Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4416

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
04/850119-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2015:1637, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn minderjarige stiefdochters. Zijn jongste stiefdochter heeft verdachte vanaf haar veertiende tot en met haar zeventiende, derhalve jarenlang, en zeer frequent, misbruikt door bij haar handelingen te verrichten die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Ook heeft verdachte de vagina van zijn oudste stiefdochter meerdere keren betast.

De rechtbank heeft verdachte, conform de eis van het Openbaar Ministerie, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 04/850119-12

Datum uitspraak : 14 mei 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Raadsman is mr. G.M.M. van Tilborg, advocaat te Sittard.

1 Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 30 april 2014.

2 De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

primair:

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2008 tot en met 15 mei

2010 in de gemeente Weert, met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1]), die de

leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,

buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,

die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1];

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2008 tot en met 15 mei 2010 in de

gemeente Weert met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum slachtoffer 1], die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige

handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig voelen aan en/althans

betasten van en/althans aanraken van de vagina en/althans borsten van die [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] en/althans het kussen op de mond van die [slachtoffer 1];

2.

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 16 mei 2010 tot en met 20

oktober 2011 in de gemeente Weert ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig

stief- of pleegkind, in elk geval een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum slachtoffer 1], bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, (telkens) opzettelijk ontuchtig de vagina en/of de borst(en) van die [slachtoffer 1] heeft betast en/of bevoeld en/of die [slachtoffer 1] ontuchtig aan zijn, verdachtes, penis heeft doen of laten trekken;

3.

hij (meermalen) in of omstreeks in de periode van 1 april 2007 tot en met 31

maart 2008 in de gemeente Weert ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig

stief- of pleegkind, in elk geval een aan zijn zorg toevertrouwde

minderjarige, te weten, [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum slachtoffer 2], bestaande die

ontucht hierin dat hij, verdachte, (telkens) opzettelijk ontuchtig de vagina

van die [slachtoffer 2] heeft betast en/of bevoeld.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

  • -

    is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

  • -

    zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

  • -

    zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs1

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 30 april 2014 gevorderd dat

het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair, 1 subsidiar, 2 en 3 ten laste gelegde. Terzake het onder 1 - primair en subsidiair - en 2 ten laste gelegde voert de verdediging daartoe aan dat de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 1] op diverse punten ongeloofwaardig is. Gelet op alle omstandigheden er omheen, te weten de deuren die altijd open stonden, teruggeslagen dekbedden, de moeder van het slachtoffer die beneden was en de zus van het slachtoffer die een kamer op zolder had, de slaapkamerdeur die altijd open stond terwijl het bed zichtbaar was vanaf de zoldertrap, is het onmogelijk dat een en ander zich jarenlang zou hebben afgespeeld zonder dat dit door anderen werd opgemerkt. Terzake het onder 3 ten laste gelegde voert de raadsman, zakelijk weergegeven, aan dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] door niemand bevestigd wordt. Voor zover de moeder van aangeefster [slachtoffer 2] verklaart dat er op de bank iets is voorgevallen, stelt de verdediging zich op het standpunt dat dat om een andere gebeurtenis gaat. Wat er op de bank is gebeurd betreft een ongeluk en zeker geen ontuchtige handeling. Het insmeren van de vagina betrof een medisch noodzakelijke handeling. Het ontuchtige karakter ontbrak daaraan.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

1 primair en 2

Aangeefster [slachtoffer 1]2, geboren op [geboortedatum slachtoffer 1], verklaart op 22 december 2012, zakelijk weergegeven:

