Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4376

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
16-05-2014
Zaaknummer
ROE 14-1174 en 14-1322
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Invordering dwangsom. Het enkele feit dat het aan het besluit ten grondslag gelegde rapport van hercontrole niet is voorzien van een dagtekening maakt niet dat verweerder het reeds daarom niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Het tijdsverloop tussen de datum van het besluit en de datum van de hercontrole is niet dermate lang dat dit twijfel over de betrouwbaarheid van de weergave oproept. De brief inhoudende weigering van het verlenen van uitstel van betaling is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorts een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De verplichting tot betaling van de dwangsommen is immers een verplichting voortvloeiend uit de wet zodra de dwangsommen zijn verbeurd. Het verlenen van uitstel tot betaling leidt tot een opschorting van de plicht tot betaling, hetgeen een op een rechtsgevolg gerichte handeling is. Gelet op artikel 3, tweede lid, van de Awb is ook de weigering om uitstel van betaling te verlenen een besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14 / 1174 en AWB 14 / 1322

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 mei 2014 op de verzoeken om een voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoekster], te [plaats] (België), verzoekster

(gemachtigde: mr. Th.J.H.M. Linssen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, verweerder

(gemachtigden: mr. R.G.J. Leduc en mr. S. Amorij).

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2014 (het eerste primaire besluit) heeft verweerder besloten over te gaan tot invordering van een dwangsom van € 10.000,=.

Bij besluit van 14 maart 2014 (het tweede primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan verzoekster uitstel van betaling van ingevorderde dwangsommen te verlenen.

Verzoekster heeft tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het eerste primaire besluit is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer AWB 14 / 1174. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het tweede primaire besluit is geregistreerd onder zaaknummer AWB 14 / 1322.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2014 alwaar de verzoeken gevoegd zijn behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigden door haar gemachtigde. Tevens zijn verschenen [naam] en [naam]. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Bij besluit van 26 maart 2013 heeft verweerder verzoekster gelast:

- de zonder omgevingsvergunning aangebrachte verdiepingsvloer van het pand aan

de [adres] (het pand) te Roermond te behouden als plafond en niet te gebruiken als verdiepingsvloer;

- het aantal vierkante meters aan detailhandel in het pand conform het

bestemmingsplan “Willem Alexander” terug te brengen tot maximaal 2.000 m²

totdat daadwerkelijk een omgevingsvergunning is verleend voor de uitbreiding van

de vierkante meters vloeroppervlakte voor detailhandel naar maximaal 2.188 m²;

- een ontvankelijke omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ en ‘handelen

in strijd met regels ruimtelijke ordening’ in te dienen;

- de uitbreiding van het assortiment met andere producten dan detailhandel in

fietsen, zoals gereedschap, tuinmachines en tuinartikelen en fitness benodigdheden- en apparatuur in het pand te beëindigen.

Indien verzoekster niet uiterlijk zes weken na de verzenddatum van dit besluit aan de last voldoet, verbeurt zij een dwangsom van € 5.000,= per overtreding, met een maximum van € 20.000,= per overtreding. Het totaal aan te verbeuren dwangsommen bij het niet voldoen aan de bij het besluit genoemde last kan dan ook oplopen tot in totaal € 80.000,= (4 maal € 20.000,=). Het tegen dit besluit gemaakt bezwaar heeft verweerder bij besluit van 13 augustus 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen het besluit van 13 augustus 2013 heeft verzoekster geen rechtsmiddelen aangewend.

3.

Bij een hercontrole op 26 juni 2013 heeft verweerder geconstateerd dat verzoekster niet volledig heeft voldaan aan de bij het besluit van 26 maart 2013 opgelegde last. Enkel de overtreding, opgenomen onder het derde gedachtestreepje van rechtsoverweging 2, is beëindigd. Nu de overige overtredingen ten tijde van de hercontrole niet waren beëindigd, heeft verweerder geconstateerd dat een bedrag van € 15.000,= aan dwangsommen is verbeurd. Bij besluit van 26 augustus 2013 is verweerder overgegaan tot invordering van de voornoemde dwangsommen. Bij besluit van 28 januari 2014 heeft verweerder het door verzoekster tegen het besluit van 26 augustus 2013 gemaakte bezwaar, ongegrond verklaard.

