Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4387

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
C/03/185403 / HA ZA 13-422
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongerechtvaardigde verrijking. Voornemen tot mantelzorgconstructie tussen vader en dochter werkt anders uit dan verwacht. Vader vordert gedane investeringen tot het bewoonbaar maken van bijgebouw op terrein dochter terug. Vordering afgewezen. Onvoldoende gesteld om verrijking aan te nemen én eventuele verrijking wordt gelet op de omstandigheden van het geval niet ongerechtvaardigd geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/185403 / HA ZA 13-422

Vonnis van 14 mei 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonend te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat mr. S.X.J. Zuidema,

tegen

1 [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonend te [woonplaats 2],

gedaagden,

advocaat mr. N.P.H. Vissers.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

  • -

    De rolbeschikking van 7 februari 2014 waarbij een comparitie van partijen is gelast

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 28 maart 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is de vader van gedaagde sub 1, [gedaagde 1], die gehuwd is met gedaagde sub 2, [gedaagde 2]. [eiser] heeft nog een (gehandicapte) zoon, [voornaam zoon]. Dat is (dus) de broer van [gedaagde 1].

2.2.

[eiser] heeft aan een arbeidsongeval in 2007 blijvend hersenletsel overgehouden. Tot 2009 woonden [eiser] en [voornaam zoon], die samen een huishouding deelden, in de buurt van [gedaagden]. [gedaagde 1] verleende mantelzorg.

2.3.

In 2008 hebben [gedaagden] het plan opgevat om naar Zuid-Limburg te verhuizen. Omdat [eiser] te kennen had gegeven (samen met [voornaam zoon]) in de buurt van [gedaagden] te willen blijven wonen, hebben partijen in Zuid-Limburg gezocht naar woonruimte die geschikt was voor dubbele bewoning. In 2008 hebben [gedaagden] voor een bedrag van € 351.160,65 een onroerende zaak gekocht in [woonplaats 2], bestaande uit een perceel met een woonhuis en een bijgebouw, dat geschikt was om verbouwd te worden tot een woning voor [eiser] en [voornaam zoon]. Deze verbouwing heeft ook plaatsgevonden en is door [eiser] gefinancierd uit de door hem ontvangen letselschade-uitkering, die aan hem in verband met voornoemd arbeidsongeval was verleend. Partijen hebben mondeling afgesproken dat zij allen, [eiser], [voornaam zoon] en [gedaagden] in gelijke delen zouden meedelen in de vaste lasten, omdat [gedaagden] die lasten alleen niet zouden kunnen dragen. [eiser] en [voornaam zoon] zijn in 2009 in het inmiddels verbouwde bijgebouw getrokken. In 2011 is er aan dit bijgebouw nog een aanbouw gerealiseerd die ook door [eiser] is betaald.

2.4.

Op enig moment, eind 2011, zijn in de verhouding tussen [eiser] en [gedaagden] strubbelingen ontstaan. Partijen hebben na onderling overleg aan de Stichting Gehandicaptenzorg Limburg (SGL) gevraagd om te bemiddelen in de leefsituatie. De uitkomst van die bemiddeling was onder andere dat het beter zou zijn als [eiser] elders zou gaan wonen. [eiser] heeft zich vervolgens ook als woningzoekende ingeschreven bij diverse woningstichtingen.

2.5.

In het voorjaar van 2012 heeft [eiser] het bijgebouw verlaten en is hij elders gaan wonen. [gedaagden] hebben op dat moment de onroerende zaak te koop gezet.

[voornaam zoon] is nog een tijd in het bijgebouw blijven wonen, maar woont thans in een woongroep.

2.6.

Ten tijde van de comparitie stond de onroerende zaak nog steeds te koop. De vraagprijs bedraagt momenteel € 299.000,00.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat hij de gehele verbouwing van het bijgebouw, en een deel van de verbouwing van de door [gedaagden] bewoonde woning heeft betaald en dus in totaal een bedrag van € 92.840,26 heeft geïnvesteerd in een aan [gedaagden] in eigendom toebehorende onroerende zaak. Hij stelt dat [gedaagden] hem in het voorjaar 2012 hebben gedwongen het bijgebouw te verlaten, zonder dat ze zijn investering hebben terugbetaald. [eiser] beroept zich op ongerechtvaardigde verrijking en vordert uit dien hoofde de door hem gedane investering, door hem gematigd tot een bedrag van € 75.000,00, als schadevergoeding van [gedaagden].

Ook is er volgens [eiser] sprake van een door [gedaagden] gepleegde onrechtmatige daad, nu het in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid om iemand op dergelijke wijze de deur te wijzen, zonder de door hem betaalde investeringen terug te betalen.

[eiser] stelt voorts dat hij met de door hem gedane investeringen in ieder geval een gebruiksrecht terzake het bijgebouw heeft verworven, waarop door [gedaagden] inbreuk is gemaakt. De schade die [eiser] door dit onrechtmatig handelen heeft geleden, wordt door hem eveneens begroot op het bedrag van de door hem gedane investeringen.

