aanwezig te zijn. Voorts bepalen art. 15f leden 1 en 2 Sr dat de rechtbank bij geheel of gedeeltelijke toewijzing van de vordering ‘het tijdstip’ moet bepalen waarop de veroordeelde in vrijheid wordt gesteld. Omdat veroordeelde op dit moment voortvluchtig is, is de detentie geschorst en kan dus geen tijdstip worden bepaald waarop de detentie eindigt en de veroordeelde in vrijheid kan worden gesteld.

De officier van justitie heeft bepleit om deze bepaling niet letterlijk te nemen. Hij voert aan dat zijn vordering inhoudt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege blijft en dat de rechtbank bij gehele of gedeeltelijke toewijzing van die vordering kan volstaan met bepaling van de termijn dat de detentie na het ingaan van de termijn van voorwaardelijke invrijheidstelling nog zal doorlopen. In dat verband heeft hij berekend dat bij de totale strafduur van vier jaar en drie maanden de termijn van de voorwaardelijke invrijheidstelling (1/3 deel van 4 x 365 dagen plus 3 x 30 dagen) 517 dagen bedraagt. Vanaf de dag van ontvluchting zou de tenuitvoerlegging van de detentie (exclusief de voorwaardelijke invrijheidstelling) nog 302 dagen duren (van 23 december 2013 tot 21 oktober 2014).

De rechtbank oordeelt als volgt.

Het gegeven dat in art. 15f Sr is opgenomen dat bij toewijzing van de vordering tot geheel of gedeeltelijk uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling de rechtbank het tijdstip bepaalt waarop de veroordeelde in vrijheid zal worden gesteld, wijkt af van het feit dat in art. 15d lid 4 Sr is opgenomen dat de vordering van de officier de termijn bevat waarmee de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden uitgesteld of de gehele voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege zal worden gelaten. Op zich is het te verwachten dat als de rechtbank een dergelijke vordering beoordeelt, zij kan volstaan met het geheel of gedeeltelijk toewijzen van de vordering. De heersende praktijk is dat bij vorderingen als de onderhavige, de rechtbank dat ook aldus doet. Het is vervolgens aan de officier van justitie als degene die belast is met de executie van de straf om met inachtneming van de beslissing van de rechtbank de datum van invrijheidstelling te bepalen. Daarmee lijkt de redactie van art. 15f Sr niet in overeenstemming met die van art. 15d Sr.

Uit het voorgaande volgt dat het enkele feit dat bij schorsing van de detentie door onttrekking daaraan geen exacte einddatum kan worden bepaald, onvoldoende reden vormt om de vordering af te wijzen of aan te houden. Als dit gevolg daaraan namelijk zou worden verbonden, zou dat onbegrijpelijk afwijken van de gevallen waarin wel een einddatum kan worden genoemd, maar dit (zoals hierboven is betoogd) evenmin gebeurt.

De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of het haar vrijstaat om de vordering buiten aanwezigheid van de veroordeelde te behandelen en daarop te beslissen. Bij de beantwoording van deze vraag is relevant dat art. 15e lid 5 Sr bepaalt dat de veroordeelde in de gelegenheid wordt gesteld om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Uit de redactie van dit artikel in combinatie met art. 585-588 Sv is af te leiden dat het voldoende is om de veroordeelde per gewone post voor de behandeling op te roepen en dat betekening achterwege kan blijven. In art. 15e lid 6 Sr is vervolgens een aantal artikelen van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing verklaard, waarbij opvalt dat de bepalingen over de geldigheid van de dagvaarding of oproeping (art. 278 Sv) en verstekverlening (art. 280 Sv) buiten toepassing zijn gelaten. Hieruit kan worden afgeleid dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de veroordeelde bij vorderingen tot wijziging of intrekking van de V.I (en anders dan bij herroeping van de V.I: art. 15i lid 6 Sr) steeds gedetineerd is en er dus geen bijzondere voorzieningen (betekening en verstekverlening) nodig waren om de mogelijkheid tot het bijwonen van de behandeling te optimaliseren.

Gezegd kan worden dat de wetgever de situatie dat de veroordeelde zich ten tijde van de vordering tot uitstel of achterwege laten van de V.I. niet in detentie bevindt, door de wetgever niet is onderkend1. De vraag hoe daar mee om te gaan, kan verschillend worden benaderd.

De eerste benadering is dat het uitstellen of achterwege laten van de V.I. een zodanig ingrijpende beslissing is, waartegen geen hoger beroep open staat, dat voor zover mogelijk gewacht moet worden met de behandeling daarvan totdat de veroordeelde bij de behandeling aanwezig kan zijn. Dat zal steeds het geval zijn zodra hij wordt aangehouden om de detentie voort te zetten2. Nadeel van deze benadering is dat de vordering tot uitstel of achterwege laten van de V.I. onverwijld na de ontvluchting moet worden ingediend (art. 15d lid 4 Sr) en dat de zaak vervolgens moet worden aangehouden totdat de ontvluchte weer gedetineerd is geraakt.