4.

Bij besluit van 29 januari 2014 (verzonden op 30 januari 2014) heeft verweerder na een hercontrole op 29 augustus 2013 nogmaals een invorderingsbesluit genomen ten bedrage van € 15.000,= omdat verweerder bij de hercontrole is gebleken dat verzoekster immer niet aan de aan haar opgelegde last had voldaan.

5.

Bij besluit van eveneens 29 januari 2014 (verzonden op 3 februari 2014) heeft verweerder na een hercontrole op 2 oktober 2013 wederom een invorderingsbesluit genomen, echter nu ten bedrage van € 10.000,=. Tijdens de hercontrole is verweerder gebleken dat verzoekster de verdiepingsvloer niet langer in gebruik had. Nu de trap die toegang biedt tot de verdiepingsvloer voorts was afgesloten met twee kettingen en er bovendien twee waarschuwingsborden met de teksten “verboden toegang” en “verboden toegang voor onbevoegden” bij de trap waren bevestigd, heeft verweerder bij voornoemd besluit geconcludeerd dat verzoekster de in rechtsoverweging 2 eerstgenoemde overtreding had beëindigd en daarmee gedeeltelijk aan de last had voldaan. Vorenstaande heeft ertoe geleid dat verweerder nog slechts ten aanzien van twee onderdelen van de opgelegde last de verbeurde dwangsom invordert.

6.

Bij besluit van 5 maart 2014 heeft verweerder na een hercontrole op 12 februari 2014 nogmaals een invorderingsbesluit genomen ten bedrage van € 10.000,=. Bij voornoemde hercontrole heeft verweerder geconstateerd dat de eerstgenoemde overtreding in rechtsoverweging 2 immer was beëindigd. Wel was er 3.208 m² vierkante meter vloeroppervlak in gebruik als verkoopruimte voor detailhandel, waarmee de toegestane vloeroppervlakte voor detailhandel met 1.020 m² werd overschreden. Voorts werden in het achterste gedeelte van het pand goederen in strijd met het uit het bestemminsplan voortvloeiende toegestane assortiment verkocht zoals gereedschap, autozitjes, niet-gerelateerde fietskleding, tafelvoetbaltafels, biljarttafels en trampolines. De door verzoekster te koop aangeboden grasmaaiers en fitnessapparatuur betreft ondergeschikte detailhandel in ter plaatse bewerkte en verwerkte goederen hetgeen op grond van het bestemmingsplan wel rechtstreeks is toegestaan. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 11 april 2014 bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster kan zich met het besluit niet verenigen en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

7.

Allereerst betoogt verzoekster dat aan het invorderingsbesluit van 5 maart 2014 en het daarbij behorende rapport van hercontrole geen deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag liggen. Zo heeft verweerder volgens verzoekster niet aangetoond dat de hercontrole is uitgevoerd door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, is er geen inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze gegeven en bevat het rapport van de hercontrole geen dagtekening.

7.1.

Voorts heeft verzoekster zich op het standpunt gesteld dat de toegestane oppervlakte detailhandel niet wordt overschreden. Volgens verzoekster is slechts 2100 m² in gebruik voor detailhandel en is voorts circa 1100 m² in gebruik als magazijn/groothandel.

7.2.

Verzoekster heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van in strijd met het bestemmingsplan uitbreiden van het assortiment. Zo worden er fiets-gerelateerde producten verkocht, hetgeen vergund is. Verder worden er niet-fiets gerelateerde producten verkocht maar omdat deze producten zijn geassembleerd in het gebouw is ook dit vergund. Het gaat hier om onder meer grasmaaiers en fitnessapparatuur. De overige goederen die niet-fiets gerelateerd zijn en ook niet in het gebouw zijn geassembleerd, hebben betrekking op groothandel en import/export, zo stelt verzoekster.