Het misbruik is begonnen toen ik 14 jaar was en het was gewoon thuis,. Ik zat naast mijn stiefvader [verdachte] op de bank. Op een gegeven moment begon [verdachte] over mijn benen te wrijven, steeds verder. Op een gegeven moment zat hij met zijn handen aan mijn kutje. Dit was in het huis aan de [adres]. Hij ging gewoon met zijn hand onder mijn pyjama, in mijn onderbroek. Hij ging met zijn hand in mijn onderbroek, hij vingerde mij, ging met zijn vinger over mijn clitoris en hij ging ook in mijn gaatje. Na de eerste keer ging hij ook beffen en daarna ging het nog verder. Ongeveer 2 à 3 maanden bleef het bij vingeren en kutje betasten. Dat gebeurde 1 à 2 keer in de week op de slaapkamer van mijn moeder en [verdachte]. Als [verdachte] mij vingerde, ging mijn onderbroekje uit. Daarna ging hij met zijn hoofd naar beneden en ging hij mijn kutje likken. Het vingeren en het beffen duurde zeker langer dan een half jaar, tot mijn 15e jaar. Vanaf mijn 15e wilde [verdachte] dat ik bij hem ging voelen, bij zijn lul en dat ik hem ging aftrekken. Hij zei dan dat hij het heel fijn vond als hij bevredigd werd. Zijn onderbroek ging naar beneden. Hij deed het eerst voor. Daarna moest ik het bij hem doen. Hij kwam dan klaar in een handdoek. Het aftrekken gebeurde 1 à 2 keer in de week. Dat was in combinatie met het vingeren en beffen, dat was allemaal bij elkaar. Daarna ging het verder met de seks. Ik bedoel daarmee dat hij met zijn lul in mijn gaatje, kut, ging. Eerst deed hij mij vingeren en beffen en toen zei hij: “zullen we het anders doen”. En toen ging hij met zijn lul in mijn kut. Hij ging heen en weer met zijn lul. Dat ging door totdat hij klaar kwam, dan haalde hij hem eruit en spoot het sperma in de handdoek. Hij voelde wel eens bij mijn tieten. Hij voelde onder mijn bh. De seks gebeurde 2 à 3 keer in de week. Het gebeurde ook op die slaapkamer. Dit duurde tot mijn 16e. Toen ik 16 jaar was, kwam het pijpen erbij. Hij vroeg of ik hem wilde aftrekken en daarna of ik hem wilde pijpen. Ik zei dat ik dat liever niet deed. Hierop zei [verdachte] dat hij wilde dat ik het toch deed. Ik vond het niet fijn, ik heb dat ook gezegd, maar [verdachte] drong er op aan. Het vingeren en beffen was er altijd wel. Daarna was het afwisselen, de ene keer pijpen, de andere keer echte seks.

Op een gegeven moment wilde ik echt niet meer. Ik zat op een nieuwe school en kreeg een vriend. Hij wilde toen nog wel voelen. Dat heb ik nog wel toegestaan. Het voelen ging nog twee weken door nadat ik op mijn nieuwe school zat en [naam vriend] leerde kennen. Ik zat op 29 augustus 2011 op mijn nieuwe school. Mijn moeder had vragen aan [verdachte] gesteld. Daarna zei ze dat [verdachte] had gezegd dat ik het zelf wilde.

1 primair, 2 en 3.

Aangeefster [slachtoffer 2]3, geboren op [geboortedatum slachtoffer 2], verklaart op 7 februari 2012, zakelijk weergegeven:

Ik wil aangifte doen omdat mijn stiefvader mij wilde vingeren toen ik 17 jaar oud was. Dat is gebeurd op de slaapkamer van hem en mijn moeder in het huis aan de [adres] in Weert. Mijn moeder is getrouwd met [verdachte]. In 2003 verhuisden we naar Weert. Ik lag bij [verdachte] op bed. Ik was ongeveer 17 jaar. Terwijl ik naast [verdachte] lag, voelde ik dat hij mij plotseling aanraakte op mijn linker bovenbeen. Ik voelde dat zijn hand steeds verder naar binnen ging, naar mijn kut. Ik voelde dat hij mijn kut vastpakte. Hij streelde met zijn hand over mijn kut. Ik heb de hand van [verdachte] weggeduwd, ben opgestaan en naar mama gelopen en heb haar verteld wat [verdachte] bij mij gedaan had. [verdachte] zei dat het mijn eigen schuld was. Ik had er veel te uitdagend bij gelegen, zei hij. Mama geloofde hem. Ze zei dat het een misverstand was tussen mij en [verdachte] en dat [verdachte] gedacht zou hebben dat ik het zelf wilde. Dat [verdachte] dit bij mij gedaan heeft is één keer gebeurd. Wat er ook gebeurd is, is dat [verdachte] in die periode ook regelmatig zalf bij mij smeerde. Ik had die zalf omdat ik een infectie bij mijn blaas had. Ik moest die zalf via een buisje in mijn vagina spuiten. Op het moment dat de zalf werd ingebracht, deed ik mijn broek en onderbroek omlaag. Ik voelde toen dat hij in mijn kut voelde. Ik voelde dat dit pijn deed en riep ‘au’. Meteen daarna haalde [verdachte] zijn vinger eruit, waarna hij vervolgens de zalf via het buisje in de vagina deed. Ik vond het niet fijn dat [verdachte] dat deed. Dit is twee of drie keer gebeurd.

Over wat er gebeurd is tussen [slachtoffer 1] en [verdachte]:

Wat ik van mama en [verdachte] weet is dat het begonnen is met friemelen, toen met vingeren en pijpen en daarna seks. Met seks bedoel ik vrijen, met de lul in de vagina.

Over het moment dat mama of [verdachte] dat hebben verteld:

Op een vrijdag is [slachtoffer 1] naar [woonplaats slachtoffer 2] gekomen. De maandag daarna was ik thuis en die dag was er een gesprek met bureau Jeugdzorg. [verdachte] was toen zenuwachtig. Ik vroeg wat er aan de hand was. Mama zei toen dat ik eens moest weten wat hij geflikt had. [verdachte] zei toen: ‘sorry, ik heb je zusje gevingerd’. Later heeft mama ook nog met [verdachte] gesproken. Hij heeft toen verteld dat er behalve het vingeren ook nog andere dingen waren gebeurd. Mijn moeder heeft mij verteld dat het behalve het vingeren, ook nog die andere dingen, het pijpen en de seks met [slachtoffer 1] gebeurd zijn. Van mijn moeder en [verdachte] weet ik dat het ongeveer 3 jaar geleden begonnen was. Toen was [slachtoffer 1] 14 jaar oud.

3.

Getuige [echtgenote verdachte]4 verklaart op 11 april 2012 zakelijk weergegeven:

[slachtoffer 2] heeft mij een tijdje geleden verteld dat [verdachte] met zijn hand bij haar poes heeft gezeten. Dat was gebeurd in een situatie dat zij op de bank lag. [slachtoffer 2] heeft gezegd dat [verdachte] met zijn hand haar poes heeft aangeraakt. De volgende dag heb ik [verdachte] daarmee geconfronteerd. Hij heeft zijn excuses aangeboden en gezegd dat het niet zijn bedoeling was geweest.

Verdachte5 verklaart ter terechtzitting d.d. 30 april 2014, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik met mijn hand de poes van [slachtoffer 2] heb aangeraakt toen wij op de bank lagen. Mijn hoofd lag op haar been. Met mijn hand lag ik tussen haar benen.

Bewijsoverwegingen

Weerlegging van bewijsverweren terzake sub 1 primair en 2 ten laste gelegde

De verdediging heeft bepleit dat gelet op alle omstandigheden, te weten teruggeslagen dekbedden, de moeder van het slachtoffer die beneden was en de zus van het slachtoffer die een kamer op zolder had, de slaapkamerdeur die altijd open stond terwijl het bed zichtbaar was vanaf de zoldertrap, het onmogelijk is dat het misbruik van [slachtoffer 1] jarenlang zou hebben plaatsgevonden zonder dat dit door anderen werd opgemerkt.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Er waren mogelijkheden voor verdachte om zonder dat dit direct werd gemerkt door anderen misbruik te maken van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat haar moeder en zus meerdere keren per week ’s avonds samen gingen sporten. Volgens haar kraakte de trap als iemand naar boven of naar beneden liep, waardoor verdachte dan direct kon stoppen met het misbruik en zijn onderbroek kon verbergen en de deken terug kon slaan op het moment dat er iemand aan kwam. De rechtbank merkt op dat juist omdat de deuren in huis altijd open stonden, verdachte onmiddellijk kon reageren op geluiden in huis en daardoor het misbruik van [slachtoffer 1] jarenlang verborgen kon houden.