De tweede benadering is dat het aan veroordeelde zelf kan worden verweten dat hij zich aan de detentie onttrokken heeft. Het feit dat hij niet op de hoogte is van de behandeling, is aan hem zelf toe te rekenen. In dat verband kan worden opgemerkt dat veroordeelden zich doorgaans bewust zijn dat het gevolg van ontvluchting is dat de V.I. zal worden ingetrokken. Die bekendheid met dat gevolg is er kennelijk de oorzaak van dat in Nederland het aantal ontsnappingen uit detentie in relatie met omringende landen gering is. Als dan blijkt dat de veroordeelde na onttrekking aan detentie is uitgeschreven in de basisadministratie en geen bekende woon-of verblijfplaats heeft, terwijl door betekening alles ondernomen is om hem van de behandeling op de hoogte te stellen, is verdedigbaar dat de vordering ondanks afwezigheid van de veroordeelde mag worden behandeld.

Vóór deze benadering pleit dat in het wetgevingsproces een motie tot het afzonderlijk strafbaar stellen van onttrekking aan detentie door ontvluchting is gepareerd met het argument dat een dergelijke onttrekking al tot intrekking van de V.I. leidt3. (Toenmalig) Kamerlid Teeven vat de bespreking daarover met de Minister van Justitie in de Tweede Kamer als volgt samen: “Ik heb zojuist een aantal malen de minister over dit onderwerp bevraagd. De minister heeft mij daarop verwezen naar artikel 15, lid 1, onder c. Daarin is een aparte reden opgenomen om direct na één misdraging de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te sluiten. De motie van de heer De Roon stelt dat er geen serieuze gevolgen aan worden verbonden. Ik heb van de minister begrepen dat als gevolg van een poging tot ontsnapping of een ontsnapping direct wordt begonnen met afstel van die voorwaardelijke invrijheidstelling”4 (onderstrepingen door de rechtbank).

Vóór deze benadering pleit tenslotte ook dat de beslisruimte voor de rechtbank buitengewoon klein is5. Mede gelet op de hierboven weergegeven discussie over de op ontvluchting te stellen ‘sanctie’ is verdedigbaar dat bij ontvluchting het belang van veroordeelde om daarop te worden gehoord, ondergeschikt is aan het terstond bepalen dat het gevolg daarvan het achterwege laten van de V.I. is.

De rechtbank is van oordeel dat alles afwegende de vordering behandeld kan worden. Het verzoek tot aanhouding zal daarom worden afgewezen.

Ten aanzien van de vordering tot achterwege blijven van de V.I.

Uit de stukken blijkt genoegzaam dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf hieraan heeft onttrokken. Aan de voorwaarde tot het uitstellen danwel geheel achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldaan. De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie betreffende de veroordeelde. Uit dit overzicht blijkt van vele veroordelingen, waarbij veroordeelde enkele keren tot lange vrijheidsstraffen werd veroordeeld. De rechtbank ziet geen redenen de vordering van de officier van justitie, strekkende tot een geheel achterwege verklaren van de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde, niet toe te wijzen. De van het dossier deel uitmakende informatie en advies van de penitentiaire inrichting maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

Toepasselijke wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 15d, 15e en 15f van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank

- wijst de vordering tot het geheel achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheid-

stelling toe;

- bepaalt dat de veroordeelde in vrijheid zal worden gesteld op het tijdstip waarop – na

hervatting van de straf en zonder dat voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden

toegepast - de aan veroordeelde opgelegde vrijheidsstraffen zullen zijn geëxpireerd.

Deze beslissing is aldus genomen door mr. H.H. Dethmers, voorzitter, mr. E.H.A.F.M. Krol en J. Wöretshofer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Eroktay, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 mei 2014.

Buiten staat

Mr. H.H. Dethmers en mr. J. Wöretshofer zijn niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/703939-11

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 7 mei 2014 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortegegevens verdachte],

woon- en/of verblijfplaats onbekend.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De veroordeelde is niet in de zaal van de zitting aanwezig.

De rechter spreekt de belissing uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard.

1 Invoering van art. 15 tot en met 15k Sr is (behoudens enkele ondergeschikte wijzigingen daarna) gebeurd bij wet van 6 december 2007 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met de wijziging van de vervroegde invrijheidstelling in een voorwaardelijke invrijheidstelling. Het wetgevingsproces is vastgelegd in kamerstukken met nummer 30 513. Daarin is geen aandacht besteed aan de situatie dat veroordeelde niet op de hoogte kan worden gesteld van de behandeling omdat hij zich aan detentie onttrokken heeft.

2 Art. 15e lid 2 Sr bepaalt dat de V.I. niet ingaat zolang de beslissing niet genomen is.

3 De motie De Roon is te vinden als Kamerstuk 30 513, nr. 12. De bespreking ervan in de Tweede Kamer is te vinden in Kamerstuk 30 513, nr. 12.

4 Handelingen Tweede Kamer 2006-2007, nr. 49, blz. 2949, datum vergadering 15 maart 2007.

5 In dit verband is nog te wijzen op een (niet aangenomen) amendement Van Roon, Kamerstuk 30 513, nr. 10, waarin wordt bepleit dat de rechtbank de vordering moet (in plaats van kan, zoals gebruikt in art. 15d lid 1 aanhef Sr) toewijzen als blijkt dat een voorwaarde is overtreden.