Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2014:4242

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
AWB-14_748u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voornoemde documenten op eiseres betrekking hebben. Eiseres heeft ter zitting onbestreden verklaard dat zij op grond van het gelegaliseerd uittreksel uit het gezinsregister bij de Chinese ambassade een Chinees paspoort heeft verkregen. Aangezien de Chinese ambassade ervan uit gaat dat de voornoemde document (mede) op eiseres betrekking heeft en haar op grond daarvan een Chinees paspoort (dat zich in kopie bij de stukken bevindt) is verleend, is de rechtbank van oordeel dat hiermee voldoende aannemelijk is dat de overgelegde documenten op eiseres betrekking hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 14/748

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals, verweerder

(gemachtigden: J. Vanhautem-Géron en mr. I.J.H. Lemmens).

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten niet over te gaan tot het wijzigen van de persoonsgegevens van eiseres.

Bij besluit van 4 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2014.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Als tolk was aanwezig [naam tolk]

Overwegingen

1.

Eiseres is geboren in China en zij verblijft sinds 2000 in Nederland. Zij heeft verweerder op 2 juli 2013 verzocht haar voornaam, geboorteplaats en geboortedatum te wijzigen in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA), thans de basisregistratie personen (BRP). Eiseres heeft hiertoe een pas van de Volksrepubliek China en een uittreksel uit het gezinsregister van het ministerie van Openbare Veiligheid van de Volksrepubliek China overgelegd. Verweerder heeft dit verzoek bij het primaire besluit afgewezen.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het systeem van de Wet gemeentelijke basisadministratie (thans Wet basisregistratie personen, Wet BRP), voor het wijzigen van eenmaal in de BRP geregistreerde gegevens onomstotelijk zal moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn. Aangezien eiseres eerder omtrent haar identiteit verklaringen van een andere inhoud heeft afgelegd, is het aan eiseres om aan te tonen dat de overgelegde (bron)documenten op haar betrekking hebben. Hierin is zij volgens verweerder niet in geslaagd. Het feit dat in de gemeente Den Haag en Amsterdam wel tot wijziging van de persoonsgegevens wordt overgegaan kan geen precedentwerking scheppen, nu niet duidelijk is of sprake is van een identieke situatie. Daarnaast betreft het hier een bestuursorgaan van een geheel andere gemeente.

3.

Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de verschillen in voornaam, geboortedatum en geboorteplaats niet dermate groot zijn dat het voor verweerder niet mogelijk is om de juiste identiteit van eiseres vast te stellen. Eiseres is van mening dat de door haar overgelegde gegevens voldoende zijn om haar identiteit vast te stellen. Zij heeft immer een gelegaliseerde notariële akte, een gelegaliseerd uittreksel uit het gezinsregister en een kopie van haar paspoort overgelegd. Bovendien zijn de overgelegde documenten voor de gemeente Den Haag en Amsterdam wel voldoende om de gegevens in BRP te wijzigen. Hieruit blijkt dat de overgelegde documenten voldoende zijn. Verweerder maakt op geen enkele wijze duidelijk op basis waarvan verweerder meer documenten nodig heeft dan de voornoemde gemeentes.

4.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.

Ingevolge het besluit van 28 november 2013 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet BRP en het Besluit basisregistratie personen is de Wet BRP met ingang van 6 januari 2014 in werking getreden.

6.

Ingevolge artikel 2.8, tweede lid, van de Wet BRP, worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebrek ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

  1. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

  2. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

  3. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

  4. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

  5. en verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 2.58, eerste lid, van de Wet BRP, voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisregistratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge artikel 2.58, vierde lid, van de Wet BRP, is artikel 2.55, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 2.55, vierde lid, van de Wet BRP, draagt het college zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker.

Ingevolge artikel 2.60, aanhef en onder g, van de Wet BRP wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikel 2.55 tot en met 2.59, gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

7.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (zoals de uitspraak van 6 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK8362, die later is bevestigd bij uitspraak van 26 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1068) moeten de gegevens in de GBA (thans BRP) betrouwbaar en duidelijk zijn. De gebruikers van de gegevens moeten er op kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens omtrent de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, is een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een “lager” document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het moment van inschrijving in redelijkheid geen “hoger” document kan worden overgelegd. Dit doet evenwel niet af aan de plicht van de burger om eventueel ook na de inschrijving alsnog zo sterk mogelijk documenten te leveren (Kamerstukken II, 1988/89, 21 123, nr. 3, pagina 13, 44 en 45). Het bewijs dat eenmaal in de basisadministratie opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen maar worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor het wijzigen van eenmaal in de basisadministratie geregistreerde gegevens zal, gelet op het systeem van de wet, onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn.

8.

De vraag die voorligt is of de door eiseres overgelegde documenten brondocumenten zijn als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, van de Wet BRP. Eiseres heeft bij verweerder een gelegaliseerde notariële akte, een gelegaliseerd uittreksel uit het gezinsregister en haar paspoort laten zien. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard dat zij de originele documenten hebben gezien en daarvan een kopie hebben gemaakt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat als al geconcludeerd kan worden dat sommige overgelegde documenten zijn gelegaliseerd, eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze documenten op haar betrekking hebben. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 9 januari 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC1505).

9.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voornoemde documenten op eiseres betrekking hebben. Eiseres heeft ter zitting onbestreden verklaard dat zij op grond van het gezinsregister bij de Chinese ambassade een Chinees paspoort heeft verkregen. Aangezien de Chinese ambassade ervan uit gaat dat de voornoemd document (mede) op eiseres betrekking heeft en haar op grond daarvan een Chinees paspoort (dat zich in kopie bij de stukken bevindt) is verleend, is de rechtbank van oordeel dat hiermee voldoende aannemelijk is dat de overgelegde documenten op eiseres betrekking hebben.

10.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de aard van het hierboven genoemd gebrek zich hiertegen verzet. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

11.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- ( 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 974,- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Bruijnzeels, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.M.E. Schulmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2014.

w.g. F. Schulmer,

griffier

w.g. P. Bruijnzeels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 9 mei 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.