Tot slot beroept [eiser] zich op aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid om zijn investering terug te krijgen.

3.2.

Daarnaast stelt [eiser] dat hij, door de wijze waarop hij door [gedaagden] behandeld is, hals over kop zijn woonplek heeft moeten verlaten en een jaarcontract heeft moeten sluiten voor nieuwe huurwoning waarvoor hij maandelijks € 743,80 moest betalen. Hij stelt dat hij schade heeft geleden ter hoogte van twaalf maanden huur, derhalve € 8.925,60.

3.3.

[eiser] heeft aanvankelijk ook een bedrag gevorderd aan schadevergoeding wegens huur die hij [gedaagden] heeft moeten betalen. Dit onderdeel van de vordering is ter comparitie ingetrokken.

3.4.

[eiser] stelt dat hij buitengerechtelijke kosten heeft moeten maken om voldoening van zijn vordering buiten rechte te verkrijgen. Hij stelt deze kosten op een bedrag van € 3.630,00.

3.5.

[eiser] heeft conservatoir beslag gelegd op de aan [gedaagden] in eigendom toebehorende onroerende zaak.

3.6.

[eiser] vordert op grond van het bovenstaande, na vermindering van eis ter comparitie, veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 87.555,60, vermeerderd met rente en kosten.

3.7.

[gedaagden] voeren verweer. Zij voeren aan dat van de letselschade-uitkering die [eiser] had ontvangen, een bedrag van € 27.800,00 was bestemd ter vergoeding van de door hen aan [eiser] verleende zorg en dat dit bedrag hen derhalve toekwam. Zij betwisten voorts dat zij (ongerechtvaardigd) zijn verrijkt en stellen daartoe – samengevat – dat [eiser] uit eigen beweging de woning heeft verlaten, en daarmee [gedaagden] in een situatie heeft gebracht waarin zij gedwongen zijn de onroerende zaak thans (in een veel nadeligere marktsituatie) te verkopen voor een veel lager bedrag dan de destijds door hen betaalde koopprijs.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In artikel 6:212 BW is bepaald dat degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van de ander, verplicht is om, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.

4.2.

Er moet derhalve eerst sprake zijn van 1) verrijking van de een, die ongerechtvaardigd geoordeeld wordt en 2) verarming van de ander. Pas dan kan er (als dat redelijk wordt geacht) grond zijn voor het toekennen van een schadevergoeding die niet hoger kan zijn dan het bedrag van de verrijking.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat [eiser] wel onderbouwt voor welk bedrag hij is verarmd, maar dat hij weinig tot niets stelt over het bedrag waarmee [gedaagden] zouden zijn verrijkt. Dat had wel op zijn weg gelegen omdat het – gezien de jurisprudentie betreffende artikel 6:212 BW – niet zonder meer voor de hand ligt dat het bedrag waarmee de een is verarmd gelijk is aan het bedrag waarmee de ander is verrijkt.

4.4.

[eiser] stelt (onder randnummer 19 van de dagvaarding) dat [gedaagden] de verbouwing aan het bijgebouw zelf zouden hebben bekostigd of moeten hebben financieren als [eiser] dat niet zou hebben gedaan. Indien [eiser] met deze stelling heeft bedoeld zich te beroepen op het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2008 (ECLI:NL:HR: 2008:BD4745), dan gaat dat beroep niet op. [gedaagden] hebben immers onbetwist gesteld dat zij de betreffende onroerende zaak nooit gekocht, en de investeringen in het bijgebouw niet gedaan zouden hebben als het niet de bedoeling was geweest dat [eiser] daar (blijvend) zou blijven wonen én zou meedelen in de woonlasten.

De stelling dat [gedaagden] de door [eiser] gedane investeringen ook zouden hebben gedaan als [eiser] ze niet had gedaan, gaat in dit geval dan ook niet op en leidt niet tot de slotsom dat aan de zijde van [gedaagden] sprake is van verrijking in de zin van artikel 6:212 BW ter hoogte van het bedrag van die investeringen.

4.5.

Het had dus op de weg van [eiser] gelegen om onderbouwd te stellen voor welk bedrag [gedaagden] dan wel zijn verrijkt. Het enige wat [eiser] daartoe aanvoert is dat “niet ontkend kan worden dat de woning in ieder geval door de door [eiser] gedane investeringen meer waard zal zijn geworden”. Enige cijfermatige onderbouwing van deze stelling ontbreekt echter geheel, zodat de vordering op die grond reeds voor afwijzing gereed ligt.

4.6.