Weerlegging van bewijsverweren terzake sub 3 ten laste gelegde

Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 2]

De verdediging heeft gesteld dat de aangifte van [slachtoffer 2] onbetrouwbaar is omdat haar verklaring door geen enkel bewijsmiddel bevestigd wordt. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat [getuige 2] heeft verklaard “Volgens mij is [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2]) nu helemaal de kluts kwijt omdat ze zo boos is op iedereen” en dat de moeder van [slachtoffer 2], [echtgenote verdachte], heeft verklaard “Dat van [slachtoffer 2] kun je zo van tafel vegen, die liegt alles bij elkaar”. Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 2] wel betrouwbaar. Dat de verklaring van [slachtoffer 2] niet tot in detail overeen komt met andere verklaringen in het dossier, bijvoorbeeld waar het de gebeurtenis op de bank betreft, doet daar niet aan af. De rechtbank merkt op dat de omstandigheid dat [echtgenote verdachte], de moeder van [slachtoffer 2], heeft verklaard dat [slachtoffer 2] liegt, mogelijk wordt ingegeven door de omstandigheid dat [echtgenote verdachte] achter haar echtgenoot, zijnde verdachte, staat, ongeacht wat zich tussen hem en haar dochters heeft afgespeeld. De rechtbank acht de verklaring van [echtgenote verdachte] voor zover zij verklaart dat [slachtoffer 2] liegt dan ook onbetrouwbaar.

Onvoldoende wettig bewijs

De verdediging heeft gesteld dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] niet door enig ander bewijsmiddel wordt ondersteund zodat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt in verband met dit verweer het volgende.

[echtgenote verdachte], de moeder van aangeefster, heeft verklaard dat verdachte en aangeefster op de bank lagen en dat verdachte bij het verschuiven van zijn hand onder het kussen, aangeefster per ongeluk heeft aangeraakt. De dag daarna is dit besproken volgens [echtgenote verdachte] en was het volgens haar duidelijk dat het een ongeluk betrof.

Aangeefster heeft verklaard over de keer dat zij met verdachte op de bank lag. Op een gegeven moment voelde ze de hand van verdachte op haar linker bovenbeen. Zij voelde dat zijn hand steeds verder naar binnen ging, naar haar vagina. Zij voelde dat verdachte haar vagina vastpakte en dat verdachte met zijn hand streelde over haar vagina. Vervolgens verklaart ze dat verdachte heeft gezegd dat het haar eigen schuld was omdat ze er veel te uitdagend had bij gelegen volgens hem. Aangeefster vertelt vervolgens dat ze dit aan haar moeder heeft verteld en dat haar moeder verdachte geloofde en dat haar moeder tegen haar zei dat verdachte gedacht moet hebben dat zij het zelf wilde. Het is volgens aangeefster maar één keer gebeurd dat verdachte met zijn hand zo haar vagina heeft betast.

Materieel gezien betreft de beschrijving van de gebeurtenis op de bank door [slachtoffer 2] dezelfde gebeurtenis als de gebeurtenis op de bank genoemd door de moeder van [slachtoffer 2]. Het verweer van de raadsman dat de verklaring van aangeefster niet door enig ander bewijsmiddel wordt ondersteund wordt derhalve verworpen.

Ontbreken ontuchtig karakter aan handelen van verdachte

De verdediging heeft gesteld dat het ontuchtig karakter ontbrak aan het handelen van verdachte. Voor wat betreft het aanbrengen van zalf in/op de vagina van [slachtoffer 2] stelt de verdediging, zakelijk weergegeven, dat het ontuchtige karakter daaraan ontbrak nu het om medisch noodzakelijk handelen ging. Voor wat betreft het aanraken van de vagina van [slachtoffer 2], terwijl verdachte met haar op de bank lag, stelt de verdediging dat dat per ongeluk is gebeurd.