7.3.

Subsidiair stelt verzoekster zich op het standpunt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe nopen dat van invordering van de verbeurde dwangsommen moet worden afgezien nu het bestemminsplan niet eenduidig is over welke detailhandel ter plaatse is toegestaan en verweerder evenmin duidelijkheid kan verschaffen over wat ter plaatse exact is toegestaan.

8.

De voorzieningenrechter overweegt aan de hand van de door verzoekster aangevoerde gronden als volgt.

9.

Ingevolge artikel 5:33 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een verbeurde dwangsom betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

8.

Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom.

9.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 mei 2012 (LJN BW5949) overweegt de voorzieningenrechter dat bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom, aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

10.

Over het betoog van verzoekster dat er geen sprake was van overtreding van de last op het punt van de maximale vloeroppervlakte en het toegestane assortiment overweegt de voorzieningenrechter dat uit het verslag van de op 12 februari 2014 plaatsgevonden hercontrole en de door verweerder ter zitting gegeven nadere toelichting genoegzaam is komen vast te staan dat verzoekster de toegestane vloeroppervlakte voor detailhandel op dat moment overschreed en verzoekster bovendien goederen in strijd met het uit het bestemminsplan voortvloeiende toegestane assortiment verkocht. Zo is tijdens de hercontrole in het voorste deel van het pand (delen A en C op de plattegrondtekening) detailhandel aangetroffen op een totale vloeroppervlakte van circa 2.200 m². Voorts zijn in het achterste deel van het pand met een oppervlakte van circa 1000 m² (deel B op de plattegrondtekening) uitgestalde producten aangetroffen voorzien van een prijs. In dit achterste deel van het pand bevindt zich bovendien een zogenaamd fietsplein waar klanten een fiets kunnen uittesten. Tijdens de hercontrole zijn er klanten in dit achterste gedeelte aangetroffen. Dat er toen in deel B detailhandel plaatsvond staat hiermee naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook vast. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat is komen vast te staan dat verzoekster het toegestane aantal vierkante meters (2.188 m²) aan detailhandel overschreed. Verzoeksters stelling dat er in ruimte B (ook) activiteiten plaatsvinden die niets van doen hebben met detailhandel, zoals assemblage werkzaamheden en opslag van producten die niet in de vestiging in Roermond worden verkocht, maakt niet dat daarmee is gezegd dat ten tijde van belang in ruimte B niet ook detailhandel plaatsvond.

11.

De voorzieningenrechter overweegt vervolgens dat uit het verslag van hercontrole en de door verweerder ter zitting gegeven nadere toelichting vast is komen te staan dat verzoekster ten tijde van de hercontrole op 12 februari 2014 in het pand producten verkocht die in strijd zijn met het uit het bestemmingsplan voortvloeiende toegestane assortiment. Zo zijn er tijdens de hercontrole grasmaaiers, fitnessapparatuur, gereedschap, compressors, niet-fietsgerelateerde fietskleding en schoenen, tuinsets, tuinkussens, parasols, trapladders, sleeën, inlineskates, manden en terrashaarden aangetroffen. Ter zitting heeft verzoekster desgevraagd toegelicht dat de assemblagewerkzaamheden in het pand met name betrekking hebben op fietsen, grasmaaiers, compressoren en fitnessapparaten. Nu de producten die verweerder tijdens de hercontrole heeft aangetroffen niet alle zijn te herleiden tot deze assemblagewerkzaamheden en de aangetroffen producten bovendien niet allemaal zijn te herleiden tot fiets-gerelateerde producten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat hiermee is komen vast te staan dat verzoekster producten verkocht die in strijd zijn met het uit het bestemminsplan voortvloeiende toegestane assortiment. Dat het bestemmingsplan voorts niet eenduidig zou zijn wat betreft de toegestane detailhandel en verweerder evenmin in staat is te verklaren welke detailhandel ter plaatse is toegestaan, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Verweerder heeft in het principebesluit immers opgenomen dat onder detailhandel in fietsen wordt verstaan ‘de verkoop van tweewielers, onderdelen en accessoires hieronder wordt ook fietskleding en fietsschoenen verstaan. Verkoop van (vrijetijds)producten zonder enige relatie met een tweewieler vallen niet onder het begrip detailhandel in fietsen’.