Daar komt bij dat – ook al zou vast staan dat de woning meer waard is geworden door de gedane investeringen (door [gedaagden] wordt dit betwist) – er eerst plaats kan zijn voor het toekennen van een schadevergoeding als deze “verrijking” ongerechtvaardigd moet worden geoordeeld. De door [eiser] ingenomen stellingen leiden evenwel niet tot een dergelijk oordeel, en wel om de volgende redenen.

4.6.1.

[eiser] stelt dat hem door [gedaagden] te kennen is gegeven dat hij het bijgebouw moest verlaten en dat hij dus op straat is gezet. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst hij naar een door hem overgelegd verslag d.d. 5 maart 2012 van een medewerker van SGL, mevrouw [medewerkster SGL], dat is opgesteld naar aanleiding van een incident op dezelfde datum. In dit verslag staat:

“Familielid (dochter) werd verbaal agressief, nadat ze te horen had gekregen van begeleider dat cliënt SGL (vader familielid) informeerde welke financiële afspraken er gemaakt waren naar aanleiding van een verbouwing.

Dochter schreeuwde heel hard: “Mijn moeder zou zo iets niet gevraagd hebben. Ze is dood. Ik kan er niet meer tegen. Ik wil hier weg. Mijn huis uit. Je hebt hier niets te zeggen. Bemoei je er niet mee. Ik heb voor alles gezorgd. Ik wil dat je zo snel mogelijk verhuisd, geen contact meer met [voornaam zoon] (zoon cliënt dochter is mentor) en kleindochter [voornaam kleindochter]” en familielid ging staan met veel woede in haar lijf. Stijf lichaam, gebalde vuisten.”

4.6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring, mede in het licht van hetgeen partijen ter comparitie over het betreffende voorval en de voorgeschiedenis daarvan hebben verklaard, onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] door [gedaagden] “het huis is uitgezet”, zoals hij stelt. De rechtbank wil aannemen dat er een flinke ruzie is geweest waarbij over en weer onplezierige dingen zijn gezegd, maar heeft niet de indruk gekregen dat dit niet achteraf had kunnen worden bijgelegd. Dat [eiser] daar niet voor heeft gekozen, maar wel voor het onmiddellijk verlaten van het door hem bewoonde bijgebouw, is dan ook een omstandigheid die voor zijn rekening en risico dient te blijven.

4.6.3.

[eiser] heeft voor het overige geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat hij door [gedaagden] op straat is gezet.

4.6.4.

Daar komt bij dat partijen het er ten tijde van de bewuste ruzie al over eens waren dat het beter zou zijn als [eiser] elders een woning zou betrekken. [eiser] had zich daartoe ook al laten inschrijven bij woningbouwverenigingen. Ten tijde van het nemen van die beslissing heeft [eiser] – kennelijk – geen punt gemaakt van de door hem gedane investering in het bijgebouw.

4.6.5.

Tot slot acht de rechtbank van belang dat door de beslissing van [eiser] om het bijgebouw te verlaten en elders te gaan wonen, [gedaagden] in een positie zijn gebracht waarin zij gedwongen waren de onroerende zaak te koop te zetten, omdat zij de lasten daarvan niet alleen konden dragen, hetgeen [eiser] ook wist. [gedaagden] hebben onbetwist gesteld dat het huis thans nog steeds te koop staat voor een vraagprijs van € 299.000,00 die fors lager is dan de aankoopprijs van € 351.160,65. Vast staat dan ook dat ook [gedaagden] door de hele situatie alleen maar financieel nadeel hebben ondervonden. Dat de waardevermindering van de onroerende zaak het gevolg is van de economische crisis en [eiser] niet kan worden toegerekend, doet aan het voorgaande niet af.

4.6.6.

Al het voorgaande in overweging nemende, komt de rechtbank tot de conclusie dat – als er al sprake is van enige verrijking aan de zijde van [gedaagden] (in de zin dat hun verlies nog hoger zou zijn geweest als [eiser] zijn investering niet had gedaan) – deze “verrijking” gelet op alle omstandigheden van het geval niet ongerechtvaardigd moet worden geacht.

4.7.

Mede gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat [gedaagden] jegens [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld, zodat de vordering ook op die grondslag niet kan slagen.

4.8.

Evenmin kan [eiser] dus worden gevolgd in zijn stelling dat zijn “gebruiksrecht” – het bestaan waarvan overigens niet zonder meer volgt uit de gedane investeringen – is geschonden. Een vordering tot schadevergoeding, gelijk aan de door hem gedane investeringen, is op die grond in ieder geval niet toewijsbaar.

4.9.

Ook de vordering tot vergoeding van de huurpenningen die [eiser] gedurende een jaar zou hebben betaald voor de door hem betrokken huurwoning na zijn vertrek uit het bijgebouw, wordt wegens gebrek aan een deugdelijke grondslag afgewezen.

4.10.

Omdat partijen bloedverwanten in de rechte lijn zijn, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten conform het bepaalde in artikel 237 eerste lid Rv te compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P.A. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.1

1 type: AB