De rechtbank overweegt omtrent dit verweer het volgende. Bij ontucht gaat het om handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met sociaal ethische normen. De volwassene dient zich terzake dergelijke handelingen terughoudend op te stellen ten opzichte van de van hem afhankelijke minderjarige. Daargelaten zijn intentie, had verdachte, die geen arts is, het insmeren met zalf van de vagina van zijn zeventienjarige stiefdochter, gelet op de geldende sociaal ethische normen, achterwege moeten laten. Al was het vanuit medisch oogpunt noodzakelijk dat de vagina van zijn stiefdochter werd ingesmeerd met zalf, dit had niet door hem mogen worden gedaan.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de vagina van aangeefster terwijl hij met haar op de bank lag per ongeluk aanraakte ongeloofwaardig, reeds gelet op de verklaring van aangeefster waarin zij gedetailleerd beschrijft wat er is gebeurd. Daar komt bij dat de wijze waarop aangeefster deze betasting beschrijft veel gelijkenis vertoont met de manier waarop verdachte [slachtoffer 1] de eerste keer heeft benaderd. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte met haar op de bank lag. Op een gegeven moment voelde ze de hand van verdachte op haar linker bovenbeen. Zij voelde dat zijn hand steeds verder naar binnen ging, naar haar vagina. Zij voelde dat verdachte haar vagina vastpakte en dat verdachte met zijn hand streelde over haar vagina. Vervolgens verklaart ze dat verdachte heeft gezegd dat het haar eigen schuld was omdat ze er veel te uitdagend bij had gelegen. Niet aannemelijk is geworden dat het anders is gegaan dan is verklaard door aangeefster.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de verdediging.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1. primair

meermalen in de periode van 1 mei 2008 tot en met 15 mei 2010 in de gemeente Weert, met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 1]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, telkens een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1];

2.

meermalen in de periode van 16 mei 2010 tot en met 20 oktober 2011 in de gemeente Weert ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, te weten [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum slachtoffer 1], bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, telkens opzettelijk ontuchtig de vagina en/of de borsten van die [slachtoffer 1] heeft betast en/of bevoeld en/of die [slachtoffer 1] ontuchtig aan zijn, verdachtes, penis heeft doen of laten trekken;

3.

meermalen in de periode van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2008 in de gemeente Weert ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, te weten, [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum slachtoffer 2], bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, telkens opzettelijk ontuchtig de vagina van die [slachtoffer 2] heeft betast en/of bevoeld.

Wat onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

5.1.

De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

5.2.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien

jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan

uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

T.a.v. feit 2:

ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind, meermalen gepleegd;

T.a.v. feit 3:

ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind, meermalen gepleegd.

Het misdrijf sub 1 primair is strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

De misdrijven sub 2 en 3 zijn strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezen verklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid uitsluit.

7 De oplegging van straf

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft niets aangevoerd met betrekking tot de vordering van de officier van justitie.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de bijzondere ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn minderjarige stiefdochters. Zijn jongste stiefdochter heeft verdachte vanaf haar veertiende tot en met haar zeventiende, derhalve jarenlang, en zeer frequent, misbruikt door bij haar handelingen te verrichten die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Voorts heeft verdachte de vagina van zijn oudste stiefdochter meerdere keren betast. Verdachte heeft hierdoor telkens een zeer grove inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van zijn stiefdochters, met name zijn jongste stiefdochter. Het vertrouwen dat zijn stiefdochters in hem hadden moeten kunnen hebben als stiefvader heeft hij beschaamd.

Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik een grote negatieve impact heeft op slachtoffers daarvan. Hoe ingrijpend en ontwrichtend deze traumatische gebeurtenissen voor de stiefdochters van verdachte zijn geweest en in de toekomst voor hen (en mogelijk hun gezinnen) nog zal zijn blijkt uit de zich in het dossier bevindende schriftelijke slachtofferverklaringen.