12.

Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd wat betreft de bevoegdheid en deskundigheid van de personen die de hercontrole hebben uitgevoerd, de inzichtelijkheid van de gehanteerde werkwijze en het ontbreken van de dagtekening op het rapport van hercontrole leidt de voorzieningenrechter niet tot de conclusie dat het bestreden besluit niet rechtmatig tot stand gekomen is. Uit het verslag hercontrole blijkt dat de controle op 12 februari 2014 is uitgevoerd door drie medewerkers van de afdeling Bouwtoezicht van de gemeente Roermond waardoor kan worden uitgegaan van hun bevoegdheid en deskundigheid. Voor de conclusie dat het rapport van hercontrole de gehanteerde werkwijze tijdens de controle niet voldoende inzichtelijk maakt ziet de voorzieningenrechter, gelet op de inhoud van het rapport, geen aanleiding. Het enkele feit dat het rapport van hercontrole niet is voorzien van een dagtekening, hetgeen volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (ECLI:RVS:2013:1911) wel een van de minimumeisen is aan een controlerapport, brengt voorts niet met zich dat verweerder het verslag van hercontrole enkel vanwege die reden niet aan zijn besluit van 5 maart 2014 ten grondslag heeft kunnen leggen. Immers is wel duidelijk dat dit rapport uiterlijk op 5 maart 2014 kan zijn opgesteld. Het tijdsverloop sinds de datum van de hercontrole op 12 februari 2014 is niet dermate lang dat dit twijfel over de betrouwbaarheid van de weergave oproept. Bovendien is het mogelijk dat bij de behandeling van het bezwaar vastgesteld wordt op welke datum het rapport is opgesteld.

13.

Tot slot overweegt de voorzieningenrechter wat betreft het ten aanzien van de brief van 14 maart 2014 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening als volgt. Bij voornoemde brief heeft verweerder geweigerd aan verzoekster uitstel van betaling van de verbeurde dwangsommen te verlenen. Een brief inhoudende weigering van het verlenen van uitstel van betaling is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De verplichting tot betaling van de dwangsommen is immers een verplichting voortvloeiend uit de wet zodra de dwangsommen zijn verbeurd. Het verlenen van uitstel tot betaling leidt tot een opschorting van de plicht tot betaling, hetgeen een op een rechtsgevolg gerichte handeling is. Gelet op artikel 3, tweede lid, van de Awb is ook de weigering om uitstel van betaling te verlenen een besluit. Nu vast staat dat voornoemd besluit een besluit in de zin van de Awb is, staan hiertegen rechtsmiddelen open. Wat betreft verzoeksters verzoek tot uitstel van betaling wegens het ontbreken van voldoende liquide middelen, overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder dit verzoek in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsommen een beginselplicht, waarvan slechts onder bijzondere omstandigheden mag worden afgezien. De voorzieningenrechter overweegt gelet hierop dat het verlenen van uitstel van betaling niet in lijn ligt met voornoemde jurisprudentie indien reeds besloten is tot invordering over te gaan. Bovendien gaat het om een herstelsanctie waarbij verzoekster zelf had kunnen voorkomen dat zij dwangsommen zou verbeuren. Dat verzoekster niet beschikt over voldoende liquide middelen om aan haar betalingsverplichting te voldoen heeft verweerder er niet toe hoeven besluiten uitstel van betaling te verlenen. Voornoemde omstandigheid komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor rekening en risico van verzoekster.

14.

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.M. Schelfhout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van Rie, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.

w.g. E. van Rie,

griffier

w.g. Th.M. Schelfhout,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 14 mei 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.