[slachtoffer 1] heeft onder andere verklaard dat ze het misbruik jarenlang voor zich heeft gehouden omdat verdachte had gezegd dat hij zelfmoord zou plegen als zij het aan iemand zou vertellen. Verder verklaart ze dat hij voor haar gevoel haar jeugd heeft verpest en dat ze het op school heeft verpest omdat ze er de hele dag aan moest denken. Ze is nog steeds bang voor hem en loopt als het even kan om als ze op straat een man tegen komt. Ook verklaart ze dat ze bijna geen sociaal leven mocht hebben van verdachte. Ze sluit af met ”dat haar man dat maar moet willen zoals zij nu is” en “dat ze op sommige momenten helemaal kapot is van binnen”.

[slachtoffer 2] heeft onder andere verklaard dat ze een traumapsycholoog heeft bezocht en depressief is geweest. Ze is gestopt met werken en met haar studie omdat ze daar de energie niet meer voor had. Door verdachte is ze bang geworden voor mannen. Intiem zijn met haar toenmalige vriend ging moeizaam, als gevolg waarvan haar relatie verbroken is. Ze verklaart dat verdachte haar leven heeft verpest en dat ze zelfs op het station heeft gestaan om voor de trein te springen. Ze slaapt slecht en heeft veel fysieke klachten.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank mede gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 april 2014 waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

De psycholoog drs. J.J.M. van der Heijden heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van parafilie of hyperseksualiteit doch mogelijk van een “opportunistische dader die een geboden kans gegrepen heeft”. Een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling werd niet vastgesteld terwijl een laag recidiverisico aannemelijk is. Een behandelings- of begeleidingsadvies kon dan ook niet worden gegeven.

De reclassering heeft in haar rapport van 10 augustus 2012 geschreven dat verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan misbruik van zijn stiefdochters. Bij gebrek aan informatie kan de reclassering geen inschatting maken hoe groot het recidiverisico is. Ook de reclassering onthoudt zich van advies omtrent een eventuele sanctie.

Tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting is de rechtbank niet gebleken van enig inzicht bij verdachte omtrent het laakbare van zijn handelen of van empathie met zijn stiefdochters. Integendeel. Verdachte heeft zich ter terechtzitting grotendeels beroepen op zijn zwijgrecht, hetgeen op zich zijn goed recht is. Doordat verdachte geen enkel inzicht heeft gegeven in wat hem al dan niet bewogen heeft, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte louter uit persoonlijk gerief heeft gehandeld zonder zich te bekommeren om de ingrijpende nadelige gevolgen voor zijn stiefdochters, hetgeen aansluit bij de hiervoor vermelde constatering van de psycholoog dat mogelijk sprake is van een opportunistische dader die een geboden kans gegrepen heeft.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die gewoonlijk ter zake van de bewezenverklaarde feiten worden opgelegd. De rechtbank kan zich, alles overwegende, vinden in de eis van de officier van justitie.

8 De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende [adres slachtoffer 1], vordert een schadevergoeding van € 5.116,00 terzake van het onder 1 (primair en subsidiair) en 2 ten laste gelegde.

8.2.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende [adres slachtoffer 2], vordert een schadevergoeding van € 2.673,52 terzake van het onder 3 ten laste gelegde.

8.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de integrale toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en vordert dat aan de verdachte telkens de verplichting als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd.

8.4

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet betwist.

8.5

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

[slachtoffer 1] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 (primair en subsidiair) en 2 ten laste gelegde.

[slachtoffer 1] heeft de materiële schade op € 116,04 en de immateriële schade op een bedrag van € 5.000,00 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte zijn de hiervoor onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten bewezen. Het zijn strafbare feiten en verdachte zal ter zake van die feiten worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering naar redelijkheid en billijkheid voor toewijzing vatbaar voor zover dit de materiële schade betreft zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 116,04, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf de datum waarop de vordering is ingediend, te weten 6 november 2013, tot de dag der algehele voldoening.

Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Of de door het slachtoffer [slachtoffer 1] opgelopen immateriële schade een bedrag van € 5.000,00 rechtvaardigt, kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen nu het slachtoffer [slachtoffer 1] mogelijk ook reeds als gevolg van eerdere traumatische gebeurtenissen in haar leven psychische schade heeft opgelopen. Aangezien de behandeling van de vordering van [slachtoffer 1] met betrekking tot de gevorderde immateriële schade naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zal de rechtbank de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] het deel van de vordering waarin zij niet-ontvankelijk wordt verklaard, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij [slachtoffer 1] zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 116,04, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf

6 november 2013 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 2 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, thans begroot op nihil.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:

[slachtoffer 2] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 3 ten laste gelegde feit.

[slachtoffer 2] heeft de materiële schade op € 173,52 en de immateriële schade op een bedrag van € 2.500,00 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 3 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering naar redelijkheid en billijkheid voor toewijzing vatbaar voor zover dit de materiële schade betreft zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 173,52, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf de datum van indiening van de vordering, te weten 6 november 2013, tot de dag der algehele voldoening.

Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Of de door het slachtoffer [slachtoffer 2] opgelopen immateriële schade een bedrag van € 2.500,00 rechtvaardigt, kan de rechtbank op basis van de haar beschikbare informatie niet beoordelen nu het slachtoffer [slachtoffer 2] mogelijk ook reeds als gevolg van eerdere traumatische gebeurtenissen in haar leven psychische schade heeft opgelopen. Aangezien de behandeling van de vordering van [slachtoffer 2] met betrekking tot de gevorderde immateriële schade naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zal de rechtbank de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren en zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] het deel van de vordering waarin zij niet-ontvankelijk wordt verklaard, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], overeenkomstig het hiervoor overwogene, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten die door de benadeelde partij [slachtoffer 2] zijn gemaakt, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 173,52, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf

6 november 2013 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 3 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 2] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 2] ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

9 Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 57, 245, 249

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4. is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5.2. is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;



Benadeelde partij [slachtoffer 1] en schadevergoedingsmaatregel

- wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor een bedrag € 116,04;

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 116,04, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 6 november 2013 tot de dag der algehele voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 116,04, subsidiair 2 dagen hechtenis, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

- veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 6 november 2013 tot de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 116,04, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 6 november 2013 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk;

Benadeelde partij [slachtoffer 2] en schadevergoedingsmaatregel

- wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor een bedrag € 173,52;

- veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 173,52, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 6 november 2013 tot de dag der algehele voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 173,52, subsidiair 3 dagen hechtenis, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

- veroordeelt verdachte tevens tot betaling aan de Staat van de wettelijke rente over voormeld bedrag vanaf 6 november 2013 tot de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 173,52, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 6 november 2013 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.H. Klifman, C.A.M. Schaap-Meulemeester en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. J.H. Klifman voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C.B. Lenssen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 mei 2014.

Buiten staat

Mr. C.C.W.M. Aretz is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de door de Politie Regio Limburg Noord, District Midden-Limburg, basiseenheid Weert/Nederweert opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL2379 2012054358 d.d. 20 juni 2012 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

2 Proces-verbaal van aangifte van Politie Regio Limburg Noord, Regionale Recherche, Jeugd-/ slachtofferzorg en zedenzaken, d.d. 22 december 2011, pagina’s 9 tot en met 18.

3 Proces-verbaal van aangifte van Politie Regio Limburg Noord, Regionale Recherche, Jeugd-/ slachtofferzorg en zedenzaken, d.d. 7 februari 2012, pagina’s 24 tot en met 30.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Regio Limburg Noord, Regionale Recherche, Jeugd-/ slachtofferzorg en zedenzaken, d.d. 11 april 2012, pagina’s 64 tot en met 71.

5 Proces-verbaal terechtzitting d.d. 30 april 2014.